In december 2009 werd het lijk van de Cypriotische oud-president Papadopoulos, een dag voor de herdenking van zijn overlijden, gestolen uit zijn graf. Pas een paar maanden later werd het teruggevonden. Het zou voor losgeld ontvoerd zijn. Het is geen uniek geval. In 2017 werd hetzelfde geprobeerd met het lijk van de Italiaanse autobouwer Enzo Ferrari (het mislukte voor er losgeld kon worden gevraagd). En in 1978 groeven twee criminelen in Zwitserland het lijk van Charlie Chaplin op, nu wel met een losgeldeis.
Het voorbeeld van Chaplin wordt genoemd in de nieuwe novelle Erfgenaam van Hans Heesen, maar slechts als een terzijde. De ik-figuur uit die roman wordt tegen zijn zin betrokken bij een plan om een lijk op te graven om losgeld te vragen. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat er andere motieven spelen dan winstbejag. Daarmee wordt dit verhaal ver uitgetild boven de sfeer van een gothic novel waarin je aanvankelijk verzeild lijkt te zijn.
Val
‘Een schimmig zaakje’ noemt de verteller in de eerste zin het plan waarin Marcel, een vroegere vriend, hem betrekt. Marcel heeft ooit tienduizend gulden van hem geleend, maar dat bedrag nooit terugbetaald. Hij probeert zijn vroegere vriend over te halen tot het opgraven van een lijk met het doel om via een losgeldeis aan geld te komen. Het blijft lang vaag wat zijn motief is. Probeert Marcel hem te chanteren? Heeft hij een val bedacht waardoor de verteller strafrechtelijk dreigt op te draaien terwijl Marcel de buit opstrijkt? Voldoende ingrediënten voor een verhaal dat steeds spannender wordt, maar dat gaandeweg een minder criminele achtergrond blijkt te hebben dan de lezer denkt. Bijna elke benaderende beschrijving van het vervolg leidt in deze bespreking tot een spoiler. Laten we het daarom vaag houden.
Trauma
Niet toevallig is de verteller scenarioschrijver. Gedurende de hele roman bedenkt hij allerlei mogelijke ontwikkelingen, zowel voor de uitvoering van het plan als voor de mogelijke motieven, die de vaart er in Erfgenaam voortdurend in houden. Ze voeren de lezer terug naar eerdere gebeurtenissen in beider levens en dat van vroegere vrienden. Halverwege wordt duidelijk dat Marcel en de verteller een vergelijkbaar trauma delen, elk in hun eigen leven. Vooral de verteller wordt gedwongen zijn (gebrek aan) verwerking van dat trauma onder ogen te zien.
Dan verandert het ‘schimmige zaakje’ in persoonlijke reflecties over wat vriendschap in wezen is en wat de waarde van een leven is. Is iemand die risico’s vermijdt een beter mens dan iemand die een reeks van mislukkingen, zoals faillissementen in ondernemingen, achter zich aansleept? Wie is een held? Wie een roekeloze?
Dilemma’s
Erfgenaam – de titel verwijst naar wat de werkelijke rol van de verteller aan het slot van de roman blijkt te zijn geworden – verandert steeds opnieuw van perspectief en laat de lezer daardoor ook reflecteren op zijn eigen omgang met het verleden.
Het is een roman over rouw, omgang met de dood, slachtofferschap en morele dilemma’s (een thema dat in verschillende gedaantes voorkomt) zonder loodzwaar te worden. Er zit veel humor en ironie in. En er zijn mooie stiltemomenten, bijvoorbeeld in de spiegeling van een lijst van namen op een begraafplaats met die van allerlei groenten die de verteller na zijn loutering gaat telen. Hij was eerder nauwelijks geïnteresseerd in de natuur wat een vroegere vriendin het advies aan hem uitlokte: ‘Je moet wel kijken, anders zie je niets’. Nu vindt hij er rust en toewijding in. Hij ziet waaraan hij eerder is voorbijgegaan. `
Erfgenaam is lichtvoetig, filosofisch en poëtisch.









