Een kelder, tochtig, vochtig, de geur van grond. Veronika, de hoofdpersoon van Emy Koopmans De vrouw in de kelder heeft zich er teruggetrokken. Stiekem ook nog. Tegen familie, vrienden en bekenden heeft ze gezegd dat ze bergen gaat beklimmen in de Schotse Hooglanden. Met een vriendin (‘Nee, je kent haar niet’). ‘Isolatie verandert van verstikkend in bevrijdend als je zelf degene bent die de deur dichttrekt, maar krijgt dat maar eens uitgelegd,’ vertrouwt ze de spraaksoftware toe. Haar rechterhand en -arm, die ze nodig heeft om dat te doen waar ze goed in is — tekenen — hebben het laten afweten: tintelingen, pijn, verkramping.
Terwijl de software Veronika beter leert kennen, haar woordkeuze, de constructie van haar zinnen, en steeds minder fouten maakt, wordt langzaam duidelijk wat ze in die kelder doet. In ogenschijnlijk associatieve maar uiterst gecontroleerde kringetjes vertelt ze over haar haar misgelopen relaties, ze van alle kanten bekijkend. Het gaat niet alleen om de relatie met haar nogal intimiderende vader en haar (voormalige) vriend, maar ook om die met haar lichaam, dat ziek werd, en haar kunst, het tekenen dat haar lichaam niet langer kan opbrengen. En dat alles aldoor in de kelder, waar ze door de piepkleine raampjes de stoeptegels zou kunnen zien, en de mossen daartussen, als ze de gordijnen niet angstvallig gesloten hield.
Terugblikken om vooruit te kunnen
De eerste zestig bladzijden vertelt Veronika in de tegenwoordige tijd, op een toon alsof de lezer zelf de spraaksoftware is. Wat volgt, voelt als één lange terugblik ondanks de korte onderbrekingen waarin we ons realiseren dat Veronika nog altijd in haar kelder zit. Dat is meteen waar het wringt: vrijwel alle gebeurtenissen zitten in de terugblik, een verhaal van kindertijd tot nu. Niet alleen blijft lang onduidelijk waarom Veronika in de kelder is afgedaald, eenmaal daar beneden gebeurt er zo weinig dat je je kunt afvragen of er voor haar genoeg aanleiding is om aan het einde van het boek weer bovengronds te komen. Dat neemt niet weg dat de terugblik zelf vol prachtige maar ook schurende beschrijvingen zit, zoals die van de schaamte van een kind voor haar vader.
‘Ik had een vader voor wie ik me, tot mijn eigen schaamte, schaamde. Ik schaamde me, als iemand anders het zag, hoe nors en lomp hij kon zijn. Ik schaamde me, als hij mij in de aanwezigheid van een vriendinnetje trutje noemde. Als hij mij hard in mijn bovenarm kneep, bij wijze van liefkozing. En al helemaal als hij een van mijn vriendinnetjes hard in hún bovenarm kneep.’
Het laatste, vijfde deel, van het boek bestaat uit tien pagina’s. Het is zomer, Veronika werkt met Renée, de ene helft van het vrouwelijke stel dat in het huis boven de kelder woont, in de tuin. Ze plukken blaadjes van de bosaardbei en de kleine veldkers om er pesto van te maken. Tien ‘groene’ bladzijden na de vochtige duisternis van de kelder. Een hoopvol, bijna traditioneel, einde dat misschien wat verontrust. De vraag rijst welk verhaal Koopman ons eigenlijk heeft verteld. Veronika’s leven is een aaneenschakeling van gebeurtenissen die haar zijn overkomen en mensen die haar, op zijn zachtst gezegd, niet altijd met even veel mededogen behandelden, wat ze simpelweg ondergaat. Dat eenzame opsluiting daar een reactie op is valt nog te verteren. Als transformatieve handeling overtuigt het helaas niet.









