Er is heel wat afgeschreven over euthanasie, maar behalve een obscure dystopie (Tijd om te gaan), een mislukte roman die de De goede dood heet maar daar niet over gaat en een sleutelroman over de vervolgde huisarts uit Tuitjehorn (De jacht op de klaproos), heeft de Nederlandse literatuur zich bij mijn weten niet aan het onderwerp gewaagd. Paradijs van slapen van Joost Oomen is een goede aanvulling op het beperkte aanbod.
Joost Oomen (1990) debuteerde als dichter: na zijn studie Nederlands was hij een tijd stadsdichter van Groningen en publiceerde hij een aantal dichtbundels. Hoewel hij zich al eerder aan proza had gewaagd (Het perenlied uit 2020), vreesde ik toch een typische dichtersroman: plotloze, gefragmenteerde mooischrijverij, maar dit bleek niet het geval: het plot is evenwichtig, hecht en elegant.
Paradijs van het slapen bestaat uit twee verhaallijnen. De ene gaat over de alleenstaande, uitgebluste huisarts Theo Engel die zich heeft laten omscholen tot euthanasiearts voor het Expertisecentrum Euthanasie. We volgen hem op zijn tochten door Friesland langs weilanden met vers gemaaid gras en veel schapen, op weg naar de adressen waar hij zijn macabere diensten verleent. Geroutineerd vervult hij zijn taak, terwijl hij tegelijkertijd niet kan wennen aan zijn rol als engel des doods. Hij kan nergens meer van genieten, wat gesymboliseerd wordt door zijn verdwenen reuk die hem belet het geurende gras te ruiken.
Terugblik op een leven
De andere verhaallijn wordt geïntroduceerd door de gevonden-manuscript-techniek. Engel krijgt een pakket in de bus dat het levensverhaal bevat van Gerrit Blauw, een voormalig theatermaker die is teruggekeerd naar Friesland. Gerrit groeide op in Sneek en werd na het eindexamen, net als zijn beste vriend Douwe, verliefd op Saartje Schaap (er komen veel schapen in het boek voor), een meisje dat al op kamers woont omdat ze van Terschelling komt en die een paar klassen lager zit. Douwe krijgt haar, maar Saartje zal altijd de belangrijkste persoon in Gerrits leven blijven. Het is de melancholie van de terugblik op een leven, het verlies dat daarbij hoort en de romantiek van de ene ware liefde die we kennen van Plato, Petrarca en Tim Krabbé.
Natuurlijk komen de verhaallijnen bij elkaar zodat het perspectief van de arts en van de patiënt allebei aan bod komen. Op het eerste gezicht lijkt Oomen dit te doen om ook twee visies op euthanasie tegenover elkaar te stellen: de huidige praktijk versus een liberaler alternatief, maar bij nadere beschouwing lijkt hij vooral een ander punt te willen maken, over schoonheid.
Wat euthanasie betekent voor de arts die de euthanasie moet uitvoeren wordt heel overtuigend beschreven in het verhaal van Engel waarvoor Oomen heeft geput uit de ervaringen van zijn vader die ook euthanasiearts was. Met name de opsommingen van geanonimiseerde fragmenten uit het artsendossier, ‘78-jarige man met levercarcinoom. “Ik heb mijn vrouw ontmoet in het spookhuis. Nu ben ik het spook.”’, zijn hartverscheurend, zonder sentimenteel te worden vanwege de droge opsomming en omdat het de bewijsvoering is die de arts tijdens zijn consult heeft verzameld.
Scénes die beangstigen
Een ander procedé dat heel goed werkt om het leven van de arts invoelbaar te maken zijn de tegenstellingen die worden gecreëerd. Oomen laat de zon schijnen en het landschap naar gemaaid gras geuren terwijl hij de euthanasiescènes zakelijk beschrijft: de opeenvolgende handelingen die procedureel zijn voorgeschreven, de aanwezigen, het toestemming geven. Zonder melodrama of sentiment. Maar juist dat zorgt ervoor dat het heel hard binnenkomt.
De zomerse omstandigheden, de alledaagse kneuterigheid. ‘“Koffie”, vraagt de zoon terwijl we onze natte jassen over de eettafelstoelen in de hal te drogen hangen’, en de routinematige handelingen van Engel vormen een adembenemend contrast met de enormiteit en onbevattelijkheid van de toegediende dood die daardoor nog meer aan angstaanjagendheid wint. Het zijn scènes die ontroeren en beangstigen tegelijk, zonder dat daaruit een oordeel blijkt of gemakkelijk effectbejag.
Zo ziet de lezer wat je anders -gelukkig- nauwelijks meemaakt en doet dat bovendien als buitenstaander, een weekje op pad met de dokter. Wat dat voor die dokter zelf betekent om dat jaar in jaar uit te doen, wordt later uit de doeken gedaan wanneer Theo Engel en Monique -de Officier van Justitie die hem moet beoordelen- samen dronken worden in haar kantoor. In deze prachtige scène vertelt hij voor het eerst wat hem zo dwars zit aan het werk. Dat de intervisie die hij jaarlijks met collega’s doet gevuld wordt met een spervuur aan harde grappen, maar dat niemand in staat is om er echt over praten, om te delen wat er zo erg aan is. Volgens Engel is dat de eenzaamheid van de patiënten, niet omdat niemand hen meer bezoekt, maar omdat hun ervaring van de werkelijkheid zo fundamenteel is veranderd dat die niet meer gedeeld kan worden. Over zijn eigen eenzaamheid die hij -uit solidariteit?- lijkt te hebben overgenomen van zijn patiënten, zwijgt hij echter. Die conclusie, die de onmenselijkheid van zijn werk benadrukt, mag de lezer zelf trekken. Sterk en ontroerend.
Schoonheid als rode draad
Schoonheid is het andere thema dat in het boek centraal staat, schoonheid die de arts Engel niet meer kan ervaren maar de rode draad vormt in het levensverhaal van Gerrit, dat doet denken aan een hoofse ridderroman. Gerrit die als een moderne Lancelot Saartje Schaap wil redden van de duistere machten van de bekrompen burgerlijkheid door wie zij ontvoerd is (haar familie in Terschelling), en die het zwaard heeft ingeruild voor de kracht van de verbeelding om haar terug te winnen. Het verhaal is een beetje zoet, maar het clichématige, nogal bedacht aandoende plot weet je toch te raken door de fraai beschreven setting die het verhaal een exotisch-romantisch tintje geeft (Het Friese platteland, Terschelling, jaren 60) en een paar goede vondsten.
Wanneer Engel tegen het eind van het boek bij Gerrit op bezoek gaat met als inzet de kloof tussen hen te dichten, vertelt Gerrit in een geraffineerd betoog hoe het verlangen naar schoonheid Saartje, Douwe en hem bij elkaar bracht, hoe schoonheid het belangrijkste doel in zijn leven werd en hoe schoonheid gevonden kan worden. En nu wil Gerrit bewijzen dat een leven ook in schoonheid kan eindigen. Hierin klinkt duidelijk de stem van Joost Oomen door die zich in zijn theatervoorstellingen presenteert als een profeet van de schoonheid.
Lelijkheid en storende elementen
Terwijl de lezer door de opgeroepen contrasten op een waarachtige, onsentimentele manier wordt geraakt wanneer hij meerijdt met Engel, geldt dit volgens Oomen kennelijk niet voor de perceptie van de personagers zelf: doordat de arts te veel met ellende wordt geconfronteerd kan hij geen schoonheid meer ervaren. En theatermaker Gerrit toont aan dat schoonheid zichzelf kan tonen zonder lelijkheid nodig te hebben. In het geval van de arts is dit te begrijpen: hij voelt helemaal niks meer, maar Gerrit is duidelijk de spreekbuis van de profeet Oomen die met zijn roman eerder een punt over kunst en schoonheid dan over euthanasie wil maken. Dat schoonheid de wereld kan redden van lelijkheid, mits er offers worden gebracht. Het personage Gerrit is om die reden eerder allegorisch dan overtuigend.
Het taalgebruik is niet altijd even sterk. Zo slaagt Oomen er niet in om de stem van Gerrit een andere taal te geven dan die van Engel. R0nduit storend zijn de vele vergelijkingen die nergens op slaan. ‘Tiemersma arriveert, een grijze man die een beetje op een boos potlood lijkt.’ Prima als hij op een potlood lijkt, maar een boos potlood zegt mij niets. Of, ‘Ze heeft een beweeglijk soort mond die het ene moment volks chic staat als de mond van de verwende dochter van een gerenommeerd [sic!] pandjesbaas in Manchester, dan weer daadwerkelijk chic maar verarmd, als de mond van een Franse zangeres met hoogtevrees en een drankprobleem.’ Onbegrijpelijk en lelijk bovendien.
Hopelijk wordt er voor een nieuwe herdruk nog wat eindredactie gedaan op dit soort schoonheidsfoutjes van deze sterke en ontroerende roman die het tegendeel bleek van wat de verwachting was. Geen gefragmenteerde mooischrijverij, maar een hechte roman die zowel ontroerend is als intelligent.










