‘Maar deze nacht, in de Moezelvallei, met de trein die fluit en mijn kameraad uit Semur, ben ik twintig jaar en lap ik het verleden aan mijn reet.’ Deze verzuchting slaakt de twintigjarige Jorge Semprun in 1943 tijdens de vierde nacht in de treinwagon waarin hij met 120 mensen zit opgesloten met, wat pas later zal blijken, bestemming Buchenwald. In De grote reis legt de Spaanse schrijver Jorge Semprun in een autobiografisch memoir over zijn ‘reis’ verantwoording af van wat hij gezien en ervaren heeft. In de wagon beseft hij dat hij dit niet nu, maar pas later, na vijftien jaar misschien, kan doen. Semprun vertelt zijn verhaal vooral via gesprekken, die hij in de treinwagon heeft met een Franse jongen uit Semur, die tegen hem aangeklampt staat in de opeengepakte wagon en die hij heeft leren kennen in het kamp in Compiègne.
Zijn boek, De grote reis, zal pas in 1962 in druk verschijnen. Hij heeft er dan wel al jaren aan gewerkt. Uit zijn beschrijving van het overlijden van een oude man onderweg in de treinwagon blijkt hoezeer zijn denken over leven en dood zich tijdens de reis heeft ontwikkeld. De oude man komt te overlijden ondanks pogingen van de jongen uit Semur hem te helpen. ‘“Het zal wel iets met het hart zijn”, zegt de jongen uit Semur. “Het is een heel gewone gebeurtenis, een hartaanval, het had hem ook aan de oever van de Marne kunnen overkomen, terwijl hij zat te hengelen.”’ Deze geruststellende gedachte over de dood werpt Semprun in een indrukwekkende vertelling verre van zich af. Door de oude man in een laatste opflakkering van levenskracht te laten zeggen: ‘Geven jullie je er wel rekenschap van?’, laat hij zien dat de oude man natuurlijk niet is gestorven aan een hartaanval, maar is vermoord en dat het zijn plicht is dit verhaal te vertellen aan het nageslacht. Fictie geeft Semprun de vrijheid om datgene wat hij wil vertellen zo sterk mogelijk te laten overkomen. Hij heeft immers een boodschap.
Wie is Jorge Semprun
Semprun komt uit een familie die zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog schaart aan de kant van de Republikeinse regering in haar verzet tegen de fascistische generaal Franco. Zijn vader is ambassadeur van de Spaanse Republiek in Den Haag. Na de overwinning van Franco en de erkenning van zijn regime door de Nederlandse regering keert het tij en gaat de familie Semprun in maart 1939 in ballingschap in Parijs. Als de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, sluit de achttienjarige Jorge zich aan bij het communistische verzet. In januari 1943 wordt hij in de buurt van Auxerre gearresteerd door de Gestapo en, na een kort verblijf in een doorgangskamp in Compiègne, op transport gesteld naar, wat later blijkt, kamp Buchenwald.
Leren om te begrijpen en begrijpen om te leren
In De grote reis doet Semprun in zijn gesprekken niet alleen verslag van zijn reiservaringen in de wagon, zijn activiteiten in het verzet, zijn arrestatie en zijn ervaringen in de kampen in Auxerre en Compiègne, maar ook van de intens gevoelde kameraadschap met zijn medeverzetsstijders en zijn filosofische inzichten gebaseerd op intensieve studie van de geschriften van de grote marxistische denkers. Semprun is in die tijd nog een echte marxist. Dit blijkt heel duidelijk in zijn weergave van het prachtige en principiële gesprek met de Franse gevangenenbewaker in Auxerre over het begrip ‘vrijheid’. Semprun wil de lezer meenemen in zijn denken, hij wil hem iets leren. De roman geeft hem de vrijheid zijn getuigenis vorm te geven. Het opvoeren van, wat hij later zelf zal erkennen, de gefingeerde jongen uit Semur is een stilistische truc. Hij doet dienst als praatpaal, kameraad en leerling. Bepaald indrukwekkend is het te zien hoe Semprun oog heeft voor zowel het grote lijden van de mens als het kleine, individuele lijden.
Een voorbeeld van het grote lijden is zijn huiveringwekkende verslag van de aankomst in Buchenwald van het kindertransport uit Polen aan het einde van de oorlog. Een prachtig voorbeeld van het individuele lijden geeft hij in zijn verhaal over de Joodse vrouw, die hij in 1941/42 ontmoet in Parijs, als zij verweest zoekend om zich heen kijkt en hij haar aanklampt met de vraag of hij haar misschien ergens mee kan helpen. Hij ziet als het ware de dood in haar ogen, die ver aan hem voorbij kijken, in haar verleden, lijkt het wel. Als hij haar na de oorlog opnieuw tegenkomt ontdekt hij, wat hij eigenlijk al weet, dat zij een kampnummer heeft en een overlevende is van Auschwitz. Op zijn vraag of zij zich nog iets herinnert van hun ontmoeting eertijds, reageert zij zeer afhoudend, terwijl je eigenlijk zou denken dat zij inmiddels een band hebben door hun gemeenschappelijke kampervaringen. Echter, hij kan haar niet begrijpen, omdat hij geen Jood is en vrienden heeft.
Een meesterwerk
Het onlangs bij uitgeverij Schokland in de serie Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven boek De grote reis van Jorge Semprun is maatschappelijk en literair gezien een meesterwerk. Maatschappelijk gezien omdat Semprun als getuige een beeld schetst van het verbijsterende en mensonterende kwaad dat fascisme heet, wat de gevolgen van wegkijken kunnen zijn en waarvan wij weten dat de uitwassen daarvan, ook wat ons betreft, niet ver weg zijn. Literair gezien omdat Semprun een hoogst originele verteltechtniek toepast, kenmerkend voor zijn hele oeuvre. Zo schrijft hij niet alleen over zijn gesprekken met de jongen uit Semur, die natuurlijk gaan over zijn verleden in het verzet en hun belevenissen in de trein, maar houdt hij ook bespiegelingen over de bevrijding en de jaren daarna. Het boek is immers pas in 1962 gepubliceerd.










