‘Toch moest je als Zuid-Afrikaan vechten voor je land, al hield ik me overigens niet al te veel bezig met de voors en tegens van conflict. In al mijn jeugdigheid trok het vooruitzicht op oorlog en avontuur en had ik alleen oog voor de betoverende glans ervan, maar van de verschrikkingen en de tragiek begreep ik niets.’ Niet veel later, in 1899, meldt de tiener Deneys Reitz, zoon van de voormalige president van Oranje-Vrijstaat, zich als vrijwilliger in de strijd tegen de Britten. In de fraai vormgegeven serie Oorlogsdomein verscheen Commando, Een Boer over de Boerenoorlog, de Nederlandse vertaling van Reitz’ oorlogslogboek, in 1929 in het Engels en Afrikaans gepubliceerd. Van de ‘betoverende glans’ van de oorlog was al snel niets meer over.
Wat leek te beginnen als een soort spannend schoolreisje, ontaardde spoedig in een bloedige oorlogshel, waarin een mensenleven niet veel meer was dan een getal. Als bij een militaire schermutseling drie of vier doden vielen, werd dat beschouwd als een beperkte schade. Reitz meldt het allemaal nuchter en ogenschijnlijk onaangedaan, als een buitenstaander – al moet daarbij meteen worden aangetekend dat zijn oorlogsverslag pas drie decennia later verscheen, ‘toen alle woede en verontwaardiging allang waren weggeëbd’, zoals Paul Moeyes opmerkt in zijn Nawoord.
Procesverbaal
In Commando volgen we vier jaar lang de belevenissen van Deneys Reitz. Bijna vierhonderd pagina’s vol meedogenloos oorlogsgeweld, afgewisseld met merkwaardige periodes van rust en ontspanning. Soldaten konden naar believen veranderen van legeronderdeel of voor de afwisseling kiezen voor comfortabel familiebezoek, om op adem te komen. Maar op het slagveld loerde overal de dood, met de Britse vijand (aan wie Reitz overigens totaal geen hekel had, maar het was nou eenmaal oorlog) soms verschanst in een positie binnen gehoorafstand. Het verslag is een weergave van feiten, niet meer en niet minder. Feiten die bestaan uit de persoonlijke ervaringen van de auteur, opnieuw: niet meer en niet minder. Als lezer kijken we mee als via een bodycam. Hoe vlot en nauwgezet beschreven ook, op den duur gaat zo’n emotieloos procesverbaal onherroepelijk vervelen. Probleem daarbij is ook het ontbreken van enige context.
Wie vecht tegen wie
Paul Moeyes schetst de achtergronden van het gecompliceerde conflict tussen de van oorsprong Nederlandse Boeren en de Britse legermacht in zijn nawoord, maar dan is het te laat. Je wordt als lezer meteen het diepe ingegooid, ofwel met de neus op de gruwelijke feiten gedrukt zonder dat je enig idee hebt wat er aan de hand is: wie vecht tegen wie, waar, waarom en met welk doel? Je kunt nu eenmaal van de hedendaagse lezer niet verwachten dat die op de hoogte is van alle ins en outs aangaande de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika van meer dan een eeuw geleden, laat staan van de geografie ter plekke.
‘Terwijl aan onze kant versterkingen uit Transvaal en Vrijstaat waren aangevoerd, bovenop de naar schatting vijftienduizend Boeren die langs de noordoever van de rivier in stelling lagen, vanaf een punt aan deze kant van de Colensospoorbrug tot aan Spionkop, vele kilometers ver stroomopwaarts.’
Ontbreken van relevante informatie
Als lezer ben je dan wel de weg kwijt. In zijn Woord vooraf maakt vertaler Robert Dorsman melding van het feit dat hij ‘termen als ‘kaffer’, ‘naturelle’, ‘hotnot’, ‘meid’ en ‘oujong’ voor mannen en vrouwen van kleur’ niet heeft overgenomen in de vertaling. Daar is iets voor te zeggen. Maar als je toch zo begaan bent met de gevoeligheden van de moderne lezer, houd dan ook rekening met diens gebrek aan voorkennis. Misschien past het niet in het concept van de serie Oorlogsdomein, maar het was wellicht beter geweest uit het oorlogsverslag van Reitz een aantal cruciale fragmenten te kiezen en deze aan te vullen met relevante historische informatie en overzichtelijke kaarten van het oorlogsgebied. Dus niet alleen, zoals Reitz doet, inzoomen op de details van het dagelijkse oorlogsgeweld, maar ook aandacht schenken aan het grotere verhaal daar achter.











