In de omvangrijke roman Mordechai neemt schrijver Marcel Möring de lezer mee in een verhaal over afkomst, herinnering en de kracht van literatuur. Het is tegelijk een portret van een eigenzinnige schrijver en een spiegel van een geschiedenis waarin hij verstrikt raakt. Hoofdpersoon Mordechai Gompertz (72) is een literair zwaargewicht: gevierd, omstreden en vaak onderwerp van roddel. Toch blijkt zijn onaantastbaarheid slechts uiterlijk vertoon. Een ogenschijnlijk onbeduidend incident – een enkel woord dat hem uit balans brengt – zet een reeks gebeurtenissen in gang waardoor zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie begint af te brokkelen. Wanneer hij tijdens een interview door het lint gaat, valt de façade van onafhankelijkheid uiteen.
Möring tekent Mordechai als een man die nooit heeft willen knielen of zich voegen. Die houding maakt hem tot iemand die zijn eigen weg kiest, onafhankelijk van anderen, waardoor hij ook in eenzame situaties terechtkomt. In zijn terugblik ontdekt Mordechai bovendien dat zijn werk minder autonoom is dan hij altijd dacht. Elk boek blijkt te zijn ingegeven door echo’s uit zijn familiegeschiedenis: een terloopse opmerking van een tante, een gebaar van een grootvader, een herinnering die hij nooit volledig heeft losgelaten. Het verleden laat zich niet wegdrukken, hoezeer hij zich er ook tegen verzet: ‘Dat er aan het verleden niet viel te ontsnappen wist hij ook wel, maar dat familie die al heel lang niet meer bestond hem achtervolgde, wekte zijn ergernis. Heel precies kon hij er zijn vinger niet op leggen, maar hij was zich vaag bewust van het gevoel niet alleen Mordechai Ephraim Gompertz te zijn, maar ook, misschien wel vooral, een verlengstuk, een schakel, een gevolg.’
Het onontkoombare verleden
Daarmee overstijgt Mordechai het persoonlijke relaas. Het is een generatieroman die laat zien hoe trauma’s, overtuigingen en herinneringen van voorouders hun schaduw werpen over het heden. Een terugkerend motief zijn de ‘stoflagen van de geschiedenis’ die in de kleren blijven hangen. Tegelijkertijd verweeft Möring actuele thema’s door zijn verhaal, zoals #MeToo, politieke polarisatie en de vraag hoe ver literatuur mag gaan in het verkennen van seksualiteit.
De zinnen in Mordechai hebben een zorgvuldig ritme, maar vooral de dialogen vallen op: geestig, doorspekt met subtiele ironie. Sommige scènes blijven onuitwisbaar: de slapstickachtige spanning rond de Nobelprijs, of de intieme en tragische momenten met Klara, de geliefde met wie hij dertig jaar samen was. Leven en schrijverschap weerspiegelen elkaar voortdurend, waardoor de roman een meta-laag krijgt.
De schaduwzijde van ambitie
Toch werkt Mörings stijl niet altijd in het voordeel van het boek. Waar hij naar grandeur streeft, kan de lezer eenzelfde vermoeidheid ervaren als Mordechai bij het doorploegen van omvangrijke familiegeschiedenissen. ‘Wat was het waardoor ze een dikke pil van bijna zeshonderd pagina’s over een geslacht van Joodse kaartenmakers kochten?’ vraagt hij zich af – een vraag die soms net zo goed voor deze roman en zijn lezers geldt. Regelmatig kabbelt het verhaal voort zonder duidelijke richting, en blijft het uiteindelijke doel van het relaas vaag en diffuus.
De roman is opgezet als een mozaïek waarin herinneringen, literaire reflecties en filosofische bespiegelingen elkaar afwisselen. Dat geeft het boek een onmiskenbare rijkdom, én zorgt voor verwarring. Thema’s als geschiedenis, religie, politiek en liefde verdringen elkaar, zonder dat er één echt tot volle bloei komt. Het fascinerende idee dat elke roman voortkomt uit familie-invloeden raakt daardoor vaak naar de achtergrond.
Ook Mörings eruditie is dubbel: verwijzingen naar schrijvers als Umberto Eco, Hella Haasse of Samuel Beckett en uitstapjes naar kabbalistische tradities voegen zeker allure toe, maar zijn niet altijd op natuurlijk wijze in het verhaal ingebed. Op die momenten hapert de vertelling en overheerst het gevoel van intellectualistisch vertoon. Wie verwacht het boek vlot te kunnen uitlezen, komt bedrogen uit.
Op zoek naar verzoening
Tegenover de overvloed aan reflectie staat Mordechais verlangen naar handelen. De roman laat zien dat psychologie en filosofie niet alleen in introspectie zichtbaar worden, maar ook in concrete daden. De hoofdpersoon is het levendigst wanneer hij kookt, iets repareert, schrijft, of zich in de chaos van het bestaan stort. Het slapstickachtige Nobelprijs-hoofdstuk markeert daarin een keerpunt: voor het eerst voelt Mordechai zich vrij temidden van de wanorde.
Ondanks de zwaarte eindigt de roman verrassend hoopvol. Waar eerdere boeken van Möring vaak kil en somber sloten, gloort hier verzoening. In de tuin van zijn voorouders ontdekt Mordechai dat er een plek kan bestaan die als thuis voelt – een ervaring die hij nooit eerder kende en die de roman een onverwachte zachtheid meegeeft.
Mordechai is een roman van uitersten: groots van opzet en vaak psychologisch scherp, maar tegelijkertijd soms overladen en fragmentarisch. Het boek balanceert daardoor tussen briljante passages en de valkuilen van eruditie; het volgen van die balanceer-act levert een geheel eigen spanning voor de lezer op.










