In 1954 verscheen een boek van de Amerikaan Darrel Huff, How to Lie with Statistics (in Nederlandse vertaling in 2019 als Liegen met cijfers). Daarin laat de auteur zien hoe je de grootst mogelijke onzin kunt ‘staven’ met geraffineerd getekende grafieken die op zich niet onjuist zijn. Iets vergelijkbaars is How to Lie with Maps van Huffs landgenoot Mark Monmonier uit 1991, dat iets dergelijks uitlegt over het misbruik van (land)kaarten.
Het nu onlangs verschenen Friezen in Rome van Atte Jongstra doet aan die boeken denken. Net als eerder werk van hem. Deze nieuweling roept ook veel reminiscenties op aan zijn De avonturen van Henry Fix II uit 2007, over een vergeten Zwolse burger met grote verdiensten. Net als in die roman breit Jongstra in Friezen in Rome over een fictief figuur een fantastisch verhaal dat volledig gestaafd wordt door feiten. Dat Friezen in Rome het in tegenstelling tot Fix II zonder illustraties moet doen is jammer – het zal mogelijk een kostenkwestie geweest zijn.
Bouwstoffen
Jongstra staat met zijn schrijversvoeten stevig in de 19de-eeuwse klei en buit die uit als bouwstof voor zijn absurdistische humor, mystificaties en hilarische verwikkelingen. ‘Bouwstof’ inderdaad. In Friezen in Rome zijn 96 in kleine letters dichtbedrukte pagina’s bronvermeldingen opgenomen die in de woorden van Jongstra bouwstoffen zijn. Door ze geen ‘Notenapparaat’ te noemen, maar ‘Deel III’ van zijn boek benadrukt hij nog eens dat ze er een essentieel onderdeel van zijn. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar bestaande bronnen, ook al ben je wel eens geneigd aan de echtheid te twijfelen. Maar dat is juist de absurde kracht ervan.
Jongstra voert in Friezen in Rome de onderzoeker Atte Sixma op die een spiegel is van de auteur zelf. Hij deelt niet alleen zijn voornaam met Jongstra, maar ook zijn geboortejaar (1956) en -plaats (Wispolia, het huidige Terwispel). Bovendien is Sixma aanhanger van de patafysica (de wetenschap van denkbeeldige problemen), waarvan Jongstra ook vertegenwoordiger is.
Friese koeien
Sixma heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn saaie baan bij de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden tijdelijk mag verlaten voor een fellowship bij het Academisch Instituut in Rome. Hij mag er zich namens het Fries Historisch Verbond volledig wijden aan het onderzoek naar Friese huurlingen in dienst van de paus van 750 – 1870. Hij presenteert zich in Rome als professor bij dat Verbond. In zijn koffer heeft hij een boek meegenomen waarvan maar één exemplaar bestaat en dat hij eigenlijk had moeten invoeren in de bibliotheek: een in bruinleren band gebonden verhandeling van Leeuwarder Johannes Buma uit 1767.
Op grond van archiefonderzoek is hij, als hij in Rome aanbelandt, overtuigd van de grote invloed van de Friezen in de wereld. Hij slaat zijn medefellows aan het Instituut om de oren met Friese wortels in Punjab, Venetië, Chili, Zwitserland en Brooklyn. Zijn collega’s worden er bijkans gek van: ze kunnen het nergens met hem over hebben of Sixma weet wel een Friese link te debiteren. Hij herkent Friese koeien op een schilderij in Trastevere en begint over de kwaliteit van de Friese ‘Dokkumer Nije’ en de ‘Zoete van der Schoot‘(appelsoorten) nadat de directeur van het Instituut zich heeft laten ontvallen dat hij niet van appels houdt.
Langzaamaan wordt Sixma versleten voor een halve gare (een ‘mad professor’) waartegen hij zich verdedigt door te zeggen dat hij nu eenmaal een graver is.
Domheid
De lezer wordt intussen duidelijk dat aan de collega’s van Sixma ook een steekje los zit. Zij zijn – in tegenstelling tot Sixma die zich zijn professoraat bij het Fries Historisch Verbond wederrechtelijk heeft opgeplakt – wel bevoegd, maar zijn evenzeer druk met achter waandenkbeelden aanhollen. Het levert kolderieke dialogen op tussen de fellows. Sixma verliest zich in die ontmoetingen nogal eens in de drank en slaat de plank regelmatig mis. Een gesprek met een collega die hij aan haar laptop ziet werken, gaat zo:
‘”Hi”, zeg ik, “Open for conversation?”
“Even een zin afmaken, ogenblik.” Niet veel later: “So, what’s on your mind?”
“Niets bijzonders. Human intercourse, meer niet.”
“Je bedoelt human interaction mag ik aannemen”, zegt ze lachend.
Ik bloos: “Oeps, slip of the tongue”’.
Jongstra stopt heel wat humor in zijn boek: ‘Er zou eens een lijst van mooie Shakespearecitaten moeten worden gemaakt’, zegt Sixma, waarop de directeur van het Instituut repliceert: ‘Die lijst bestaat al. Shakespeares Verzamelde werken’.
En in een ander gesprek verzucht Sixma: ‘De domheid. Daar valt zoveel wijsheid uit te putten. Er zou een encyclopedie van moeten komen’. Een leuke grap, als je als lezer tenminste weet dat die encyclopedie al in 2007 is geschreven door Matthijs van Boxsel, medepatafysicus van Jongstra.
Verstand kopen
Het kan niet anders of het onderzoek van Sixma moet helemaal fout lopen. Eerst komt het Friese Verbond er achter dat Sixma zich ten onrechte een professoraat aanmeet ‘terwijl je weet dat ons Verbond geen hoogleraren kent, nog geen halfvolle’, vervolgens werkt hij zich in de nesten door zijn gedraai over de vermissing van het vermiste boek van Buma uit 1767 en tenslotte wordt hij door het Verbond ook nog eens overladen met kritiek op het verslag van zijn onderzoek.
Intussen heeft hij zelf al zijn hypotheses over de wereldwijde invloed van Friezen onder zich zien wegvallen doordat hij is gestuit op een geschrift van de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye die beweert dat Friesland oorspronkelijk niet eens heeft bestaan. Veiligheidshalve besluit Sixma zijn verslag daarom maar liever een ‘historische roman’ te noemen.
Dat we met zijn allen beter ons gezonde verstand kunnen gebruiken vervat Jongstra mooi in het korte tweede deel van Friezen in Rome, waarin hij het prachtige verhaal vertelt van de inwoners van het Kroatische eiland Brač die er ooit op uit trokken om elders verstand te kopen.
Friezen in Rome is een op en top ‘Jongstra’. Smullen voor de liefhebbers, maar met de voortdurende verleiding om alle bronnen die in ‘Bouwstoffen’ vermeld staan te gaan checken. Nodeloos werk. Ze kloppen allemaal, inclusief het weetje dat Jongstra de naam Atte Sixma al eens als pseudoniem gebruikte in een artikel over Bonifatius’ dood in het periodiek Plompeblêden uit 2001.










