De bekende, prijswinnende historicus Martin Bossenbroek (twee keer de Libris Geschiedenisprijs) schreef een boek dat het midden houdt tussen een pamflet en een wetenschappelijke studie. Zijn eerdere, succesvolle boeken, De Zanzibardriehoek, De Boerenoorlog en De Wraak van Diponegoro, zijn in zekere zin een vooruitschaduwing van Bossenbroeks laatste (dunnere) boek: Kolonialisme! De vloek van de geschiedenis. Bossenbroek is, zo lijkt het, boos of op zijn minst geërgerd, over de zijns inziens te beperkte blik op de koloniale geschiedenis van ons land. Dat dit thema de laatste tijd zwaar bediscussieerd wordt en heeft geleid tot excuses, monumenten en musea in wording, geeft zijn boek urgentie. Het verklaart ook de drive waarmee Bossenbroek schrijft.
Zijn hoofdthese is simpel. Hij bepleit een gulden middenweg tussen hen die ons verleden verheerlijken dan wel verguizen. Aan de ene kant Balkenende over de zo welkome VOC-mentaliteit in ons land tot Wilders met diens nationale trots en aan de andere kant pakweg Gloria Wekker en de achterban van het Slavernijmuseum in oprichting.
Van alle tijden en continenten
Bossenbroek heeft zeker royaal oog voor de gruwelijke uitwassen van ons slavernijverleden en praat daarover niets goed. Waar hij zich druk over maakt is de beperkte, te nationale blik op dat verleden. Er zijn immers veel andere landen met een slavernijverleden en niet alleen de ‘usual suspects’, de Westerse mogendheden. Vandaar zijn pleidooi voor die middenweg in een bredere, internationale context. Hij maakt zich bijvoorbeeld erg druk over het Amsterdamse Slavernijmuseum en het Rotterdamse migratie-/landverhuizersmuseum FENIX. Die zouden zich uitsluitend baseren op verhalen. ‘Van dat woord word ik altijd een beetje zenuwachtig,’ schrijft hij. ‘Als verhalen het enige inhoudelijke fundament vormen waarop beide iconische musea worden opgetrokken, dan zullen het wankele bouwwerken blijken te zijn.’ In Rotterdam wordt ‘met een vastberaden positief wereldbeeld’ de geschiedenis van de (vrijwillige) migratie getoond en de verrijking van de ‘superdiverse stad’ door inkomende migratie. Twee uiteenlopende benaderingen, maar zij hebben gemeen de nadruk op verhalen en het negeren van historische waarheidsvinding. Bossenbroeks irritatie slaat toe want hij raadt beide museumdirecties een ‘revolutionair idee’ aan. ‘Koop boeken’ en ‘Leg een serieuze bibliotheek aan’. Dat voorkomt ‘enormiteiten’, zoals dat ‘Afrika een groot, vredig Arcadië was totdat de Homo Batavus ten tonele verscheen en alles verpestte’.
Die neiging tot overdrijven is jammer voor een op zichzelf interessant boek. Interessant omdat de koloniale geschiedenis van landen als Rusland en China uitvoerig aan bod komt met voor de gemiddelde krantenlezer vaak onbekende historische feiten. Zoals over een voorloper van het huidige Chinese Belt and Road Initiative middels een legendarische vlootvoogd die in de 16e eeuw met armada’s van schatschepen tot aan Afrika en het Arabisch Schiereiland voer. Maar ook over het Russische imperialisme geeft Bossenbroek interessante feiten die juist nu extra pijnlijk zijn om te lezen. Het boek opent de blik op de mondiale geschiedenis van kolonialisme en slavernij, die ‘van alle tijden en alle continenten’ is. Daar hoort ook bij de voortrekkersrol van het Britse Empire in de 19e eeuw bij de afschaffing van de slavernij. Niet zonder eigenbelang, maar de Britten liepen bepaald voor op landen als Nederland.
Overtrokken theses
Het bezwaar is dat hij doorschiet in zijn pogingen die wijdere blik te contrasteren met de in zijn ogen te simpele keuze tussen verheerlijken en verafschuwen. Tussen de ‘borstkloppers’ die vooral trots op Nederland en zijn verleden zijn en ‘boetedoeners’ die onze vroegere ‘helden’ vooral als misdadigers zien. Het doel is goed: ‘vervang geen oude mythes door nieuwe sprookjes’ en ‘vecht geen oude oorlogen opnieuw uit met verbeterde oogkleppen’. Oogkleppen is ook het sleutelwoord van het boek en de titel van de Proloog. Sympathiek en van belang is zijn oproep om tot een ‘gezamenlijke geschiedenis’ te komen die ‘van ons allemaal’ zou moeten zijn en zou ‘moeten bijdragen aan een sterker gevoel van verbondenheid’. In een land waarin qua politieke opvattingen en uitlatingen de flanken groeien en het midden krimpt is dat geen onnodige luxe, om het zacht te zeggen.
Een oproep tot objectiviteit en nuance is prima. De genoemde oproep aan de nieuwe musea om boeken te kopen (‘nu het nog kan met laag btw tarief’) is wat denigrerend. De theses dat in het huidige slavernijdebat mensen ‘denken hun eigen voorouders alleen te vereren door die van anderen te beschimpen’, en ‘wie zijn eigen heiligdommen alleen wil bouwen op de ruïnes van die van anderen’ zijn overtrokken. Er zijn zeker mensen of groepen die zo ongeveer elk minder prettig aspect aan ons verleden – en Nederland kon er wat van met de VOC en de WIC! – toeschrijven aan eeuwen van koloniale uitbuiting en slavernij, maar is dat niet een kleine minderheid?
De woede klinkt ook door in de schrijfstijl met teksten als ‘je moet maar durven‘ of ‘als dat maar goed gaat’. Of ‘Ja, jammer’ over de ontwikkelingen in de samenwerking van de grote BRICS landen met nieuwe leden als Iran en Saoedie Arabië. Zeker over Zuid-Afrika is Bossenbroek teleurgesteld. Immers, daar is het donkere verleden (Boerenoorlog, apartheid) goed verwerkt via de Verzoenings- en Waarheidscommissie. Zo’n pad zou Nederland eigenlijk ook moeten bewandelen, waarbij de auteur als andere voorbeelden Indonesië en Brazilië noemt. Deze landen, aldus Bossenbroek, ‘laten zich niet verlammen door die eeuwenlange aaneenschakeling van pijnlijke geschiedenissen’. En: ‘verschillen worden verkleind, niet uitvergroot (…) Het gevoel van verbondenheid wordt versterkt, met een beroep op de helende kracht van de democratie.’
Hier wordt Bossenbroek een beetje moeilijk te volgen. De drie landen in kwestie, Indonesië, Brazilië en Zuid-Afrika kennen een turbulente geschiedenis, met kolonialisme en slavernij, maar ze vandaag de dag zien als ‘voorbeelden voor Nederland’?
Kleur narratief vervangt wit narratief
Het pleidooi voor een internationale bril en het vermijden van extreme posities is sympathiek en nuttig, de uitwerking is te snel en te schetsmatig. Zouden we bijvoorbeeld niet meer gebaat zijn bij een vergelijkende studie naar het beleid van Europese landen zoals Frankrijk en Duitsland? Van Zuid-Afrika is best te leren, zoals door het ‘Freedom Park’ in Pretoria waar het ‘bonte Zuid-Afrikaanse verleden’ wordt gepresenteerd. Een idee voor Amsterdam-Zuidoost of Hoorn? Het zou mogelijk veel pijnlijk gehannes met beelden voorkomen.
De Nederlandse koloniale- en slavernijgeschiedenis inpassen in de grote wereldhistorische context, prima. Nu is het ‘een wit narratief vervangen door een narratief van kleur’. Dat is een risico. Maar is het wel zo extreem? Bossenbroek voert een tweefrontenoorlog; tegen Wilders ‘met zijn benepen provincialisme’ maar ook tegen mensen die ‘zonder koloniale waas’ loeren naar oudvaderlandse helden zoals de Witte de Withs ‘om hen vol walging neer te sabelen’.
Dit ‘Amerikaanse confrontatiemodel’ moet worden ingeruild voor een genuanceerde middenweg. Die verdient meer diepgang dan dit boekpamflet. Een tamelijk dun boek is een beetje een omgevallen boekenkast geworden. Bossenbroek zou met wat meer rust en reflectie het pamflet kunnen uitwerken tot die derde weg tussen verheerlijken en verguizen. Met minder polarisatie, meer nuance en een wenkend perspectief.










