Esther Jansma – We moeten ‘misschien’ blijven denken

De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

Recensie door Hettie Marzak

De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

Elk jaar opnieuw een begin van iets

Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

Zoek

Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
vraagt het koppie van het natte grijsverig
kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
geworpen door oneindig toevallig zwart
op zomaar een erf in zomaar een schuur

die we nu en aarde en melkweg noemen
waar we al vallend ons licht in schijnen
en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
voor het koppie van het kuiken. Het piept:
vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

Veelzijdigheid van dichter en meer

Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

Start

In de fabriek voor porseleinen poppen
maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
kunt zien gloeien en die hoofdjes
en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

Meerduidige beelden

Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

Overal is water en alles zingt, wolken
bewegen in de diepte van plassen
op straten die de wolken niet kennen
en de hemel heeft geen weet van de aarde

vingertoppen van bomen, die van gevoel
dat sterft in de herfst en er nu nog is
zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

overal schuilen mensen en iemand
loopt door tijd die al bijna verdwenen is
koud watergetokkel op het gezicht

en weet: de wolken weten niet van de regen
het water weet niet van de bladeren
waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

en de snelle zilveren aanrakingen
die leven heten en beweging
kennen de druppels op mijn gezicht niet

en straks ben ik dit allemaal.

De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



Omslag We moeten ‘misschien’ blijven denken - Esther Jansma
We moeten ‘misschien’ blijven denken
Esther Jansma
Verschenen bij: Prometheus (2024)
ISBN: 9789044658330
80 pagina's
Prijs: € 20,00

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak:

Recent

Prachtig verstoorde rust
29 oktober 2025

Prachtig verstoorde rust

Over 'Opera der doden' van Autran Dourado
De complexe zoektocht van een adoptiekind
28 oktober 2025

De complexe zoektocht van een adoptiekind

Over 'Adoptica' van Emily Kocken
Wezenlijk contact via de telefoon
26 oktober 2025

Wezenlijk contact via de telefoon

Over 'Iets meer zoals een zon' van Sarah Jäger
Natte armen wijd open
23 oktober 2025

Natte armen wijd open

Over 'Neem ruim zei de zee' van Sholez Regazadeh
Postmodern meesterwerk uit Schotland
21 oktober 2025

Postmodern meesterwerk uit Schotland

Over 'Arm ding' van Alasdair Gray

Verwant

Score: 3
Score: 3
Score: 2