Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.
Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.
Mijn Parijs
Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’
Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.
Die vervloekte literatuur
Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.
Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.
Fata morgana
De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.
En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’








