Kopwolven is een bijzondere uitgave van kunstenaars Martin Knaapen en Marcel Herms, beiden geboren in 1964. Knaapen is veelzijdig als dichter, cultureel manusje-van-alles en stadsdichter van Deventer. Herms schildert, tekent en maakt (boek)objecten en audiokunst. Zijn werk verscheen in vele publicaties in samenwerking met verschillende beeldend kunstenaars en audiokunstenaars over de hele wereld.
Dankzij de handgebonden koptische binding met neutraal karton als voor- en achterkaft valt het boek plat open. Waardoor de schilderingen en de bladzijden met tekst goed tot hun recht komen. Het gaat om een doorlopend prozagedicht dat zonder interpunctie in korte strofen op de rechter pagina is gedrukt, op de linker bladzijde staan de titels, zoals: ‘Neem mijn kopwolven lief’, ‘Ruis’, ‘Beklaterd’, ‘Lafbek’, ‘Loser’ et cetera.
De tekst wordt steeds onderbroken door anderhalve pagina met ruige, duistere, levendige schilderingen waarin sporen van een wolf zijn te ontdekken. Witte tanden in een opengesperde bek, gespitste oren, loensende ogen, springende poten, het is een wervelwind van vlakken en vegen opgezet met inkt, verf, krijt, houtskool en collagetechnieken, in zwart-wit of met ondersteunende kleuren, vaak rood.
Het prozagedicht is vanuit het ik-perspectief geschreven en leest als een lange monoloog. Na een proloog volgen vier delen met de titels: ‘grom’, ‘groei’, ‘besef’ en ‘zijn’, die weer zijn ingedeeld in afzonderlijke hoofdstukjes, los van het grote geheel te lezen. Samengevat is dit boek een zoektocht naar wie je eigenlijk bent. Het hele gedicht is zo verwoord dat iedereen zichzelf kan herkennen in de boosheid en de onmacht, de berusting en de opgeworpen vragen. Dat maakt Kopwolven boeiend en soms ook verontrustend.
Ferlinghetti
Het hoofdstuk met de titel ik heb Ferlinghetti gelezen, zegt veel over auteur Knaapen zelf. Ferlinghetti (1919-2021) was een Amerikaanse schrijver en dichter en een exponent van de Beatgeneration, antikapitalistisch en tegen de Vietnamoorlog. ‘Ik ben geboren nog voor de mensen mij kenden – nog voor mijn vader mij meenam – en mijn moeder mij troostte – ik ben een zeiler voor wie het land te groot is – en de zee te ver – ik heb de schoonheid gezien van het donker en van het licht dat mij waste […] ik ben aardiger geworden na mijn dood – ik ben vader en partner en vriend – en neef en oom en collega en buurman – ik heb daarvoor betaald […] ik heb meer geroken dan ik aankon en kan – en meer gelezen dat ik niet begrijp dan wel – ik heb veel gezeten maar nooit gedwongen – ik ben ruim 1 meter 70 en soms niet – ik weeg rond de 70 kilo – mijn gelukscijfer ben ik vergeten – het werkte niet’
Het totale gedicht is een aanklacht tegen de maatschappij. De polemiek rond het herinvoeren van de wolf in Nederland is een mooie aanleiding om met een titel als Kopwolven polarisatie, foute beslissingen in de politiek, klimaatverandering, misstanden in het algemeen te duiden als oorzaken voor angst en verwarring. Daarnaast zijn er veel persoonlijke herinneringen aan een jeugd, ouders, moeder en het zusje dat te jong stierf: ‘dat je mijn zusje mens liet zijn toen de dood zich versneld bij haar manifesteerde en ook jij langzaam aftakelde.’ Een liefde die verdween of kwam, eigenliefde, zelfhaat of de sluimering van een mentale depressie. Het zijn allemaal zogenaamde kopwolven, die veelvuldig worden benoemd en bedoeld zijn als de gedachten die in het hoofd ronddwalen en angsten voeden; woede en onmacht, cynisme, onvermogen, onverschilligheid, verlangen naar de mooie herinneringen in tijden dat het leven tegenzit. Het zijn de universele zorgen die ons allemaal najagen en waar we mee moeten leren leven.
Berusting en acceptatie
Kopwolven is een oproep om te luisteren, een aanklacht tegen onze generatie en die van onze ouders en grootouders die wel hoorden maar niet luisterden. Maar ook is dit gedicht een ode aan moeder aarde. De ik zit soms op een boot en vaart zeilend door het leven op zoek naar ruimte en bevrijding van de kopwolven. ‘en zo – zeil ik laverend langs mijn grenzen – strijdend met weerwil – tegen het grauw – ik raak de horizon maar blijf er weg – de weg naar – is altijd om – of onvindbaar – maar ik leer te leren – en te ademen – op de juiste momenten – ik probeer niet te luisteren – naar het gehijg van de kopwolven’
Het gedicht sluit met berusting en acceptatie om te kunnen leven met woede en angst, en onzekerheden.
‘zwijg nu – je bent te lang aan het woord geweest – ik ben er moe van en doof – en heb niets geleerd – dan dat afstand – niet meer dan jouw vrees is – neem mijn hand – voel de aarde – kijk in mijn ogen – zie de zee – hoor mijn woorden – het is de wind […] het geluk – is teder en broos – en kent grenzen – noch einder’
Kopwolven is een ‘hebbeboek’, dat steeds binnen handbereik mag liggen om geregeld open te slaan en uitnodigt om zomaar ergens te beginnen met lezen. Of peinzend naar de schilderingen te staren waarin zoveel te zien is en ruimte geeft aan eigen zorgen, angsten en herinneringen. Het gaat erom deze een plaats te geven in het moeizame bestaan.











