Wie denkt dat De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts wel over humor zal gaan, wordt het op de eerste pagina ervan al duidelijk dat het ik-personage, Felix Kajuit, klaar is ‘met alle komedie’. En wie denkt dat het iets met De Goddelijke komedie van Dante heeft te maken, komt ook bedrogen uit. Waarover gaat het dan wel? Over de voorstelling Wachten op de Bataven die door de covid-19 pandemie niet door kon gaan. En alles daaromheen. Dát het niet door kon gaan, lucht Kajuit op, omdat de daaraan voorafgaande voorstellingen alleen maar een slechte pers hadden gekregen. Al was hij finalist geweest bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs, de cabaretprijs van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.
De kleine en grote wereld
Felix was trouwens op school, in 1981, ook al niet de lolligste. Hij had een bruine juf, Joyce, voor ‘Zwarte Piet’ uitgemaakt en lachte met een vriendje mee om zijn eigen moeder, die krom liep van de pijn. Of met zijn broer als zijn vader grauw zag van duizeligheid. Dat is de kleine wereld, dicht bij huis, maar ook in de grote wereld mislukken veel dingen. Een treinongeluk in de Leidse Merenwijk, de Challenger die ontploft, de kernramp in Tsjernobyl om maar wat te noemen.
Bovendien gaat Felix’ verhaal niet alleen de breedte in, van Leiden naar Amerika en Oekraïne, maar ook letterlijk de diepte in, naar herinneringen. Tijdens een voorstelling wil hij ‘allerlei voorwerpen opgraven die met [zijn] kindertijd in de jaren tachtig te maken hadden’. Als een stand-up-archeoloog, een beeld dat Weijts verder uitwerkt: ‘Uit scherven en fragmenten moesten we een samenhangend verhaal maken.’ Zoals zijn vader op zijn werk, een laboratorium, niet aan complete projecten mag werken ‘maar aan opgeknipte delen ervan’.
Zo zit ook deze roman in elkaar. Afwisselend over de jeugd van Felix en zijn tijd als al dan niet werkloos cabaretier tijdens covid-19. Fantasie heeft hij altijd gehad. Zoals op school, toen hij een verhaal schreef ‘over een jongen die ’s avonds naar de overkant van de straat keek, naar een meisje. Op een dag werden ze – door tussenkomst van een Romeinse godheid – verwisseld en leefde hij in haar kamer’. Fantasie én mooie zinnen, zoals ‘Ze leefden overal tussendoor’, dat herkennen we van Weijts.
De meeste karakters worden raak neergezet, zeker dat van Felix’ vader, die de genegenheid voor zijn zoon niet anders kan uiten dan door in zijn vrije tijd dingen voor hem in elkaar te zetten, zoals een sirene voor op zijn fietsstuur, waarover Felix uitweidt. Want dat had hij al jong van de oudejaarsconferences van Freek de Jonge geleerd: ‘De uitweiding als vormgevend principe.’ Een verhaal in de breedte, de diepte en vol uitweidingen dus. En details over de tijd waarin alles speelt: zowel de jeugd van Felix als de covid-19 tijd.
De comedyclub en de tijdgeest
Toch is het niet Felix die in coronatijd een illegale Comedyclub begint, maar zijn rivaal Tom, een iets minder goed uitgewerkt karakter. Tom heeft Felix’ naam nodig om in zijn subsidieaanvraag te vermelden. Hij was immers finalist bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs. In ruil mag Felix rustig in een van Toms cabinewoningen bij zijn club werken aan voorbereidingen voor comedylessen en schrijfworkshops die hij geeft in Toms comedyclub.
Felix verzint net als in zijn jeugd verre van leuke grappen (‘Incest, ach ja, zolang het binnen de familie blijft, vind ik het allemaal best’). Maar ja, ‘the first draft of anything is shit’ citeert hij Ernest Hemingway. Daarna zou hij een uitblinker worden als cabaretier. Maar is dat zo?
Nee en hij geeft de tijdgeest de schuld dat dit niet lukt. Een tijdgeest die in dit boek ruimschoots, en soms een beetje te veel in de vorm van opsommingen, aan bod komt. Bovendien wijt hij de mislukking ook aan zijn verknipte jeugd.
Comedy maken in een tijd van corona is niet alles. Een goddelijke comedy nog wel. Dat wil zeggen ‘alles betekenis geven, alles wat in [de] omgeving gebeurde rangschikken tot een coherent verhaal’, zoals zijn steeds depressiever wordende vader.
Het ontglipt Felix allemaal. Hij verwaarloost zijn cabinewoning en zichzelf, raakt zijn humor kwijt en wordt een wappie genoemd. Dat laatste geldt ook voor Tom, die ‘het virus’ oploopt bovenop onderliggend lijden. Maar dat is lang niet alles. De wereld zelf wordt een verhaal zonder samenhang. Hiermee wordt een interessante laag onder de roman blootgelegd die misschien teveel bedolven is geraakt onder de vele uitweidingen en details over de tijdgeest.
Wat niet wegneemt dat de klassieke opbouw van het geheel, met de twee aan elkaar gerelateerde verhalen over vroeger en nu, knap is gedaan. Je moet er als lezer even inkomen om dit scherp te krijgen, maar Weijts heeft zich sinds zijn debuut Art. 285b weten te vernieuwen met deze tragische komedie. Zonder humor. Dat wel.











