Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.
Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?
Dode kraai
De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.
Verdriet
Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.
Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.
Nouveau roman 2.0
De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).
Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.
Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.









