Het is 26 juli 1923, een snikhete dag waarop laat in de middag een flinke onweersbui los zal barsten. Een meisje en een man worden om zes uur ’s morgens wakker in hun smalle ijzeren bed in Berlijn. De geldontwaarding in de Weimarrepubliek wordt alsmaar erger. De dollar staat ’s morgens op vierhonderdveertienduizend mark en ’s avonds op zevenhonderdzestigduizend. Op 8 augustus – we zijn dan halverwege de vuistdikke (835 dichtbedrukte pagina’s) van Wolf onder wolven – staat hij op vier miljoen mark méér. En nog een week later is dat honderdzestig miljoen. Hoe overleef je dat?
Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen) beschreef het in zijn roman, veertien jaar nadien. Hij zat zelf omstreeks 1923 een paar keer gevangen en leed aan alcoholverslaving. Hij wist waarover hij schreef.
De belabberde situatie in Duitsland was een gevolg van de vrede van Versailles die het land na WO I diep vernederde. Het werd door de overwinnaars tot op het bot uitgekleed en opgezadeld met niet op te brengen herstelbetalingen. De repercussies daarvan waren voelbaar in het dagelijkse leven van elke Duitser. Iedereen probeerde op zijn eigen manier het hoofd boven water te houden.
Gokken
Wolf onder wolven is door de vele verhaallijnen en verwikkelingen tamelijk complex. De roman telt bovendien ongeveer honderd personages, waarvan zeker vijfentwintig prominent figureren. Je raakt naarmate de lezing vordert af en toe de draad kwijt in de doolhof van verbindende schakels en de veelheid van perspectieven en stemmen, maar als je je overgeeft aan de tekst raak je steeds meer bedwelmd door de beschrijving van de over elkaar buitelende ontwikkelingen en stemmingen. Wolf onder wolven leest zelfs als een heuse pageturner.
Naast de torenhoge inflatie is er een tweede gebeurtenis die Fallada verwerkte. Dat is de mislukte Küstrinputsch onder leiding van majoor Buchrucker die plaatsvond omdat sommigen vonden dat de regering te weinig deed tegen de bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk.
Küstrin was een vesting aan de Oder, die in de roman Ostade heet; Buchrucker is te herkennen in majoor Rückert. In die omgeving speelt het tweede deel (na Berlijn als locatie van het eerste) van de roman zich grotendeels af: we bevinden we ons hier in het fictieve Neulohe ‘op het uiterste puntje van de Neumark (…) bijna tegen de Poolse grens’.
Hobbes
Beide locaties gaan op hun eigen manier om met de crisistijd. In Berlijn is het vooral de zelfkant die probeert zich overeind te houden in prostitutie of door te gokken. De jonge Wolfgang Pagel, zoon van een welgestelde moeder, is zo’n gokverslaafde. Hij pikt de armoedige Petra Ledig op uit ‘het leven’ en gaat met haar samen wonen bij de hospita Thumann. Het stel wordt wegens wanbetaling al snel uit huis gezet (Petra ontdekt later dat ze zwanger is) en komt gescheiden en onwetend van elkaars lot in politiecellen terecht.
‘Het is een vraatzuchtige tijd, Wolfstijd. Zonen hebben zich tegen hun ouders gekeerd, hongerige wolven tonen elkaar hun blikkerende tanden – de sterke zal leven! Wie zwak is sterft! Tussen mijn tanden!’ Het is een duidelijke verwijzing, ook al in de voornaam van Pagel, Wolf of Wolfgang, naar de opvatting van filosoof Thomas Hobbes dat zelfzuchtigheid ten koste van de ander in de mens is ingebakken (‘Homo homini lupus est’).
Intriges
Op het platteland probeert de oude adel te redden wat er te redden valt. Ze is in het bezit van vastgoed, zoals kastelen en bezittingen die worden verpacht. Baron Von Teschow is eigenaar van twee landgoederen waaronder Neulohe en een groot bosareaal. Via de oude kameraden uit het leger, Von Prackwitz, pachter en schoonzoon van de baron, en Von Studmann, die in Berlijn een hotel leidde maar op straat is gezet, belandt Pagel op Neulohe. Hij wordt er opzichter over het personeel.
Het is een wereld vol uitbuiting, intriges, roddels en verdachtmakingen en plunderingen van de velden van de pachter door de armste bevolking. Niemand vertrouwt nog iemand. Bovendien hangt er een voortdurende dreiging van in de bossen verscholen veteranen, na de oorlog uitgespuugd door een leger dat na ‘Versailles’ niet meer mocht bestaan. Ze zijn uit op een putsch. Kortom: ook op het platteland regeert de ‘wolfstijd’.
Speenvarken
Fallada vertelt in Wolf onder wolven niet het politieke en algemeen maatschappelijke verhaal van de moordende inflatie in Duitsland, maar laat ons die beleven aan de hand van individuele karakters in alledaagse omstandigheden. Alle belangrijke personages komen tot leven in al hun eigenaardigheden en individuele trekken. Daarbij voert Fallada vaak koddige scènes op rond amoureuze relaties, ontrouw, ruzies, klungelige opzet van de putsch en al dan niet zoekgeraakte brieven, zonder dat de roman een klucht wordt. Er zit dan ook veel humor in de vertelwijze van de auteur. Soms is die woordspelig als in: ‘Stel dat hij zich in wanhoop een kogel door zijn hoofd schoot – iemand van minder kaliber dan hijzelf zou daar in zijn situatie heel goed toe kunnen besluiten’. Veelvuldiger zijn de komische generalisaties die zich in de hoofden van de personages hebben vastgezet zoals wanneer Von Teschow zegt: ‘De mens is nu eenmaal geboren om te jammeren, dat zeg ik u, mijn beste Von Studmann! Zodra hij geboren is gilt hij als een speenvarken en als hij doodgaat rochelt hij als een oude bok en in de tussentijd blijft hij maar mekkeren’. Of de verteller als hij het heeft over de in onmin met zijn vrouw geraakte Von Prackwitz: ‘Een man naar wiens pijpen een vrouw twintig jaar heeft gedanst, zal nooit begrijpen waarom ze dat opeens niet meer doet’.
Het is niet een humor die, naar het aforisme van Godfried Bomans’, ‘overwonnen droefheid’ is, maar een die dat verdriet juist accentueert. Er schuilen verholen agressie en fatalisme onder: ‘Wachtmeester Leo Gubalke, die dagelijks met opgewonden vrouwen van doen heeft, is er vast van overtuigd dat ook vrouwen verstand kunnen hebben. Maar het is een ander soort verstand dan dat van mannen, en het is compleet zinloos hen van iets te willen overtuigen waarvan ze niet overtuigd willen worden’.
Angst
Wolf onder wolven zuigt je op een meeslepende manier mee in een jaar uit de Duitse geschiedenis waarin iedereen geloofde dat hij bedrogen werd als hij dat zelf niet als eerste deed. Het motto: ieder voor zich. Iedereen werd door die geest geïnfecteerd: ‘De aarde brengt geen graan voort, maar angst, besmettelijke angst. Een generatie vol angst’.
Toch geeft Fallada één van zijn protagonisten deze gedachte in: ‘Welbeschouwd bestaat het leven uit louter nederlagen. Maar desondanks leeft een mens, dat o zo taaie en onverzettelijke schepsel, verder en is blij dat hij leeft…’.
Twee mensen laten zien dat de mens niet gedoemd is anderen te verdrukken. Dat zijn Wolfgang Pagel en Petra Ledig. Wolf onder wolven is daarmee tevens een ontwikkelingsroman over deze twee die na een onderlinge breuk los van elkaar groeien naar onafhankelijkheid en inzicht en zo verantwoordelijkheid leren nemen voor hun leven. Het laatste hoofdstuk refereert aan de opening van de roman. De man en de vrouw worden ’s morgens in een bed in Berlijn wakker. Een fris briesje beweegt de gordijnen. Wolfgang is door alles wat hij meemaakte sterker geworden. Petra heeft ontdekt dat het geluk ‘niet afhankelijk [is] van dingen buiten haar, het zit in haarzelf, als de kern in een noot’.










1 reactie
Wat een doorwrochte bespreking. Dank! Ik heb veel van Fallada’s werk in het Duits gelezen, evenals de uitstekende biografie door Anne Folkertsma. Wolf unter Wölfen ga ik zeker – in het Duits, twee losse delen – aanschaffen.