In Blauw of de kleur van blijdschap voert Anke Scheeren (1982) haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie: het promoten van windenergie in Mongolië. Egbert is een introverte en onopvallende man die zijn dagen slijt bij een duurzaamheidsbedrijf. Zonder nadere verklaring wordt hij uit zijn routine gerukt. De opdracht zaait vooral onzekerheid en onbehagen — hij voelt zich verre van de aangewezen figuur om in een vreemd land het gezicht te zijn van zijn bedrijf. Maar geleidelijk groeit Egbert in zijn rol en raakt hij verknocht aan het doel. Wat eerst een last was, gaat hij beschouwen als zijn eigen verantwoordelijkheid, bijna als een kwetsbaar kind dat om zorg vraagt.
Dat juist hij zich zo vastbijt in deze onderneming is alleen te begrijpen wanneer we achter zijn verlegen façade kijken. Vanaf de eerste bladzijde gunt Scheeren de lezer een blik in Egberts binnenste; een landschap even kil als schrijnend. Hij kan zichzelf omschrijven in ontluisterende bewoordingen: “Ik ben die jongen op de achterste rij van alle klassenfoto’s. Ik ben hard geworden kauwgom onder een schoolbank. […] Ik ben niemand, volstrekt niemand.” Deze sombere zelfportrettering vormt het startpunt van een reis die vooral een innerlijke blijkt te zijn.
De wereld als spiegel
De roman volgt Egbert door een ruig en spaarzaam bevolkt landschap dat zelden verlichting biedt. Mongolië met zijn eindeloze vlakten, koude straten en schaarse menselijkheid, ontvouwt zich in sobere, suggestieve beelden. Ontmoetingen blijven zeldzaam; communicatie blijft fragmentarisch. De fysieke leegte van de steppe weerspiegelt Egberts binnenste.
Egbert Klein doet denken aan Frits van Egters, de beroemde hoofdpersoon uit Gerard Reve’s De Avonden (1947). Net als Frits is Egbert een verlegen figuur die worstelt met zijn plek in de wereld en zich gevangen voelt in de sleur van alledag. Beide personages dragen een diep gevoel van ongemak en existentiële onzekerheid met zich mee, en hun innerlijke monologen onthullen een melancholie die even pijnlijk als herkenbaar is. Waar Frits cynisch en soms bijtend scherp observeert, blijft Egbert ingetogen, maar ook hij worstelt met vervreemding en een gevoel van zinloosheid. De stiltes en kleine momenten van desillusie bij Egbert resoneren sterk de toon die Reve neerzette: het schrille contrast tussen het alledaagse en de onuitgesproken dieptes van het innerlijk leven.
De oorzaak van Egberts onvermogen om geluk te ervaren, ontvouwt zich bijna geruisloos, tussen de regels. Een diepgaand persoonlijk drama behandelt Scheeren met spaarzame beknoptheid, alsof het zwijgen rondom deze pijn de zwaarte ervan alleen maar versterkt. Tegelijk groeit er een behoedzame verstandhouding, een broze en wederzijdse herkenning tussen Egbert en Batu, zijn gids. Deze subtiele terughoudendheid typeert Scheerens literaire handschrift. Zelfs momenten die naar openbaring neigen vergroot ze niet uit, maar laat ze bewust in stilte vervagen; een doordachte stilistische keuze.
Tragikomische gevoeligheid
Blauw of de kleur van blijdschap is geen conventioneel ontwikkelingsverhaal. Egberts aard wijzigt nauwelijks. Wel verandert het perspectief van de lezer: wie geneigd is Egbert als tragikomisch figuur te beschouwen ontwikkelt gaandeweg sympathie voor zijn aarzelingen en gelatenheid. Zijn gevoeligheid voor de wereld drukt zich uit in ongemak bij het onverwachte, een lichamelijke afkeer van verandering, in een subtiel ‘wurgend gevoel’ dat als een lichte druk door het verhaal loopt.
Toch is de roman niet zonder humor — wrange humor, weliswaar. De absurditeit van een onervaren werknemer die een campagne moet opzetten voor windmolens in een land waar de wind alomtegenwoordig is, biedt ruimte voor ironie. Scheeren benut die, zonder haar te expliciteren. De worsteling om de missie te laten slagen krijgt geen melodramatische glans, maar is het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat mensen inzet als pionnen, zonder oog voor hun eigenheid.
Taal als sfeerdrager
Het taalgebruik is overwegend sober en zorgvuldig: Scheeren verkiest precisie en suggestie zonder zich op te dringen, zodat de lezer ruimte krijgt om Egberts emoties en gedachten zelf te ervaren. In enkele scènes wijkt ze bewust af van deze sobere stijl en kiest voor een lyrischer taalgebruik: voor de ontmoeting met het paard gebruikt ze beeldende, bijna dromerige taal waardoor het onduidelijk blijft wat feit is en wat verbeelding. Ook in de zwemscène met het kind wordt de melancholie versterkt door intenser en beeldender taalgebruik, waardoor de emotionele betekenis van het moment tastbaar wordt.
Of Egbert zijn opdracht volbrengt mag voor hem persoonlijk van belang zijn, voor het verhaal is het ondergeschikt. De kern van deze roman ligt niet in het resultaat, maar in de reis: traag, onbeholpen, pijnlijk soms. Blauw of de kleur van blijdschap is een roman die zich niet opdringt, maar onderhuids werkt. Scheeren onthult de leegte en het onvermogen van haar hoofdpersoon: niet met grote gebaren, maar met subtiele nuances. De lezer die zich aan het trage ritme overgeeft, ontdekt dat dit boek dat zijn kracht ontleent aan terughoudendheid, en dat stilte evenveel kan zeggen als het gesproken woord.









