Op het omslag van Bewonen in wat je overkomt van Gerard Visser staat het schilderij ‘L’oiseau noir et l’oiseau blanc’ van George Braque. De schilder was in zijn werk voortdurend op zoek naar het evenwicht tussen spontaniteit en structuur. Of zoals je zou kunnen zeggen: tussen rede en emotie.
Het is een mooie keuze voor de uitgave van het dagboek dat de filosoof Visser van 1979 tot 1989 bijhield. In die jaren gaf hij filosofiecolleges en werkte hij aan zijn proefschrift Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie. Maar ook was het de tijd waarin hij en zijn vrouw Riet een ernstig gehandicapte dochter, Noortje, kregen en opvoedden. Het zijn de twee hoofdlijnen van het dagboek die Visser met elkaar weet te verstrengelen: ‘Filosofie biedt de mogelijkheid om onbevangen op het leven te reflecteren, maar omgekeerd kan niets de filosofie zo beproeven en inspireren als het leven zelf’.
Een sleutel voor die verbinding is Vissers uitleg van het begrip ‘Gelassenheit’ bij Heidegger. Vertaald als ‘gelatenheid’ betekent het volgens Van Dale lijdzaamheid, berusting. Visser vindt dat te passief. Hij gaat er steeds meer een actieve levenshouding in zien: een kunnen laten zijn of kunnen laten gebeuren. De titel van het dagboek hangt daarmee samen; hij komt uit een notitie van 25 maart 1980: ‘Het zijn is uitgebreider dan wij zelf. We moeten leren bewonen wat ons overkomt’.
Noortje
In de eerste maanden na de geboorte is er ongerustheid over Noortje. Haar ogen zien dof en haar handjes staan scheef. Daar komen geleidelijk meer symptomen bij als een weigering om te eten, het hoofd niet omhoog kunnen houden, spastische bewegingen enzovoort. Wat misschien wel het meest tragisch is aan de jaren die Visser beschrijft is de houding van de medici die worden geraadpleegd. Ze spreken elkaar tegen en steeds komen er nieuwe diagnoses en behandeladviezen die vaak worden uitgesproken met een aplomb dat vooral onwetendheid verhult.
Een van de dieptepunten is de reactie van een huisarts als moeder Riet hem zegt dat ze Noortje, die bijna louter fysieke problemen heeft en wel degelijk intelligent is, liever niet naar een groep met geestelijk gehandicapten laat gaan: ‘Ik zie niet in waarom niet’. Het kind wordt gezien als een geval; wie stelt nog de vraag ‘Wie ben jij?’
Rouw
Er worden op advies van (para)medici behandelmethoden ingezet die Noortjes situatie zelfs verergeren. Pas jaren later blijkt sprake te zijn van een stofwisselingsstoornis. Er is in de lange rij specialisten en alternatieve genezers die de ouders uit wanhoop zijn gaan raadplegen, maar één arts geweest die die mogelijkheid ooit geopperd heeft. Om maar enig houvast te krijgen heeft het echtpaar zelfs een astroloog geraadpleegd en – hoe tragisch – de schuld bij zichzelf gezocht. Visser in zijn Nawoord: ‘Je zou kunnen promoveren op de gevolgen van een foutieve diagnose’. Toch is zijn conclusie dat hij al die jaren nooit meer zou willen overdoen, maar evenmin had willen missen. Wat er rond Noortje allemaal fout ging roept bij Visser de vraag op of daarover ook rouw mogelijk is. Reflecterend op de vraag of hij de pijn bij zichzelf voldoende heeft toegelaten concludeert hij als een ‘misschien’: ‘In plaats van te rouwen schreef ik het boek. Als zij [Noortje] zelf niets tot stand zou kunnen brengen, dan was dat er in elk geval. Maar nu het boek er is…’
Lustprikkels
De gebeurtenissen leiden in de jaren van het dagboek tot filosofische bespiegelingen over het leven. Vaak gebeurt dat tijdens het werk aan het proefschrift. In die gevallen zijn de aantekeningen niet altijd helder voor de lezer die weinig in Heidegger of Nietzsche ingewijd is. Die zal zich mogelijk herkennen in de reden voor de afwijzing van een subsidie voor de publicatie van het proefschrift door het ZWO (Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek): ‘moeilijk toegankelijk’ (het zou later toch verschijnen).
Maar daar staan tal van beschouwingen tegenover die iedere lezer zullen aanspreken of op zijn minst aan het denken zetten. Zoals: ‘Er heerst in onze wereld een zeker verbod op het lijden. In zo’n wereld neemt de lust af. Een onbestemde onlust hoopt zich op, die door de markt van welzijn en geluk wordt bestreden met een overdaad aan infantiliserende lustprikkels’. Dat schreef Visser in 1983 al. Het is 42 jaar later nog een stuk erger geworden.
Of deze: ‘Dat voor even het verschil tussen binnen en buiten áls verschil intact blijft en niet wordt opgeheven ten faveure van een van beide, dat kan de bekoring zijn van iets wat in de woningbouw van tegenwoordig zeldzaam is geworden: het portiek’.
In het dagboek staan verder prachtige observaties over natuur en kunst. Visser heeft oog voor het detail, zoals wanneer hij onderweg in Leiden ziet: ‘Aan de tekenstift van Rembrandts borstbeeld aan de Witte Singel hing een druppel’.
Misschien liet Visser de rouw niet toe en verstopte hij zich er voor in zijn boek. Waarmee hij zijn proefschrift bedoelde. Maar met dit andere boek, Bewonen wat je overkomt, geeft hij de rouw alsnog alle ruimte.











