Op de achtergrond is een zwierige dame in klederdracht te zien, rechts vooraan een blond jochie op klompen dat wat aarzelend hand in hand staat met een wat beteuterd kijkend zwart meisje in een zwart jurkje met wit kanten kraagje en een grote witte strik in het kroeshaar. Alleen al op grond van deze intrigerende foto op het omslag van De dochter – herinneringen aan anders zijn van journalist en columnist Harriët Duurvoort (1969) wil je weten wat het verhaal is bij deze foto. En wat een verhaal is dat, de levensgeschiedenis die de schrijfster over haar moeder heeft opgetekend!
Eva Nijman werd als baby geadopteerd door Jan en Saar van Dam, die maar niet in verwachting raakten, maar wel een enorme kinderwens hadden. Zo’n adoptie ging indertijd, we spreken over 1928, soms gewoon via een advertentie in de krant. De biologische moeder van Eva was zwanger geraakt van een zwarte man en moest vanwege de schande van een buitenechtelijk kind afstand doen van haar baby. In de Scheveningse gereformeerde kerk waar Jan en Saar bij hoorden, kon de kleine Eva volgens de mannenbroeders van de kerkenraad niet gedoopt worden. Weliswaar vallen alle baby’s onder de ‘erfzonde’, maar de zonde die de moeder van Eva had begaan door zwanger te raken van een zwarte man werd toch wel beschouwd als hors catégorie. Het is het eerste van vele voorbeelden van racisme waar Eva in haar leven mee te maken zal krijgen.
Enerzijds blijkt Eva daar op een heel mondige manier mee om te gaan. Frans, een notoire pestkop die haar bij voortduring uitscheldt voor ‘vieze vuile poepnikker’, wordt op verzoek van de zevenjarige Eva door de politie aangesproken op zijn gedrag. Haar adoptieouders weten van niets, Eva heeft helemaal zelf bedacht dat Frans voor de politie wel ontzag moet hebben. Haar actie heeft het gewenste effect. Anderzijds groeit Eva op in een wereld waarin zij het enige zwarte meisje is en waarin ze zich vaak eenzaam voelt. De gaper in de apotheek en het negerpoppetje in de kerk (waarin je in de wijdopen mond met dikke lippen munten kon gooien voor de zending) geven haar weliswaar een eigenaardig gevoel van verwantschap, maar waarom dat eigenlijk is kan ze als jong meisje niet onder woorden brengen.
Roze armen en benen
Naarmate Eva ouder wordt groeit het besef dat ze ‘anders’ is dan andere mensen. Dat willekeurige voorbijgangers willen voelen aan haar kroeshaar is tot daar aan toe, maar babyzusje Roos, dat tegen iedere verwachting in zeven jaar na de komst van Eva als biologisch kind van Jan en Saar geboren wordt, heeft ‘net zulke roze armen en benen als Vader en Moeder en blonde, steile haartjes’. Het onderwerp is thuis moeilijk bespreekbaar: ‘Toen was het tijd om Vader te vragen hoe dat allemaal in elkaar zat en ze verzamelde al haar moed. Maar hij zei alleen: “Jij bent onze Eva en je bent precies zoals je zijn moet! En wij houden van je!”
Buitenshuis blijven de vooroordelen echter hardnekkig. Eva’s meester van de lagere school verzucht hardop tegen de ouders van Eva ‘dat dit ras niet kan leren’, terwijl Eva het tot dan toe eigenlijk prima deed op school. Die opmerking lijkt even een self fulfilling prophecy te worden, want het leren gaat Eva plotsklaps een stuk minder goed af, maar ze weet zich te herpakken en mag uiteindelijk zelfs naar de hbs, mede door bemoedigende woorden van de grote hoeveelheid ooms en tantes die ze rijk is. Binnen de familie is Eva geliefd en voelt ze zich gesteund, zolang ze maar geen vragen stelt over haar afkomst. Wanneer Eva tijdens de Tweede Wereldoorlog een persoonsbewijs moet hebben, biechten haar ouders op dat ze door iemand anders ter wereld is gebracht. Ze is dan al vijftien jaar oud. Haar ouders kunnen alleen maar benadrukken dat ze van haar houden.
Emigreren
De teleurstelling over de onmacht van haar ouders om over haar afkomst te praten, slaat bij Eva om in boosheid. In de jaren na de oorlog raakt het gezin Van Dam besmet met het emigratievirus. Uiteindelijk vertrekken de ouders en (inmiddels) twee zusjes van Eva na veel omzwervingen naar Canada. Eva besluit om niet mee te gaan, maar zich in plaats daarvan te vestigen in Suriname. Daar komt ze tot de ontdekking dat ze zich ook daar anders voelt (en anders bejegend wordt), omdat ze meer aansluiting heeft bij de witte minderheid.
Ondanks het gevoel dat ze nergens echt bij hoort, komt Eva in elke fase van haar leeftijd over als een sterke vrouw, die de regie stevig in handen heeft. Nergens wordt gesuggereerd dat je medelijden met haar zou moeten hebben of dat ze bijzonder kwetsbaar zou zijn. Met de kennis van nu over adoptie, is de boosheid van Eva jegens haar zwijgzame ouders zeer begrijpelijk en invoelbaar. Al wordt ook keer op keer door haarzelf benadrukt dat Jan en Saar vanuit liefde kozen voor hun terughoudendheid. Het deel over de naoorlogse jaren voelt wat traag, maar wanneer Eva zich uiteindelijk settelt en zelf moeder wordt, is de aandacht voor het verhaal weer helemaal terug. De cliffhanger waar het boek mee eindigt geeft goede hoop op een vervolg. Vanwege de fijne stijl waarin het boek geschreven is, is het ook te hopen dat Harriët Duurvoort zich ooit aan een roman gaat wagen. Verhalen vertellen gaat haar namelijk bijzonder goed af.










