De lange weg naar Londen van Marian Rijk begint zo: ‘Tussen de spijlen van het tuinhek glinsteren spinnenwebben met dauwdruppels als juwelen: de voorbode van een zonnige dag. Een dunne, witgrijze sluier van nevel omhelst het huis. Een sprookjesachtig beeld, maar hij weet wel beter.’ Een alinea verder lezen we dat een ‘palet aan emoties’ de hoofdfiguur ‘op zijn schouders’ drukt en ‘zijn laarzen vast op de tegels’ duwt. Stilistisch geen bemoedigend begin van dit op zich boeiende verhaal over Engelandvaarder Charles Pahud de Mortanges.
In het interbellum was ‘Pahud’, zoals hij in het boek genoemd wordt, een succesvolle springruiter met een record aan Olympische medailles. Inmiddels (het verhaal is geschreven in de tegenwoordige tijd) is hij officier in het Nederlandse leger, ook nog tijdens de beginjaren van de Duitse bezetting. Zijn huwelijk met Irma is zo goed als klaar, zeker na de dood van hun zoon Buuk (aangehouden en geëxecuteerd na een mislukte poging uit te wijken naar Engeland). Als Pahud na een valstrik van de bezetter op transport wordt gezet naar Duitsland om ingezet te worden in de oorlogsindustrie, weet hij uit de trein te ontsnappen. Hij besluit, in navolging en ter ere van zijn zoon, naar Engeland te gaan om van daaruit de geallieerde strijd tegen de nazi’s te steunen. En dan begint ‘de lange weg naar Londen’, die hem met veel tegenslagen en ontberingen door heel West-Europa naar het Britse Gibraltar voert, vanwaaruit hij eindelijk de oversteek naar Engeland kan maken. Zij het niet als een echte Engelandvaarder overzee, maar door de lucht.
Vrij bijzonder personage
De lange weg naar Londen is een interessant verhaal over een vrij bijzonder personage. Zijn sportieve carrière heeft Pahud bekendheid gebracht. Voor sportsucces noodzakelijke kwaliteiten als discipline, stiptheid en ambitie kwamen van pas in het leger, waar hij het tot de rang van ritmeester bij de cavalerie bracht. Als officier houdt hij zich netjes aan de plicht om zich jaarlijks te melden bij de bezetter. Dat breekt hem op. Hij loopt met ogen open in de val en vervloekt zichzelf om zijn naïveteit. Na zijn ontsnapping en tijdens de eindeloze odyssee richting Engeland toont hij zich taai, vindingrijk en loyaal aan zijn reisgenoten. Na de oorlog maakt Pahud zich verdienstelijk als voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité en in 1953 treedt hij in dienst bij koningin Juliana als een soort ‘opperceremoniemeester’ bij staatsbezoeken, werkbezoeken, huwelijksfeesten en koninklijke uitvaarten. Bij dat alles blijft hij bescheiden. Als iemand hem vraagt naar zijn succesvolle carrière als springruiter zegt hij: ‘Ik had gewoon een goed paard’.
Omdat De lange weg naar Londen vanuit het gezichtspunt van de minzame Pahud is geschreven, wordt het geen heldenepos. Had Rijk zich tot dit perspectief beperkt, dan was het boek een interessant feitenrelaas geworden. Maar ze wilde meer, als journalist en als schrijver. Het lijkt of ze bij het schrijven van dit boek geen keuze heeft kunnen maken uit beide hoedanigheden. De journalist in haar deed nauwgezet onderzoek en raadpleegde zeven pagina’s aan bronnen, boeken, artikelen, websites, archieven en documentaires. Materiaal genoeg voor een meeslepend geschiedenisboek over een curieus onderdeel van het verzet tegen de bezetter. Waarom waagden verzetstrijders hun leven in een slopende, levensgevaarlijke overtocht naar Engeland om vervolgens per omgaande terug naar Nederland gestuurd te worden als spion, saboteur of infiltrant?
Literaire opsmuk
Rijk beperkt zich echter niet tot journalistieke verslaglegging. Als schrijver tracht ze literatuur van haar verhaal te maken, en als zodanig gaat ze de mist in. Zie niet alleen de hierboven geciteerde openingsregels. Verderop lezen we, ‘Een vrouw gehuld in een bontmantel en bontmuts komt hun tegemoet. Even kruisen hun ogen elkaar, een vriendelijke blik, en dan is ze uit zijn gezichtsveld verdwenen.’ Deze vrouw zal nergens in de zeven pagina’s aan bronnen te vinden zijn – ze dient puur als literaire opsmuk. Of, ‘Hun kamer telt twee losse bedden met een kleine handdoek over het frame aan het voeteneinde en een zalmkleurige sprei over de deken.’ De kleur van de sprei voegt op geen enkele wijze iets toe aan de zeggingskracht van het verhaal. En omslachtige formuleringen als, ‘In de woonkamer schenkt Wim cognac voor hen in. Pahud neemt dankbaar een glas aan en schuift zijn stoel naar de grote schouw met Delftsblauwe tegels en het kleine, warme vuur.’ Op deze manier duurt het bijna tot de helft van het boek voor er eindelijk schot in het verhaal komt. Naast journalist en schrijver is Marian Rijk ook redacteur. In die functie had ze haar alter ego’s op de vingers moeten tikken, wees het een of het ander, maar niet allebei tegelijk.










