Vader en zoonromans bestaan al lang, van Toergenjev en Borderwijk tot Weijts, maar het lijkt wel of het thema in het algemeen nu sterker leeft dan ooit. Gijs Scholten van Aschat speelt bijvoorbeeld samen met zijn zoon Reinout in een film (Alpha), Jacob en Roman Derwig treden samen op in Shakespeares Hamlet, het werk van de beeldend kunstenaars Jozef en Isaak Israëls wordt in Domburg nadrukkelijk als dat van vader en zoon tentoongesteld. En nu is er dan een herdruk van de roman Kopzorg (1987) van Edgar Cairo (Paramaribo 1948 – Amsterdam 2000). De eerste uitgave dateert uit 1969 (Temekoe), de tweede verschijnt als Temekoe/Kopzorg in 1979 en in 1988 verschijnt het met de ondertitel Het verhaal van vader en zoon.
Het boek werd bij eerste verschijning niet onverdeeld positief ontvangen, al waren er uitzonderingen. Zoals bijvoorbeeld van Frank Martinus Arion die het als een ‘juweel’ bestempelde, maar Michiel van Kempen had zijn bedenkingen. Hij vond dat Cairo zijn doel voorbij was geschoten. De vraag is dan: hoe lezen we nu de heruitgave, voorzien van een nawoord door Thalia Ostendorf, die bij eerste lezing was overvallen door ‘een gefascineerd soort verbijstering’? ‘Het was,’ schrijft ze, ‘als een storm waar ik in meegezogen werd’.
God en demon
Meteen al aan het begin wordt duidelijk dat de 50-jarige vader, Nelis, kopzorg heeft. Is hij behekst? Dan moet hij door de pastoor een duivelse demon uit laten drijven. Hij is dus rooms-katholiek, en – staat er – ‘neger’. Voor de zoon, de ik-figuur, is hij ‘in het geheim een god en tegelijk de demon der verschrikking’. De zoon is een stadskind, geboren in Paramaribo. Zijn vader was geboren in het oerwoud van het Para-district. Dit district kent ook twee kanten, net als de inborst van de vader: die van de ‘paradijselijkheid en het hellevuur (…). Pijn en de lach’. En armoede. Toen Nelis’ ouders waren overleden, kwam hij bij een tante in huis die hem beschouwde als ‘onkind van ’n satanskring’. Hij loopt weg en gaat naar Paramaribo, waar hij zijn ogen uitkijkt: auto’s, gaslantaarns …
Cairo beschrijft de overgang van het leven in Para naar Paramaribo als ‘het oerouderwetse negerleven’, waaronder magie- en andere praktijken zoals winti, voodoo met jorka’s (geesten van overlevenden) en bakroes (kwelgeesten). Daarna gaat hij over op een stukje geschiedenis, zoals de crisistijd rond de jaren dertig en het feit dat Nelis zonder werk kwam te zitten. Zo glijdt het grote verhaal in een particulier verhaal dat trekken van een sprookje heeft. ‘Daar ging Nelis, met het krieken van de dag z’n erfhuisje uit. Snel het krotje achter zich latend verliet hij het vervallen woonerf en ging de straat op, waar het nog aardedonker was.’ Hij liet zijn zogeheten sekswijf Selina achter, ‘met grote, bobbelende borsten en zoetzalige vleesheupen, naast grote, draaiende, haast uit zichzelf sambadansende billemoten’. Dit volkse taalgebruik wisselt af met woorden in het Sranantongo en ouderwetse uitdrukkingen als ‘aan den lijve welgesteld van lust & vleze’.
Kantelingen
Ondertussen vindt Nelis een vaste baan bij de overheid, maar alsnog slaat het noodlot toe: de baby die Selina krijgt overlijdt, Nelis raakt aan de drank, ze krijgen slaande ruzie (koenoe, een vloek) en hij verliest zijn baan. Het wordt allemaal heel gecondenseerd verteld. Net als de kanteling in het verhaal waarin de liefde tussen Nelis en Selina groeit en ze nog een kind krijgen: de ik-figuur. Hetzelfde geldt voor de kanteling in de verhouding tussen vader en zoon. Eerst wordt de zoon door zijn vader stierlijk verwend en vertroeteld, hoewel hij hem ervoor uitmaakt dat hij ‘zo vuil was als ’n stuk zwartteer’. Eerder had de ik-figuur al gesteld dat hij zo’n opvoeding niet neer wilde halen, maar wél kritiek wil leveren op het leven zelf. Ook hier wordt het particuliere met het algemene vermengd. De ogen van het ik-personage worden ‘verlost (…) van de nevelen der onwetendheid’. Misschien had hij die meegekregen door zijn moeder, die vond dat de wereld zijn leerschool was.
Het is in dezelfde tijd dat vader en zoon uit elkaar groeien. Nelis raakt verouderd, nukkig, nors en eenzaam. Uiteindelijk gaat het boek meer over de vader dan over de zoon, zoals het voorafgaande gedicht het ook heeft over:
‘Zo schep ik u, vader, naar ’t woord:
uw schrijfzaam erebeeld.
En even vluchtig spiegel ik mij aan u
tot ’n gelijkenis, uw spiegelbeeld.’
Misschien wist het boek door de vermenging van taalregisters en stijlen destijds niet iedereen geheel te overtuigen. Dat is nu anders. We zijn gewend geraakt aan al dan niet postmodernistische combinaties van elementen uit verschillende genres, technieken en stijlen en zijn die gaan waarderen. Cairo’s boek is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het werk van een land- en tijdgenoot, musicus en schrijver Ronald Snijders. Diens muziek staat nu opeens weer midden in de belangstelling – waarschijnlijk juist door zulke combinaties van stijlen (jazz, funk, Surinaamse en Braziliaanse invloeden) en eveneens door een heruitgave van zijn muziek (Penta in 2024 heruitgebracht op het Britse label Night Dreamer).
Het is al met al een goed idee dat uitgeverij Cossee Cairo’s boek juist nu weer opnieuw onder de aandacht heeft gebracht. Mede in een tijd waarin vaders en zoons en de vermenging van stijlen in de belangstelling staan. Het boek verdient het.











