Een verhaal dat ‘werkt als een talisman, een enigszins eigenaardig literair object dat hem nooit mag verlaten als de schrijver die hij is zijn koers wil bewaren, de klippen wil mijden’. Véronique Chovin geeft in haar voorwoord precies aan wat voor Louis-Ferdinand Céline de betekenis was van zijn wonderlijke ‘middeleeuwse’ verhaal over De legende van koning René en de latere uitwerking daarvan tot De wil van koning Krogold: een literair kompas dat hem in tijden van schrijfnood altijd weer op pad kon helpen.
Het manuscript van De wil van koning Krogold was tachtig jaar geleden door de schrijver achtergelaten in zijn appartement in Montmartre toen hij er hals-over-kop vandoor moest vanwege zijn foute houding in de oorlog. In 2021 dook het weer op en werd eindelijk gepubliceerd, samen met zijn voorloper De legende van koning René. De twee verhalen zijn meesterlijk vertaald door Tatjana Daan. Céline vertalen is hoe dan geen sinecure, maar hier gaat het ook nog eens om een taal die doordrenkt is van een soort eigengemaakte nabootsing van het Oudfrans. Waar nog bijkomt dat Céline zich in deze verhalen te buiten gaat aan een verteltrant die alle kanten opvliegt en waar soms geen touw aan vast te knopen is. Een willekeurig voorbeeld, bedoeld om zowel Célines exuberante schrijfstijl als Daans virtuoze vertaalkunst te illustreren (de stad Christiana wordt belegerd, het fragment gaat over de impact op de inwoners): ‘Burgers, ambachtslieden, provoosten, zure oude mannetjes, helemaal onder hun slijpstenen gekromde scharensliepen, blinden en klagers met ratel, mooipraters met ledige reiszakken, neuzelende menestrelen, bij de kookpot weggerukte, dikbuikige huismoeders, berenleiders en messenmakers schaarden zich in groepjes, diep weggedoken in de portieken, donkerder dan de nacht.’
Frivool
Voor de liefhebbers van het werk van Céline zal deze curieuze uitgave een sensationele verrassing zijn. Het laat een tot dusverre onbekende kant van zijn schrijversschap zien. Niet de pessimistische, cynische, zwartgallige misantropie van Dood op krediet, Oorlog en Londen, maar een middeleeuws, frivool sprookjesverhaal vol mystiek en tovenarij. Eigenlijk zijn het dus twee vertellingen, maar de personages, de thematiek en de motieven van De wil van koning Krogold vloeien direct voort uit De legende van koning René.
In beide gevallen gaat het om de belegering van een stad ergens in Midden-Europa (alhoewel er ook Scandinavische elementen zijn), ten tijde van de middeleeuwen. Tegen die achtergrond volgen we de lotgevallen van een rondtrekkende minstreel (Thibaut – de spelling van de namen wil nog wel eens afwijken, geheel in de fictieve traditie van de middeleeuwse literatuur), zijn vriend Joad, koning Krogold (René in het bronverhaal) van de stad Christiana, diens dochter Wanda en zijn grote tegenstander prins Gwendor, geliefde van Wanda. De verhaallijnen zijn te gecompliceerd en uiteenwaaierend om hier in kort bestek samen te vatten, en in feite doen ze er ook niet zoveel toe. Het gaat veel meer om de betoverende, soms haast hallucinerende kracht van Célines taal (en nog maar eens, want haar prestatie kan niet genoeg geprezen worden, de vertaling van Tatjana Daan).
Lees maar: ‘Op het eind van de dag kwam de koning de overwinning toe. Nog lang zag je aan de horizon de koninklijke cavalarie, met woeste lansbewegingen in alle richtingen, het gebied uitkammen, en de laatste vluchtende soldaten tot aan de bossen najagen. Het verzwakte en versnipperde leger van de prins liet zich aan flarden sabelen. Later op de avond veranderde het tumult van de gevechten en het geschrei van het strijdgewoel in een machtig, deerlijk weeklagen. Vervolgens viel tegen de nacht de stilte, die de aldoor zwakkere, aldoor doffere kreten en doodsreutels een voor een versmoorde.’
Schrijfplezier
Taal die vlamt en flonkert; in het oorspronkelijke relaas over koning René relatief nog toegankelijk en vertrouwd, in De wil van koning Krogold (‘waarvan het lezen enige concentratie’ vergt, aldus Alban Cerisier in zijn verhelderende nawoord) soms nauwelijks te volgen. Het is Céline nooit gelukt zijn middeleeuwse legende gedrukt te krijgen. Cerisier laat in zijn nawoord echter zien dat de stof wel degelijk zijn weg naar de drukpers heeft gevonden, als essentiële thematische ingrediënten in zijn grote romans Dood op krediet, Oorlog en Londen. Daarnaast is de legende, volgens Cerisier, ‘ook een laboratorium, waarin Céline in het geheim zijn romaneske taal ontwikkelt op een ander substraat, waarin hij zijn effecten uitbreidt, of het nu gaat om interpunctie of lexicale en syntactische inventiviteit.’ Zo is koning Krogold altijd een hoofdrol blijven spelen in het schrijversschap van Céline. Los van dat experimenteren met de taal en de verwerking van de stof in latere romans zal het creëren van zijn legende Céline veel schrijfplezier hebben bezorgd. Al hoeft dat niet per se tot léésplezier te leiden.










