In zijn tweede bundel Mulhacén, bezingt Jonas Bruyneel, voormalig stadsdichter van Kortrijk, een voettocht in Spanje van Granada naar Mulhacén in de Sierra Nevada. Dit doet hij in de vorm van copla’s, een syllabische dichtvorm die populair was onder het gewone volk in Spanje. Een copla bestaat meestal uit vier versregels van elk acht lettergrepen en de inhoud gaat vaak over dood, verlangen, of de liefde, met soms een scabreuze connotatie. In Nederland zijn het vooral Werumeus Buning en Hendrik de Vries geweest die vertalingen hebben gemaakt of zelf copla’s hebben geschreven, waarbij de regel van acht lettergrepen niet altijd gehandhaafd werd. Bruyneel doet dat wel, maar gebruikt geen eindrijm zoals in de traditionele copla gebruikelijk is. Maar door de vele alliteraties en assonanties is zijn poëzie muzikaal en klankrijk. Het ritme van de verzen doet door de consequent volgehouden acht lettergrepen per strofe denken aan de regelmatige stap van de geoefende wandelaar.
Maar opvallender dan het gebruik van de copla is de introductie van zijn reisgenoot, de in 1936 gestorven Spaanse dichter Federico Garcia Lorca, die door velen als de grootste dichter van Spanje wordt beschouwd. Hij werd geboren in Granada en het is van daaruit dat hij de dichter vergezelt. Samen beginnen ze aan hun reis, die in zes af te leggen etappes is verdeeld, die tevens de afdeling van deze bundel aangeven. Die afdelingen worden van elkaar gescheiden door zwart-wit tekeningen die de eenzaamheid van het landschap onderstrepen.
Voorbije en huidige tijd in poëzie
Beide dichters zoeken tijdens de tocht naar het wezen van hun dichterschap: wat is er nodig om van een mens een dichter te maken? Wat is de betekenis van poëzie in zowel de voorbije wereld van Lorca als de huidige van het lyrisch ik?
‘Op de vlucht voor een bar broedland
en ongastvrije poëzie
die geen hechting met het hart vindt
Of uit veelkleurig verlangen.’
Lorca vertelt over zijn jeugdjaren en beschrijft een Spanje dat niet meer bestaat, een land dat gebukt ging onder het repressieve regime van Franco. De dichter luistert en geniet van het landschap dat hetzelfde is gebleven en dat hij in beeldende bewoordingen beschrijft voor de lezer. Bruyneel doet dat zo goed, dat je de indruk krijgt dat hij Spanje wel heel goed moet kennen.
‘We kijken naar de trillende
omlijning van de bergtoppen.
In de avondzon dobberen
de melkachtige eilanden.
De schaduw etst zwarte bressen.
In de vormloze schemering
lezen kloven als zinsneden
uit vergeten Moorse verzen.’
De stem van Lorca
Bruyneel vervlecht de huidige tijd met de tijd waarin Lorca leefde. Ze zien een meisje dat een ‘tiktokdansjes’ maakt, iemand zit met een IPad zit op schoot, maar evengoed komen ze soldaten tegen die een jonge arrestant met een zweep martelen. Tijd en ruimte vervloeien in elkaar en zorgen ervoor dat er ook tijdens de tocht van de dichter met Lorca nog overal gevaar dreigt van de rechtse milities uit de tijd van Franco.
Het was algemeen bekend dat Lorca uitgesproken socialistische denkbeelden verkondigde. In juli 1936 brak de Spaanse burgeroorlog uit, in augustus van dat jaar zou Lorca vermoord zijn door nationalistische milities. Andere bronnen vermelden dat Lorca vermoord zou zijn vanwege zijn homoseksuele geaardheid die hij niet wilde verbergen. De ware toedracht is tot op heden nog niet gevonden. Hij werd een symbool van het antifascisme. Tot 1953 werd zijn werk voor het publiek verborgen gehouden. Pas daarna ontstond de waardering. Bruyneel laat Lorca hierover het volgende zeggen.
‘Op een manier waren Franco
en ik met elkaar verbonden.
Toen hij stierf, hervatte de tijd
en durfden ze mijn naam te noemen.’
Het leven van Lorca wordt besproken in herinneringen: zijn liefde voor Salvador Dali, zijn reizen, de rol die muziek voor hem speelde. Maar overal volgt de dood hem als een schaduw. Bruyneel laat Lorca overal waar hij gaat een revolver meenemen. Dit wapen wordt het symbool van de ontsnapping, van een zelf te kiezen dood als de nood aan de man komt.
Naarmate de reis vordert, wordt het landschap grimmiger. Kou en warmte wisselen elkaar af, harde wind en onweer teisteren het land, een grote dreiging is voelbaar in de woorden die Bruyneel zorgvuldig gekozen heeft.
Bestemming bereikt
Bovenop de top van de berg, als uiteindelijke bestemming, voltrekt zich het drama waar gedurende de gehele reis op gezinspeeld is: Lorca sterft door een kogel uit de revolver, of het door eigen hand is of niet wordt niet duidelijk. Zoals na zijn dood zijn poëzie werd vrijgegeven, zo is nu ook de dichter vrij om te kiezen waar hij voor wil staan in zijn poëzie. De dood van Federico heeft de dichter bewust gemaakt van de maatschappij waarin hij leeft en welke rol poëzie daarin kan spelen.
Op de terugweg van de top van Mulhacén naar Juviles waar het landschap zich groen voor hem ontvouwt, ontdekt hij een grot waar hij wil wachten.
‘Ik wacht in de grot tot kleuren,
namen en liefde niet doden.
Accenten en omhelzingen
niet als dreiging worden gezien.
Ik wacht tot krachtige leiders
niet langer meer vol nostalgie
gewenst worden voor de toekomst
van Federica’s en mijn land.’
Deze bundel neemt je mee door Spanje, alsof je aan de zijde van de twee dichters loopt. De landschappen en de mensen die er wonen worden zo beeldend beschreven dat je ze voor ogen ziet alsof je erbij bent geweest. Een reisverhaal in dichtvorm, een zwerftocht die in feite een zoektocht naar de ziel is. Bruyneel heeft door de geest van Lorca als metgezel te kiezen een verbinding gemaakt met de tijd waarin deze grote dichter leefde. Ook in onze tijd zal de poëzie zich opnieuw moeten definiëren om gericht te worden als een wapen in de strijd tegen onderdrukking en machtsvertoon.











