Wie tegen de vijftig loopt en daarmee statistisch gezien de helft van zijn leven achter zich heeft, gaat zichzelf onwillekeurig vragen stellen over de eerste helft: Wie was ik vroeger? Ben ik geworden wie ik altijd al wilde zijn? Wat doe ik met de rest van de mij toegemeten jaren?
Ook Bernard Wesseling stelt die vragen in zijn nieuwe bundel Ontkrachtingen en Affirmaties. Maar bovendien vraagt hij zich af hoe hij zich nu verhoudt tot de wereld, vergeleken met vroeger. De titel van de bundel geeft dat al aan: wat kan ik behouden van vroeger, wat is vals gebleken? Wat neem ik mee, wat wijs ik af? Wat is waan, wat zijn zekerheden? In de gedichten kijkt Wesseling met een kritisch oog naar de wereld en naar zichzelf. De afbeelding op de voorkant speelt met vroeger en nu door de woorden van klein naar groot en andersom te laten gaan, alsof daarmee vertrek- en eindpunt steeds gewisseld worden, van verleden naar toekomst.
De bundel bestaat uit twee naamloze afdelingen, die vooraf gegaan worden door een inleidend gedicht, waarin het jongere zelf van de dichter zich in een brief, een ‘memo’, richt tot het oudere zelf en verantwoording aflegt: ‘Als ik de aanjager was van je ongeluk, dan ook de vonk van je levenslust.’ Met andere woorden: aanvaard wie je was, want het is de kern van wie je nu bent.
Verzoening
In de eerste afdeling wil de dichter de wereld doorgronden waarin hij is opgegroeid en die hij nu om zich heen ervaart. Maar vooral is het een poging tot verzoening van de staat van de wereld zoals die is met de mate waarin de dichter die kan bevatten. De wereld dringt zich in de poëzie naar binnen. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, ‘Heenkomen’, dat in drie delen vertelt over de geboorte van een kind dat verwekt werd tijdens de vlucht van zijn ouders, die hun thuisland hebben verlaten omdat het er niet veilig was:
‘pijnlijk aanwezig, nerveus door omstanders bekeken bij het inschepen
voor de overtocht naar het Avondland om in die nacht van onbekend
op onbekend, boven het onpeilbaar diep,
met de schreeuw waarmee het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld,
buiten territoriale wateren te worden geboren […]’
Ook wordt er een tolk aan het woord gelaten in het gedicht ‘Een tolk spreekt zich uit’, die een nieuwkomer probeert uit te leggen hoe we hier in Nederland leven. Het is een gematigd kritische zelfbeschouwing: ‘Het moet gezegd: hier hangt de vlag uit van verdraagzaamheid,/ maar het is de handelsgeest die erdoor waait.’
Wesseling beziet de hem omringende wereld met een milde blik als hij dicht over Jehova’s getuigen, over anarchisten in de trein, een achterneef in een inrichting, of met een aaneengesloten prozagedicht een pagina lang de zaterdagmarkt beschrijft. Het zijn alledaagse dingen en alledaagse mensen die hij beschrijft, maar de buitenwereld en de eigen beleving kunnen moeilijk van elkaar gescheiden worden in een gedicht als ‘Ontwijding’ of ‘Bekentenisgedicht’, waarbij in het eerste sprake is van kindermisbruik en in het tweede van een vroegere relatie met een man.
Meerdere keren lezen
Deze gedichten vormen de verbinding naar de tweede afdeling, waarvan de gedichten veel persoonlijker zijn en de altijd aanwezige invloed van de maatschappij minder sterk naar voren komt. Zoals in de eerste afdeling de wereld in de poëzie doordringt, zo kan het andersom ook: poëzie kan een manier zijn om de wereld toe te laten in je persoonlijke leven, een gewaarwording die beide elementen verbindt. In deze afdeling gaat het over de toevalligheid van het bestaan, over ‘Ongerijmdheden’, over de onlogische hoop dat het toch wel in orde zal komen met de wereld. Over het doorgronden van waar je vandaan komt en hoe dat je heeft beïnvloed in je verdere leven.
Hoewel Wesseling altijd de stijlfiguur ironie hanteert, zijn de gedichten in deze afdeling overtuigender, alsof hij de onderwerpen dichter op de huid zit en niet alleen maar toeschouwer is, maar ook medespeler. Zoals in het lange gedicht ‘Het meesterwerk. Een vertelling met verbeterd einde’, waarin een kunstenaar na het scheppen van zijn beste werk het gevoel krijgt dat er geen ruimte is voor hen beiden: hij moet het kunstwerk vernietigen of de hand aan zichzelf slaan. De laatste versregels luiden: ‘Nee, dacht hij in een pijnlijk helder moment, dat werd afgedwongen door de nabijheid / van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd zoals ik een / van hen ben, zo is het van iedereen.’
De solitaire liefde voor het kunstwerk moet het afleggen tegen het gevoel bij de anderen te willen horen.
Het taalgebruik van Wesseling is zorgvuldig en overdacht, zijn beeldspraak verrassend en origineel. Zo zegt hij in het gedicht ‘Regen’ dat je aan de regen kunt zien ‘dat de hand van de schepper die van een striptekenaar is’, omdat regen de wereld lijkt te arceren.
Het al eerder genoemde gedicht ‘Lofzang op de zaterdagmarkt’ beslaat een hele pagina zonder dat er een komma in te bespeuren valt en met slechts één punt achter het allerlaatste woord, een kunstgreep die de opsomming van wat er te zien is ademloos omhoogstuwt in een sneltreintempo. En in het gedicht ‘Kunstenaars zijn despoten’ beweert de dichter: ‘De muze, mensen, / is een dominatrix. Koudbloedig, in spiegeld latex, rijzweep ter hand, / door hen, zinnelijke beesten, het is waar, zelf aangereikt.’
De gedichten zijn lang en de zinnen hebben de hele bladspiegel nodig. Hoewel het taalgebruik van Wesseling niet moeilijk is, moet je toch vaak meerdere keren lezen waar het eigenlijk over gaat. Ook gebruikt de dichter veel adjectieven en houdt hij van opsommingen, waarbij je in de gaten moet houden wat het uitgangspunt is. Zo spreekt hij in het gedicht ‘In de trein zit een jonge anarchist’ in de tweede strofe over wat poëzie niet is:
‘Poëzie, denk je, is toch vooral veel dingen niet: de agitprop van het pamflet,
je intelligentie in quotiënten, wenskaartsentimenten, sussende sofismen,
de santenkraam van naam en faam, de sekse strijd, meteorologische huzarenstukjes,
intertekstuele hoogstandjes, de tijdgeest gebotteld, de toekomst ontkurkt,
de viering van vulgariteit, en al helemaal niet De Waarheid in kapitalen…’
Wat poëzie dan wel is? In een interview met Frits Spits in ‘De Taalstaat’ verklaart Wesseling dat ‘poëzie het middel bij uitstek is om de wereld te kunnen aanzien zonder te verstarren, een manier van leven, een religie voor ongelovigen, een manier van vertrouwen in wie je bent en de vorm waarin je jezelf wilt gieten.’ Met deze affirmaties kan de dichter met een gerust hart aan de tweede helft van zijn leven beginnen.









