In 1949 was Godfried Bomans in Nice te gast op een cocktailparty van in de stad wonende Nederlanders. Volgens Simon Carmiggelt, die ook deel uitmaakte van het gezelschap, vertelde Bomans ‘een reeks van dames die hij individueel benaderde zijn levensverhaal, maar telkens in een andere versie. Toen de vrouwen na afloop met elkaar napraatten, groeide de verwarring’.
Bomans hield van dergelijke practical jokes. Maar het voorval zegt ook alles over hoe hij zich gedurende zijn leven liet kennen: als een moeilijk te peilen man die zijn eigen fantasieën als werkelijkheid presenteerde. ‘Al die feiten beklemmen mij, ik verzin ze liever zelf’, citeert Gé Vaartjes deze complexe man.
De titel van dit levensverhaal, Vleugelman, is een verwijzing naar het gelijknamige sprookje dat Bomans in de jaren 60 van de vorige eeuw schreef en dat diepe wortels heeft in een wens die hij als kind al koesterde: ‘vleugels krijgen (…) om anders te zijn dan de anderen en uit de dagelijkse tredmolen te stappen’. Het verhaal staat voor een heimwee naar zijn eigen verloren paradijs: de omheinde tuin van zijn jeugd waarin hij zich in zijn eentje kon terugtrekken. Minder paradijselijk was zijn opvoeding. Zijn vader was een streng katholieke man die zijn kinderen het liefst allemaal in een klooster terecht had zien komen, en zo niet, dan toch in een aanzienlijke maatschappelijke functie: Godfried moest maar advocaat worden. Naast deze normerende man stond een veelal afwezige moeder die later verklaard zou hebben dat ze eigenlijk geen kinderen had gewild (ze had er zeven waarvan één vroeg overleed).
Pietsie
De strenge katholieke opvoeding, de prestatiedwang en het gebrek aan moederliefde zouden Godfrieds verdere leven tekenen. Dat kwam tot uiting in zijn de moeizame studiecarrière (hij loog lang tegen zijn vader over behaalde rechtententamens en switchte later weer naar psychologie, naar filosofie en zelfs even geschiedenis – allemaal zonder die studies af ronden), zijn moeizame omgang met kritiek en verplichtingen en – last but not least – zijn relaties met vrouwen en zijn worsteling met het katholicisme.
Wat die laatste twee betreft is zijn huwelijk illustratief. In 1940 leerde hij tijdens zijn studie in Nijmegen de Limburgse Gertrude Verscheure (‘Pietsie’) kennen met wie hij een jaar later in ondertrouw ging. De huwelijksplannen ontmoetten nogal wat tegenstand van Pietsies moeder die niets zag in zo’n sloddervos als Bomans, maar toen ze eenmaal bakzeil haalde werd Godfried bang. Tot twee keer toe liet hij verstek gaan toen de inzegening van het (kerkelijke) huwelijk al was geregeld (en de bezoekers zelfs al in de kerk zaten) tot het uiteindelijk bij een derde afspraak, in augustus 1945, dan wel bezegeld werd.
Volgens Vaartjes had het allemaal te maken met zijn negatieve zelfbeeld en de angst om je dicht bij een ander te voelen, maar ook met de kerkelijke moraal dat het huwelijk een heilig verbond was: je daaruit terugtrekken was een grote zonde waarop eeuwige doem stond.
Troost
Het was niet alleen een negatief zelfbeeld maar ook een neerbuigende kijk op vrouwen. Godfried zou al snel na het huwelijk verliefd raken op meer dan een dozijn andere vrouwen, relaties die hij bijna tot het eind van zijn leven voor Pietsie geheim wist te houden. Die minnaressen vervulden voor hem een moederrol. Zoals hij één van hen eens schreef: ‘Als je bij mij bent, zie ik alles in je, ook een grote zachte moeder, die haar kind in haar lichaam opneemt en hem daaruit opnieuw geboren laat worden’. Al die geliefden waren een vluchtoord en een troost. Vaartjes kon voor getuigenissen terugvallen op vele honderden brieven, waaruit ook nog eens blijkt dat zij voor hem onderling inwisselbaar waren: ze kregen van hem soms vrijwel gelijkluidende epistels. Je vraagt je als lezer soms af hoe die vrouwen het zo lang vol hielden, want aandacht voor hen was bepaald niet Godfrieds sterkste kant. Hij was altijd zelf het middelpunt.
Dat was Bomans ook in datgene waaruit de meesten hem zullen kennen, zijn boeken en columns: Pieter Bas, Erik of het klein insectenboek, Pa Pinkelman, zijn Parlevink-stukjes enzovoort. Nog meer in de herinnering gegrift van degenen die hem hebben gekend zullen zijn radio- en TV-optredens zijn in programma’s als Cursief en Hou je aan je woord en in serieuzere interviews met zijn broer en zus, beiden kloosterlingen.
Taalvirtuoos
Bomans voelde zich in de literaire wereld miskend. En hoe langer hij op TV was hoe meer kritiek hij kreeg: hij zou alleen maar de paljas uithangen en zichzelf vooropstellen. Zijn vrijpostigheid, ontregeling en gespeelde gestuntel gingen steeds meer mensen tegenstaan. ‘Gezelschap gaf hij graag de status van publiek, waarvoor hij een voorstelling creëerde – en een ander degradeerde tot rekwisiet’. Kritiek kwam er ook uit katholieke hoek toen Bomans geleidelijk de kerk ging kritiseren. Volgens hem was godsdienst een bedenksel van de mens die niet kan accepteren dat het leven geen zin heeft. Daar is niets tegen tot dit geloof verstart tot een instituut, de katholieke kerk: ‘Tussen Hem en ons heeft zich zoveel geschoven, dat we Hem nauwelijks meer zien’.
Bomans was naast dit alles een taalvirtuoos. Dat is nog steeds in zijn stukken terug te zien al zijn veel thema’s nu oubollig of – zoals de ruzies met de trouw katholieke Volkskrant – niet meer zo goed voor te stellen. In zijn optredens kon hij dan wel irritant zijn, maar hij voelde feilloos aan hoe hij zijn publiek kon bespelen. Bomans schreef tal van observaties die veel zeggen over hemzelf, zoals ‘Het begeren is alles. Het bezitten is niets’ en ‘Een belofte is altijd meer dan een vervulling ervan’. En er zijn blijvertjes in zijn denken over humor waarover hij verschillende aforismen ten beste gaf waarvan de bekendste: ‘Humor is overwonnen droefheid’.
Loutering
Vaartjes laat in zijn boek al die aspecten van de getormenteerde Bomans zien. Dat doet hij op een prettige manier die de lezer alle ruimte laat voor een eigen oordeel. Hij dringt zijn kijk op Bomans niet op, maar voert vooral getuigenissen op van anderen die Bomans hebben gekend of stelt vragen als: zou Bomans in de gaten hebben gehad dat hij, als hij schreef over zijn grote helden Dickens en Andersen, in feite ook een kijkje in zijn eigen ziel gaf? Vaartjes schrijft bovendien zelf ook mooie zinnen zoals: ‘Humor was de saus op alle ellende’ en ‘Bomans kauwde op de dagen als op ongegaard vlees’.
In 1971 verbleef Bomans, net als Jan Wolkers na hem, in zijn eentje een week op Rottumerplaat voor een VARA-programma. Het waren zeven dagen waarin hij het moest doen zonder applaus, zonder een gezelschap dat hij kon bespelen en zonder troost van minnaressen. Het werkte louterend. Hij hield er een dagboek bij waarin hij op de vierde dag van zijn verblijf schreef: ‘Ik zie nu beter dan eerst en nú eigenlijk pas goed, dat ik ben wie ik ben en dat het zo heeft moeten zijn. Ik heb geen wrevel, geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden. Zo is het allemaal gelopen en ik genees van mijn wonden’.








