Vragen zonder antwoorden

Recensie door: Hettie Marzak

Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en debuteerde in 1997 met zijn bundel Nooit zonder de paarden. Zijn vierde bundel, Groter dan de feiten, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. In 2016 ontving hij de Jan Campertprijs voor de dichtbundel Seizoensroddel. Met het in de bundel Het verkeerde hart (2022) opgenomen gedicht `Ik bel mijn moeder’ won hij de Melopee Poëzieprijs van 2020.

De tiende bundel van Jan Baeke geeft in de titel al aan dat er in het leven gebeurtenissen zich voordoen waar we allemaal tegenaan zullen lopen. Het woord ‘Die’ duidt erop dat iedereen wel weet welke dat zijn, daarom hoeven ze niet nader benoemd te worden. Zoals het glas water op de foto van de omslag onherroepelijk van tafel zal vallen, zullen ziekte, ouderdom en dood ons allen ten deel vallen. Zoals de dichter zelf zegt: ‘Naar binnen gaan en buiten zingend mooier maken jezelf of de wereld vergeten/ niet kunnen vergeten en daarom die onrust die melancholie die verslagenheid/ die onvermijdelijkheden.’

Beheersing van de realiteit

Baeke werpt in zijn gedichten vele vragen op, maar antwoorden worden niet gegeven, niet aan de lezer, maar waarschijnlijk ook niet aan hemzelf. Daarom probeert hij door middel van de taal de werkelijkheid naar zijn hand te zetten en met de verbeelding van zijn poëzie de realiteit te beheersen. De raadsels die hij de lezer voorlegt, tracht hij zelf ook nog steeds op te lossen. Fundamentele vraagstukken zijn het, mysteries die aan grote gevoelens raken. Op filosofische wijze gaat Baeke ermee om, zonder evenwel tot een slotsom te komen.

Omdat zowel verbeelding als realiteit niet voor iedereen hetzelfde zijn, kunnen er talloze interpretaties aan de gedichten gehangen worden, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Maar door hun meerduidigheid worden dezelfde gedichten niet gemakkelijker om te begrijpen.

Baeke kijkt naar de hem omringende wereld vanuit steeds andere ogen van veel verschillende personages, waardoor het niet altijd eenvoudig is om te bepalen wie er aan het woord is als de dichter spreekt van ‘ik’. De personages zijn niet duidelijk gedefinieerd, ze praten veel en door elkaar, hun gesprekken en monologen lijken fragmenten zoals wanneer er mensen langs je lopen, van wie je enkel een paar zinnen opvangt waarvan je de context niet kent. Baeke geeft een stem aan soldaten in Oekraïne, aan treinreizigers, aan tienermeisjes, aan bootvluchtelingen, aan misdadigers. Hij laat hen vertellen hoe ieder van hen een wereld voor zichzelf tracht te scheppen, hoe ze zich staande weten te houden.

Onderdompelen en laten meevoeren

De gedichten doen denken aan een licht absurdistische film, waarvan je de eerste helft niet gezien hebt en uit de dialogen van de vele spelers moet je het verhaal zien op te maken. Analyseren heeft voorlopig geen nut, je kunt je het beste onderdompelen en je laten meevoeren door de stroom van taal die over je uitgestort wordt.

‘Van belang is niet wat ik kan voelen, van belang is
dat in datzelfde labyrint mijn dromen wonen
verdeeld over hoofdstukken waarin lichamen opduiken
die niet bij de namen horen waaraan je ze herkent
labyrinten van leem waar ik keer op keer in verdwaal.

Gesprekken domineren en hoewel ze tot de nacht behoren
brengen ze geen geluid voort, verdwijnen ze terug
naar die oneindige voorraad gebeurtenissen
die mij iets willen vertellen.’

Van de vier afdelingen van deze bundel is de derde de meest toegankelijke. Een zwarte bladzijde gaat vooraf aan de gedichten die geschreven zijn ‘Bij de dood van mijn geliefde, Marrigje de Bok [1965-2021]’. Dood, een van de onvermijdelijkheden waar we allemaal mee te maken krijgen, laat geen ruimte vrij voor meerdere duidingen:

‘even dacht ik
als ik de wereld erna ervoor gekend had
dan had ik alles in de warmte gestopt en in die warmte de aanraking
kleine en grote woorden
een misschien haperende maar ontroerende melodie
wat zou ik hebben geruild voor je aanraking?

De relativerende filosofische benadering waarmee Baeke andere onvermijdelijkheden aanpakt, moet het hier afleggen tegen de rauwe verslagenheid. Baeke laat hier een ‘ik’ zien dat heel dicht bij ons staat, dat ieder van ons zou kunnen vertolken, omdat verdriet, verlies en desillusie universeel zijn. Hier is geen plaats voor vrijblijvendheid of objectieve observaties, hier geldt alleen de rauwe werkelijkheid.

Filmische fragmenten

Maar Baeke is op zijn best in de vierde afdeling, De toekomst is een terughoudende minnaar, waarin hij in filmische fragmenten een verhaal vertelt bij monde van een jonge vrouw, die terugkijkt op haar jeugd, haar ouders, een liefdesrelatie. Niets is duidelijk omlijnd, het verhaal kan alle kanten op en maakt sprongen in de tijd. Algemeenheden worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen. De indruk die achterblijft is er een van eenzaamheid, teleurstelling en onbegrepen zijn. Maar de taal waarin alles plaatsvindt, is hallucinerend, als in een koortsdroom, en doet een overtuigend beroep op begrip.

‘Wetenschap, natuur versus opvoeding, bij de sloot wegblijven
zei mijn moeder, niet zomaar de weg oversteken
het leven is te groot voor ons.

Iedereen heeft een moeder, die bij het station een schepper
en een heel rek folders.

Iedereen getuige van het lijden, van de onvoorspelbare medemens
het bestaan van anderen om je heen onveilig vinden.
Moeder, moeder, maker, maker, kom met regels en de zweep.

De complexe poëzie van Baeke is op zijn minst intrigerend, op zijn best onontkoombaar. Geen gedichten die als hapklare brokken worden aangeleverd, maar waar de lezer zelf nog moeite voor moet doen.

 

 

Recent