De auteur van het kleine maar fijne ironisch genaamde Mes Amis en het daaropvolgende Armand was zijn hele leven bestemd om de ultieme einzelgänger te zijn. Zich niet thuis voelend in zijn eigen land noch bij andere mensen, kon niemand beter dan Emmanuel Bove (1898-1924) zo treffend de hunkering naar en het verloren gaan van vriendschap beschrijven. Zich uitputtend in kleine, bijna pietluttige details verwijdt hij onze blik tot we alles in ons opnemen. De eenzame man op het bankje, de overbezorgde moeder en de buurman die vandaag net iets later dan normaal de hond uitlaat. Achter het kleinste gebaar gaat een wereld van betekenis schuil in het marginale bestaan.
De personages van Bove zijn geen makkelijke mensen, ze zijn behept met allerhande nukken en grillen die ze zelf soms nauwelijks begrijpen. Victor Bâton, de hoofdpersoon uit Mijn vrienden leeft van een kleine uitkering voor oorlogsveteranen en is een beetje mensenschuw geworden. De armoede maakt hem overgevoelig voor sociale verhoudingen waardoor hij zeer op zijn hoede is naar anderen toe. Dit wantrouwen komt tot uiting in verschillende tragikomische scènes waarin hij telkens weer een flater slaat of ten onder gaat aan misverstanden. Als eeuwige flaneur zwerft hij door de straten van een minutieus in kaart gebracht Parijs, waar hij zwelgt in spleen en zelfmedelijden. Het tedere en tegelijk wrange van menselijke interacties wordt door Bove meesterlijk uit elke situatie gepeuterd. Bâton zoekt zijn medemens maar vindt eeuwig en alleen zichzelf wanneer het weer spaak loopt.
Sympathie voor de buitenstaander
Wie hoopt op begrip van de schrijver voor de hoofdpersoon en bedrogen uitkomt is aan het juiste adres bij Bove. De smaak van mislukking loopt als een aperitief door zowel Mijn vrienden als Armand en het korte verhaal Een andere vriend. Uitgeverij Tzara heeft deze drie verhalen gebundeld als introductie tot het werk van Bove, de vertaling is van Wim Ver Elst. De ongelukkig uitgevallen aanvaringen van de hoofdpersonen van Bove vinden hun literaire echo in Knut Hamsun’s Honger en in de naamloze hoofdpersoon van Dostojewski’s Notities uit het ondergrondse. Om aan zijn kleurloze en trieste bestaan te ontkomen probeert Victor Bâton troost te vinden bij anderen, terwijl hij tegelijkertijd gebukt gaat onder het contact met zowel arme als rijke mensen. De alledaagsheid waarmee anderen hun dagelijkse boeltje regelen is hem vreemd, hun geluk wekt afgunst in hem en de misère van anderen veroorzaakt weer superioriteitsgevoelens. Deze tegenstrijdigheid en tegengestelde behoeften aan nabijheid en eenzaamheid zijn typisch voor hen die aan sociale isolatie lijden.
Wat vaak zo aangrijpend is in het werk van Bove is de geruisloze sympathie met allen die lijden aan de verborgen kwalen van het leven. Hij heeft een fijnzinnige aandacht voor gebogen mondhoeken, trillende handen en laagjes stof op servies. Bij gebrek aan gemeenschapsgevoel worden zijn personages gevoelig voor de geringste vriendelijkheden, elke uitgestoken hand is een uitnodiging. Bove was als geen ander vertrouwd met dit leven, toen hij zelf als 17-jarige jarenlang in hotels uit zijn koffer leefde. Dat was voor hij op zijn 21e ontdekt werd door Colette en een gevierde schrijver werd.
Bekende eenzaamheid
Het is niets minder dan onversneden wanhoop die Victor Bâton doet verzuchten: ‘Ik wil zo graag een vriend, een echte vriend hebben, of een vriendin, bij wie ik mijn hart kan luchten.’ De lange stiltes wegen zwaar op hem, de onvermijdelijke verveling van lange dagen zonder iets om naar uit te kijken werken afstompend op zijn gemoed. Zijn eenzaamheid slaat ook regelmatig om in het verlangen om er niet meer te zijn. Als hij zich bijvoorbeeld bijna wil verdrinken in het tweede verhaal van Mijn vrienden. Vlak voor de huisbaas hem uitzet mijmert Victor: ‘Het is vreemd hoe alles verandert zonder jou.’ Het zijn die kleine terloopse zinnetjes die de ware inventaris vormen van de vereenzaming. Van woorden die zich jarenlang opgehoopt hebben, stellingen gebouwd van luchtkastelen, doorgeslikte tranen en teleurstellingen. Van toch weer aan je eigen lot overgeleverd worden als een onbewoond eiland. Is het vergeefse moeite om toch altijd weer het contact met anderen te zoeken? Dat lijkt de centrale vraag in Mijn vrienden en de vraag stellen is hem beantwoorden voor Bove.
Armand vormt als het ware de spiegel van Mijn vrienden. In Armand treffen we een min of meer gesettelde familieman die terugkijkt op zijn jaren van armoede als hij zijn oude vriend Lucien bij toeval op straat treft. Armand is getrouwd met een vermogende vrouw en alles aan Lucien doet hem denken aan wie hij vroeger was, aan zijn onbehouwen manieren, zenuwtrekjes en hoe hij moest schrapen om de dag door te komen. Armands huwelijk lijkt minder stabiel dan hij dacht als een oude wrok weer oplaait en hij het gevoel heeft dat hij zich tegenover Lucien moet verantwoorden. De verhoudingen hier zijn subtiel anders dan in Mijn vrienden, maar de dynamiek is grotendeels hetzelfde. Het geluk van Armand voelt als toeval, zijn vroegere leven lijkt hem waarachtiger en als de zeepbel van het geluk doorgeprikt wordt resteert alleen de herinnering eraan.
De stenen waar Bove’s hoofdpersonen over struikelen zijn voor anderen steentjes in de schoen. De verhalen in deze bundel zijn kostbare kleinoden gezien door het oog van de voorbijganger, indachtig de wandelaar van Rousseau een oude traditie. Zijn stem is even wezenlijk als die van een oude vriend, misschien is de titel dus minder ironisch dan hij lijkt. De lezers kunnen zich voor even Bove’s vrienden wanen. Gedeelde smart zou halve smart kunnen zijn, maar voor Bove leek het geluk niet weggelegd. Ondanks zijn redelijke succes en erkenning leek hij tijdens zijn leven de voorkeur te geven aan in de marges werken, ver van het spotlicht. Hij gaf weinig tot geen interviews en was zeer bescheiden over zijn metier. Op het eind van zijn leven glipte hij na een korte ziekte geruisloos de stilte in, alsof hij uit de coulissen kwam. De stilte waarin hij zichzelf terugvond of herkende. Die hem als een vriend verwelkomde. ‘Het leven was doorgegaan.’










