Ruim een half jaar voor de Russische inval in Oekraïne namen schrijver Jonathan Littell en Antoine d’Agata in Kiev de metro naar Babi Jar, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog rond de honderdduizend slachtoffers door de nazi’s zijn vermoord. Zij deden onderzoek voor een boek, geïllustreerd met zwart-wit foto’s. Als de Russen Oekraïne binnenvallen is het manuscript af, maar door de gruwelijke werkelijkheid achterhaald. Littell begint opnieuw, vanuit ‘een heel ander perspectief’. Het vorig jaar verschenen boek is onlangs uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, die meerdere boeken van Littell heeft vertaald.
Jonathan Littell schreef eerder een boek over de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa. De roman Les Bienveillantes (De Welwillenden) (2008) kreeg onder meer de Prix Goncourt. Een ongemakkelijke plek is geen roman, maar een duizelingwekkend boek samengesteld uit 222 genummerde, caleidoscopische prozateksten en zo’n tachtig indrukwekkende zwart-wit foto’s.
Plattegrond van slachtingen
Jonathan Littell ging met fotograaf Antoine d’Agata op zoek naar de overblijfselen van Babi Jar. Kort na het bloedbad in september 1941, toen in twee dagen tijd meer dan 33.000 joden werden gefusilleerd, lieten de nazi’s de lijken met zand bedekken door Sovjet gevangenen. In het boek staat een foto die er indertijd van is gemaakt. En twee jaar later, vlak voor de komst van het Rode Leger, werden gevangenen uit het nabijgelegen concentratiekamp Syrets gedwongen de overblijfselen van de slachtoffers op te graven en te verbranden. ‘De Sovjetmacht zette het karwei voort en bracht het tot een einde. In 1950 besloot een commissie tot een volledige nivellering van Babi Jar.’ Daarna ging het dichtgooien van de ravijnen door. ‘De herinnering aan Babi Jar ligt ondergronds, net als de resten van de lichamen.’
Littell somt een lijst van monumenten op die tegenwoordig op de plek van Babi Yar staan. Daterend van 1976 tot 2022, daarna is de bouw van nieuwe monumenten stilgelegd door de inval van Rusland. ‘Een warboel van monumenten’, noemt Littell het. ‘De herinnering aan Babi Jar (blijkt) volledig gefragmenteerd, als een caleidoscoop waarin iedereen zijn of haar eigen doden waarneemt.’ Littell beschrijft hoe ze door de omgeving wandelen, ze bezoeken de pope van een kerk, ontmoeten wat pubers in een bos en bezoeken een psychiatrisch ziekenhuis met bijbehorend mortuarium en kerk. De teksten vormen geen doorlopend verhaal, maar springen heen en weer.
Littell en D’Agata bezoeken Boetsja aan de hand van een plattegrond van de slachtingen uit de New York Times van 11 april 2022. Het resultaat is zo’n vijftig pagina’s van hun eigen onderzoek op die plekken, gesprekken van ooggetuigen als een soort ‘evidence-based journalism’ of ‘oral history’. De gruwelijke verhalen zijn per huisnummer in de Vokzalna- en Iabloenskastraat opgeschreven. De slachtoffers zijn maar een deel van de ruim 600 vermoorde inwoners. Het verschil tussen Babi Jar en Boetsja is volgens Littell dat in Boetsja ‘de hele stad was getransformeerd tot lijkenhuis.’
Systeem van strategisch geweld
Na Boetsja ‘zoomen ze uit’ en bezoeken het dorpje Motyzjyn, waar dominee Oleh Bondarenko de leiding had over een centrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Hij werd gemarteld door Russische troepen omdat ze door een misverstand bij de Russische militaire inlichtingendienst dachten dat hij wist waar Oekraïense commando’s zich verborgen hielden. Een actie die deel uitmaakt van het systeem van strategisch geweld om tegenstanders uit te schakelen. De Russische soldaten kregen opdracht ‘niemand gevangen te nemen maar ze meteen neer te schieten’ en ‘het maakt niet uit of het burgers zijn of niet, schiet iedereen dood.’ Het geweld door de Russen in de bevrijde Oekraïense steden was volgens Littell gebaseerd op deze logica.
De inwoners van Boetsja geven de schuld van deze wreedheden aan de Boerjaten, een berooide Siberische bevolkingsgroepen die zijn gerekruteerd voor de brigade in de Kiev regio en uit klassenrancune hun woede zouden uiten. Een Russische soldaat vertelt aan zijn moeder in een telefoongesprek: ‘Niet te geloven! Ze hebben hier warm water, wc-potten van porselein.’
Op een muur in de buurt van Kiev staat een Russische grafitto: ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven het er zo goed van te nemen?’ Duizenden computers, televisies, fietsen en huishoudelijke apparaten werden in vrachtwagens van het leger getransporteerd naar Belarus en vervolgens naar Rusland. Bij de plunderingen en andere wreedheden wordt Littell bevangen door een ‘een zwart gat in zijn denken’, maar ook weet hij, ‘het zijn normale mensen die dit hebben gedaan.’ Om te kunnen bevatten wat er is gebeurd, leest en citeert hij John Steinbeck en Paul Celan die over de Tweede Wereldoorlog schreven.
In het fragment ‘Geschiedenisles’ laat Littell zien dat eind 19e eeuw iedere Oekraïenstalige publicatie in het Russische rijk al was verboden. En Poetin hield drie dagen voor de inval een tv-toespraak waarin hij beweerde: ‘Oekraïne is niet gewoon een aangrenzend land, het is een onvervreemdbaar deel van onze eigen geschiedenis, cultuur en spirituele ruimte.’ Ook noemde hij ‘denazificering’ als doel van zijn ‘speciale operatie’. Littell haalt hier de woorden aan van historicus Timothy Snyder: ‘In het denken van Poetin en zijn regime is een nazi een Oekraïener die weigert toe te geven dat hij een Rus is.’
Tweede Wereldoorlog en de huidige oorlog
Bij ‘Nr 134’ staat weer een korte tekst:’We waren nog niet klaar met Babi Jar, we moesten opnieuw. Niet alles kan in één dag.’ In 2002 was Littell hier al geweest voor een ander boek en hij ontmoette Roevin Sjteyn, een overlevende van Babi Jar. Sjteyn is intussen overleden, maar zijn verhaal is te zien in een film in het Spielberg Project van de Shoah Foundation. Als vijftienjarige wist hij te ontsnappen aan zijn groep door een buis in te glippen die onder de weg doorgaat. Door dat verhaal komen Littell en D’Agata terecht bij een restant van een Joodse begraafplaats en Mortuarium nr 1, de hoofdvestiging voor gerechtelijke-geneeskundige expertise van de stad Kiev. Na de inval van Rusland zat de kelder vol mensen met langs de muren opgestapelde lijken. Na een lijkenruil met Rusland kwamen er 120 lijken binnen van de Azovstalfabriek die geïdentificeerd moesten worden. Hier lopen de verhalen van de Tweede wereldoorlog en de huidige weer door elkaar.
In de laatste prozastukken veel verhalen over bijvoorbeeld Russisch en Oekraïens antisemitisme. Over de OOeN (Organisatie van Oekraïense Nationalisten), een ‘racistische, antisemitische en weldra fascistoïde groep’ schrijft Littel. De OOeN wilde weliswaar een onafhankelijk Oekraïne, maar voerden pogroms uit tegen de Joden waarbij zo’n twintigduizend slachtoffers vielen. Verhalen over Olena Teliha, een bekende dichteres die een vurig bewonderaar van Mussolini en Hitler was, over een andere nationalistengroep, de Oekrajinska Povstanska Armia (OePA) die in Volhynië tussen de veertig- en zestigduizend Polen heeft vermoord en in Galicië nog eens vijfentwintigduizend. Over Stepan Bandera, één van de leiders van de OePA (Oekraïense Opstandelingenleger 1942-1956), wordt in Oekraïne nog steeds een cultus gewijd. Veel Oekraïeners kennen de geschiedenis van Bandera en zijn organisatie slecht. Littell ontmoette voormalig ultra-nationalist Dmytro Reznitsjenko voor de Russische inval. Reznitsjenko vertelt over zijn bizarre ervaringen vanaf de Oranje revolutie (2004) met nationalistische groeperingen, maar heeft uiteindelijk ‘de progressieve waarden erkend’.
Littell sprak ook met een priester van een buurtkerk die hem vertelde dat het zelfmoordcijfer in de wijk het hoogste in de stad is. Hij denkt dat het komt doordat de tragedie van Babi Jar niet is verwerkt. ‘We dachten niet dat er een oorlog zou komen… de landen van de Sovjet-Unie zijn niet door een fase van berouw gegaan. En dus moest het vroeg of laat tot een uitbarsting komen.’ Op het laatst geeft Littell aan de hand van wandelingen in de omgeving een beeld van het ravijnengebied van Babi Jar en schrijft als een variant op een de werken van Heraclites, over de betonnen afvoerbuizen die door de gemeente zijn geplaatst om het water onder controle te houden: ‘De afvoerbuizen bestaan nog steeds, de beek van Babi Jar stroomt nog steeds: het is nooit hetzelfde water , maar nog altijd dezelfde beek’.










