Vertaler, dichter en filosoof Jabik Veenbaas publiceerde een achttal bundels. De thematiek van zijn nieuwe bundel Kamermuziek (2024) sluit aan bij die van zijn eerdere bundel Mijn vader bad (2015). De voornaamste onderwerpen zijn de wereld van zijn jeugd, de zee, de natuur, het gezin waarin hij opgroeide en een vader die in zwijgzaamheid zijn oorlogservaringen verwerkt. Het eerste gedicht, ‘Een droom’ gaat over een ingesneeuwd ouderlijk huis. In de huiskamer schuiven de gezinsleden de stoelen dicht bij elkaar. Er spreekt een gelatenheid en overgave uit die aan vroeger doet denken en tegelijk doet verlangen naar een opnieuw mogen beleven.
Het ik herinnert zich zijn liefde voor orgelmuziek en vraagt zich af waarom hij geen organist is geworden. Blijkbaar viel met de preek over Beëlzebub de denkbeeldige ‘schaduw’ Gods over hem heen en deed hem dat zijn geloof verliezen. Gelukkig waren er daarnaast de ‘mythologische’ voorbeelden van mensen uit zijn directe omgeving die hem tot voorbeeld waren hoe mens te zijn: ‘onsterfelijk waren ze niet / en ze hadden hun tekorten / toch als ik een mens zou worden als zij / dan was mijn leven geslaagd’.
Standvastigheid en geluk
Tijdens het spelen met buurjongens en het vangen van stekelbaarsjes toont het ik zijn standvastigheid: ‘ze kunnen smeken wat ze willen / mijn stekelbaarsjes krijgen ze nooit’. Geregeld treedt tussen de rietpluimen de dominante vader ‘met zijn onmachtige woede’ op de voorgrond. Veenbaas is openhartig over zijn voorgeschiedenis. Hij bekent dat hij iets ongemakkelijks ervoer bij het noemen van zijn naam, maar zijn grootvader die met een ‘demon’ vocht en deze niet aankon, was de eerste naamgever. Een voorbeeld van een man die ook net als het ik ‘taaie hoop / op moeizaam bereikbaar geluk’ ervoer. Naast deze donkere beelden is er ook de lichte herinnering aan Baukje die hem de beker vol goedhartigheid wist aan te reiken. In een ‘broederlijk gesprek’ komt de gezelligheid van het samen spelletjes doen weer boven, maar ook de ‘armoede en onmacht’ in het gezin.
Het titelgedicht ‘Kamermuziek’ geeft een prachtige inkijk in de atmosferische zwaarte die het ik ondergaat. Mogelijk speelt daarin het aanstaande moment van afscheid, omgeven door melancholieke cellomuziek. De accordeon brengt enige ontspanning terug. Zie de oude angsten onder ogen is de opgave, en zie de liefde die er was maar nu pijn doet. Als de liefde verdwijnt, blijft eenzaamheid over. Met gebalde vuisten wordt er geluisterd naar beide muzikale werelden. Die van hoop en die van innerlijke pijn die echter langzaam lijkt weg te ebben.
‘Kamermuziek
terwijl wij in de kamer staan
klaagt zachtjes aan het raam
de cello hoe de hoge bomen
schaduwen worden een kleine
zwarte vogel valt
en de accordeon antwoordt altijd
keer je terug naar je oude angsten
de liefde die een pijn wordt als
ze verdwijnt een eenzaam zijn
aan het eind
ik zoek je gezicht we drijven nu
steeds verder uit elkaar
ik luister de vuisten gebald
maar roerloos als de bomen buiten
die zoals de cello kalm buiten
de matte ogen sluiten’
Zoeken naar het levenselixer
Herinneringen vormen het wezen van deze bundel. In ‘Romance’ herinnert hij zich de eerste kennismaking met zijn vrouw. ‘Het lijkt alsof zij sneeuwvelden in haar ijsblauwe ogen heeft waar poolvossen in rondslopen’. Ze vonden elkaar in het lezen van Rilke. Dit duiken in het verleden geeft deze bundel het karakter van een zelfonderzoek. Hier verschijnt voor even de filosoof in de dichter. Maar naast deze ernstig stemmende observaties komt er in ‘Bestemming’ opeens een serveerster op een zonnig terras langs die ‘in wijze rijmen’ orakelt.
Het ‘Requiem voor Ilse’ memoreert aan een gezamenlijk poëzie optreden met Ilse Starkenburg (1963 – 2019) in de stad waar gewelddadigheden rondom een voetbalmatch plaatsvonden. Het ik herinnert zich de hinder die ze had van het hooligangeweld.
‘ik zag je schrijven
en ving een glimp op van je poëzie
formules waarmee je zocht
naar een levenselixer een
oeroud alfabet angstvallig
geëtst in eenvoud en
eenzaamheid
In deze poëzie opvatting van Starkenburg herkent Veenbaas zich. Het zoeken naar een levenselixer om tegen het leven bestand te zijn. Dichten is blijkbaar ook voor hem een manier om te overleven.
Liefde voor het leven
In menig gedicht werkt Veenbaas naar een pointe toe, zoals in het gedicht ‘De oude’ waarin een oude vrouw langzaam maar zeker ‘zou verdwijnen in een aardster of een madelief’. Deze wederopstanding in de vorm van een denkbeeldige bloem of en ster herinnert aan de vroegchristelijke discussie over de tegenstelling tussen een nieuw, geestelijk, opstandingslichaam en een weer tot leven gewekt oud-stoffelijk lichaam. De zee is de favoriete plek van deze dichter. Hij voelt zich verwant met de zeezeiler die een walvis waarneemt. Door alles heen proef je dat Veenbaas het leven liefheeft. Als hij over Emily Dickinson mediteert en zich voorstelt op haar kamer te zijn, dan ziet hij voor zich hoe zij haar ‘witste’ jurk aantrekt ‘om licht en leven te vieren’.
Dat alles neemt niet weg dat ook de harde realiteit getoond wordt. Zoals het vluchtelingenkamp Yarmouk waar een Palestijns-Syrische pianist speelt te midden van de puinhopen. Hoe de zangers in de Laurenskerk te Alkmaar lijden onder het verstrijken van de tijd. Hun stemmen weggedragen als ‘de engelen onder het orgel’. En ondanks het coronavirus dat voor ons de muren tot metgezellen maakt, blijft de ziel zoeken naar houvast. We blijven echter denken aan het onverwachte, ‘zelfs aan dingen die voorgoed onmogelijk waren geworden / zoals de zuiverheid van onze ziel’.
De gedachte aan reïncarnatie, het leven na de dood, het verlangen naar de wereld van vroeger met zijn momenten van stilstand en overgave laten een dichter zien die blijft zoeken naar het levenselixer van de non-dualiteit. Hij weet die wereld in zijn gelukkige en ongelukkige momenten aansprekend uit te beelden. Zijn taal blijft aldoor helder en verstaanbaar.









