De Iraans-Amerikaanse schrijver Kaveh Akbar (Teheran, 1989) is vooral bekend als dichter. Hij publiceerde o.a. Pilgrim Bell, Calling a Wolf a Wolf en Portrait of the Alcoholic. Met Martelaar! maakt hij zijn debuut als romanschrijver.
Op zijn tweede is Cyrus Shams na de dood van zijn moeder met zijn vader vanuit Iran naar Indiana in Amerika verhuisd. Zijn moeder zat in een neergehaald vliegtuig. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine schoot op 3 juli 1988 een Iraans lijntoestel uit de lucht, vlucht 655 van Teheran naar Dubai. Alle 290 inzittenden kwamen daarbij om. Omdat zijn moeder Roya het beter vond dat Cyrus op zo’n jonge leeftijd niet meeging op die vlucht, leeft hij nog. Hij voelt zich schuldig, want hij had ook in dat vliegtuig moeten zitten.
Zijn vader Ali werkt in een kippenfokkerij. Lange zware werkdagen in combinatie met veel drank leiden tot zijn vroege dood. ‘Nu zijn vader dood was, had Cyrus geen ouders meer die zich zorgen over hem konden maken /…/ Wat nog restte van zijn leven had geen zin van zichzelf, wist hij, want die zin kon alleen vorm krijgen in relatie tot anderen.’
Cyrus is jaren in de ban van drugs en drank, maar hij stopt uiteindelijk met drinken.
Op zoek naar betekenis
Cyrus is eind twintig als hij zich verdiept in de geschiedenis van martelaren zoals Jeanne d’Arc, IRA-lid Bobby Sands – overleden door zijn hongerstaking in de Maze-gevangenis – en de ‘Man-voor-de-tank’, die tijdens de studentenopstand in 1989 op het plein van de Hemelse Vrede een tank tegenhield. Zijn appartement heeft hij volgeplakt met zwartwit afbeeldingen van deze martelaren. Daartussen hangt een trouwfoto van zijn ouders. Hij denkt aan het publiceren van een dichtbundel of een roman over martelaren. Cyrus: ‘Ik ben er nog niet uit. Maar heel mijn leven denk ik al aan mijn moeder op die vlucht, dat haar dood van geen betekenis is geweest. Echt letterlijk van geen betekenis. Van geen betekenis. Het verschil tussen 290 doden en 289. Een verzekeringsstatistiek. Niet eens tragisch, snap je? Maar was zij nu een martelaar? Er moet een definitie van dat woord zijn waar zij in past. Daar ben ik naar op zoek.’ Cyrus over de betekenis van de dood: ‘Ik denk niet dat het zo gek is dat ik wil dat mijn dood die wel heeft. Of om een studie te maken van mensen wier dood ertoe deed, weet je? Mensen die hebben geprobeerd om hun dood iets te laten betekenen.’
Zijn zoektocht lardeert hij met bijzondere verhalen, zoals die over zijn oom Arash die verkleed als engel met een zaklantaarn onder zijn gezicht over het slagveld van de oorlog tussen Irak en Iran rijdt om het lijden van de stervenden te verlichten. Zo geloofden zij dat ze werden bezocht door de engel Gabriël en zo konden ze met waardigheid sterven.
Zijn vrienden Zee Novak en Sad James wijzen hem bij zijn zoektocht naar het martelaardom op de tentoonstelling Death-Speak in het Brooklynmuseum in New York van de ‘internationaal vermaard kunstenaar Orkideh.’ Zij sporen hem aan naar New York te gaan: ‘Je wilt schrijver zijn. Zo gaan schrijvers te werk. Ze gaan achter het verhaal aan. Het is een omslagpunt. Je kunt die droeve, nuchtere man in Indiana blijven die altijd verkondigt dat hij schrijver wil worden, of je kunt er echt een gaan worden.’ Orkideh is gediagnosticeerd met terminale borstkanker en nodigt bezoekers in haar allerlaatste installatie uit voor een gesprek tijdens de laatste weken en dagen van haar leven die zij ter plekke in het museum zal doorbrengen. In een ‘abramoviceske performance’ kunnen museumbezoekers een paar minuten bij haar zitten ‘om frank en vrij over de dood te spreken.’
Ontmoetingen in het Brooklyn Museum
Meerdere hoofdstukken zijn gewijd aan de ontmoetingen tussen Cyrus Shams en Orkideh in het Brooklyn Museum. Hij vertelt haar dat hij studie maakt van al die mensen die zijn gestorven voor iets waarin ze geloofden. ‘Doodgaan. Het lijkt zo’n verspilling als je gewoon maar voor niets doodgaat. Zonde van je enige goede dood.’ Over de performance van Orkideh: ‘Jij bent dit aan het doen en dus betekent jouw doodgaan echt iets.’ Zij vraagt hem of hij een ‘weer zo’n door de dood geobsedeerde Iraanse man’ is. Bij de tweede ontmoeting vertelt Orkideh hem dat zijn project haar doet denken aan al die geweldige Perzische spiegelkunst. Uit Isfahan reisden ontdekkingsreizigers naar Europa. Daar zagen ze grote spiegels. De sjah wilde ook van die spiegels, maar bij het vervoer gingen die kapot: ‘In plaats van enorme spiegelpanelen kregen de architecten van de sjah in Isfahan dure spiegelscherven om mee te werken. En dus begonnen ze daar ongelooflijke mozaïeken mee te maken, heiligdommen, gebedsnissen.’ Orkideh: ‘Daar denk ik vaak over na, Cyrus. Al die eeuwen dat de Perzen de Europese ijdelheid, hun weerspiegeling eigenlijk probeerden te kopiëren.’ Bij de derde ontmoeting vraagt Cyrus waarom ze haar laatste dagen niet doorbrengt met haar familie. Orkideh: ‘Ik ben kunstenaar. Ik wijd mijn leven aan de kunst. Dat is het enige wat er is. /…./ Ik wijd mijn leven aan de kunst omdat die blijft /…/ Dat is wat de tijd niet kapotmaakt.’ Het motto van haar tentoonstelling Death-Speak luidt: ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’
Orkideh doet orakelachtige uitspraken over zijn zoektocht naar het martelaarschap: ‘Wat ik bedoel is dat ik denk dat je je echte einde misschien ontdekt als je er niet langer naar zoekt. Ik denk dat echte eindes zich meestal van buitenaf naar binnen werken.’
Bijzondere stijl
Kaveh Akbar heeft een bijzondere manier van vertellen. Hoofdstukken over Cyrus’ moeder Roya Shams, zijn vader Ali Shams en zijn oom Arash, worden afgewisseld met hoofdstukken uit zijn schooltijd, zijn drank- en drugsperiode. Er zijn hoofdstukken met dromen, o.a. over zijn gesprekken met Orkideh en fragmenten uit zijn Martelarenboek.docx. Bovendien bevat het boek korte citaten uit officiële Amerikaanse en Iraanse onderzoeksrapporten over het neerstorten van vlucht 655. Vanuit Amerikaans standpunt is het neerschieten van het lijntoestel ‘niet met opzet’ gebeurd; in Iran wordt de aanslag op een postzegel gezet om te gebruiken als propagandamateriaal tegen Amerika.
De roman zit knap in elkaar. De hoofdstukken kunnen gezien worden als stukjes van een gebroken spiegel: aan het eind is het mozaïek klaar en heeft de lezer een duidelijker beeld van hoe alle gebeurtenissen met elkaar samenhangen.
Clarice Lispector
Cyrus’ roman spitst zich toe op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze dood ertoe doet? Uiteindelijk is zijn boek af, hij zal net als Orkideh een kunstwerk nalaten. In een droombeeld ziet hij ‘zijn familie, allebei zijn ouders, zijn boek, zijn eigen gezicht. Zonder toekomst, als een verbrijzelde glazen bol.’ Martelaar! heeft een motto van Clarice Lispector. Vooraan: ‘Mijn God, nu pas moet ik eraan denken dat mensen doodgaan.’ En na de laatste bladzijde wordt dat citaat herhaald, met de toevoeging: ‘Maar… maar ook ik? Niet vergeten dat het vooralsnog aardbeientijd is.’ De citaten zijn afkomstig uit haar laatste boek Het uur van de ster. Kort na het verschijnen ervan overleed de schrijfster, net voor haar zevenenvijftigste verjaardag. Mede door deze citaten vraagt de lezer zich af wat er van Cyrus is geworden. Zo blijft Martelaar! na lezing nog lang rondzingen in het hoofd van de lezer.
Met zijn ruim 400 bladzijden is Martelaar! een interessant en boeiend boek. Vertaler Hans Kloos, die de lezer ook nog kan kennen van zijn vertaling van Ik ben een eiland van Tamsin Calidas, leverde weer een mooie vertaling af. Wie meer wil weten over Akbar en zijn debuut kan terecht op het Crossing Borderfestival op 2 november in Den Haag.











