Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

Recensie door: Kees Bakhuijzen

De omvang van de wereld is alweer de veertiende roman van de Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) die Harrie Lemmens naar het Nederlands heeft vertaald. Deze keer betreft het echter het sluitstuk van dat imposante oeuvre (Lobo Antunes schreef er ruim 30): deze roman uit 2022 is de laatste voordat de eerste tekenen van dementie zich bij de schrijver manifesteerden.

Zoals in bijna alle romans van Lobo Antunes volgen we ook hier de gebeurtenissen via meerdere personages. Het verhaal draait om een 77-jarige industrieel die nu hij ziek is zijn dood voelt naderen. Als jonge man heeft hij een kind verwekt bij een van de arbeidsters uit het bedrijf van zijn vader. De dochter die uit deze verbintenis is voortgekomen is het tweede personage. Dan is er de jonge vrouw met wie de industrieel samenwoont, het derde personage. Zij heeft een relatie met een advocaat, de vierde persoon, die haar helpt voorbereidingen te treffen om zoveel mogelijk geld uit de nalatenschap van de industrieel te krijgen als deze komt te overlijden.

Verwijt

‘Het hoogste wat het leven ons in het algemeen geeft, is een zekere kennis van dat leven, die veel te laat komt’. Dit citaat uit een van de columns van Lobo Antunes dat Harrie Lemmens aanhaalt in zijn nawoord, illustreert perfect het hoofdthema van De omvang van de wereld. Terugkijkend op zijn leven verwijt de industrieel zijn zwakte als jonge man; hij durfde zijn hart niet te volgen en koos niet definitief voor zijn geliefde en zijn dochter, bang als hij was voor de consequenties van zijn vader die deze verbintenis afkeurde. ‘Haal het niet in je hoofd om je eigen leven en dat van de zaak te vergallen vanwege een of ander mokkeltje met wie je je nergens kunt vertonen druiloor’. De positie die hij zijn dochter later geeft binnen het bedrijf komt voor haar als een schrale en te late troost; ze is al teveel vervreemd van haar vader, die ze in haar jeugd zo vaak heeft gemist: ‘mijn vader geen vader meer maar een meneer die ik nauwelijks kende’. De vader die in haar jeugd maar een keer per week op bezoek komt, altijd ongemakkelijk, hij blijft veraf.

De passages waarin de dochter terugdenkt aan de momenten waarop ze met haar vader de speeltuin vlakbij het souterrain bezocht behoren tot de meest ontroerende van de roman, juist omdat die ontroering niet door sentiment wordt gecreëerd. ‘[… ] net zoals ik nooit heb gekeken als hij wegging uit het souterrain, dan pakte ik mijn vilten olifant en luisterde zittend op de grond naar zijn voetstappen buiten’.  Het is pijnlijk om keer op keer te lezen hoezeer ze haar vader heeft gemist ‘het aantal keren dat ik bij het parkje ben gaan kijken in de hoop u daar op een andere bank te zien zitten’. Nu is ze hard en verbitterd. Het is knap hoe Lobo Antunes tussen de verbittering door haar emoties toont. De liefde waar ze altijd naar hunkert. De vader die er wel maar vooral ook niet is. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel hij van zijn dochter houdt, en hoezeer hij haar altijd heeft gemist – die pijn is erger dan de pijn die hij nu fysiek voelt als langzaam stervende man.

Bij al zijn beslissingen speelde ook mee dat hij bang was dat haar moeder – die inmiddels is overleden – alleen zijn geld wilde, maar uit alles blijkt dat de moeder vooral verbitterd is geraakt door de weigering van de vader om zijn leven werkelijk met hen te delen. Zijn geld hoeft ze niet. ‘Ik hoef geen aalmoezen ik ben je hoer niet’. De ouders hebben een haat-liefde verhouding: ‘vol haat en tegelijkertijd een en al glimlach, ze snauwde hem weg en greep zijn arm vast, duwde hem van zich af terwijl ze aan hem trok’.

Armoede

De jonge vrouw die met de industrieel samenwoont en de advocaat worden ook gedreven door de armoede die ze hebben gekend in hun jeugd, waarbij daarnaast voor de advocaat ook nog het cynisme komt van de praktijken waar hij zich noodgedwongen mee bezighoudt; ‘terwijl ik gegoede lui help bestaand geld te stallen in niet-bestaande landen’. Steeds schemert door dat de industrieel heel goed beseft wat de jonge vrouw en de advocaat van plan zijn, maar het lijkt hem niet meer te deren en onbeschaamd zetten zij hun plannen door, waarbij de advocaat steeds het initiatief neemt: ‘ik zette de bankrekening van mijn cliënte over op mijn naam en nee, daar zat ik niet zo mee, zo is het leven, de grote vissen eten de kleine en worden op hun beurt gegeten door nog grotere dieren’.

‘Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels’. Zoals in bijna al het werk van Lobo Antunes zijn er zinnen die als een mantra terugkeren, de gedachtes die het leidende motief vormen en waarop steeds meer wordt gevarieerd, als een terugkerend motief in een symfonie. Het beeld is prachtig en laat alle ruimte voor die variatie die hij zo nodig heeft en die zijn stijl zo kenmerkt, ‘gedreven door het dwingende verlangen om een vorm te vinden voor gelijktijdigheid en meerstemmigheid’, zo karakteriseert Harrie Lemmens deze stijl treffend. Dit uit zich in herinneringen, gedachtesprongen, wisselingen van perspectief, maar de kracht van Lobo Antunes is dat bij dit alles de focus altijd blijft op het verhaal dat hij wil vertellen.

Herinneringen en eenzaamheid

Ouderdom en eenzaamheid zijn twee leidende motieven on deze roman. In zijn portrettering van de industrieel heeft Lobo Antunes autobiografische elementen verwerkt, zo leren we uit het nawoord van Harrie Lemmens: mede doordat hij al eerder door kanker werd getroffen was die nakende dood voor Lobo Antunes een angstbeeld. En naarmate we ouder worden krijgen we natuurlijk steeds meer herinneringen: ‘God wat zit ik toch vol voorvallen van vroeger’, zo denkt de industrieel, en later ‘de tijd vernielt je lichaam langzaam’. Die herinneringen, en daarmee de eenzaamheid, spelen zich allemaal af binnen dat universum dat onze gedachtewereld vormt, voor de psychiater die Lobo Antunes vooral ook was, bij uitstek het terrein dat hem door en door bekend was. ‘We hebben allemaal iets nodig wat ons verbindt met het verleden en ons helpt te geloven dat we in zekere zin misschien gelukkig zijn geweest.’ Zijn werk als psychiater is niet strikt gescheiden van zijn literaire werk, maar loopt er direct in door, een vloeiende lijn. En bij die herinneringen, bij dat ouder worden, neemt de eenzaamheid alleen maar toe: ‘eenzaamheid is een traan van een waterkraan die door het donker vanuit de keuken tot hier komt’.

António Lobo Antunes weet de diepere menselijke angsten, gevoelens en drijfveren altijd naar boven te halen. Zijn kracht ligt erin dat hij ogenschijnlijk ‘gewone’ levens weet uit te vergroten en zo een universeel karakter weet te geven, terwijl ze toch ook gewoon dat ogenschijnlijk ‘normale’ leven blijven. Ook in dit sterke sluitstuk van zijn oeuvre toont António Lobo Antunes aan dat hij tot de top van de wereldliteratuur behoort.

 

Recent