Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

Recensie door: René Leverink

Onlangs draaide in de filmhuizen de documentaire 2000 meters to Andriivka van de Oekraïense regisseur Mstyslav Chernov. De film gaat over de strijd in 2023 om het door de Russen bezette, inmiddels volledig verwoeste, maar logistiek en psychologisch belangrijke dorp, Andriivka. De route ernaartoe gaat door een smalle bosstrook van twee kilometer. Als kijker zit je midden in de oorlog – de beelden komen van bodycams en filmers ter plekke. Links en rechts liggen lijken van gesneuvelde soldaten. Wie Andreas Latzko’s Mensen in de oorlog leest, beseft dat er in ruim honderd jaar nauwelijks iets is veranderd op het slagveld.

Niemand kent hem meer, maar de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd na de publicatie van Menschen im Krieg (1917) een beroemdheid in Europa. Hij had zich als journalist vrijwillig aangemeld voor het leger, hoewel hij daarvoor was afgekeurd vanwege zijn ‘allesbehalve Herculische lichaamsbouw’, zoals (de voortreffelijke) vertaler Marcel Misset in zijn nawoord uiteenzet. Hij citeert uit Latzko’s autobiografische uitgave Levensreis: ‘Terugkeren naar de dadenloosheid? Als door een bliksemstraal kwam ik tot de ontzettende erkenning dat het ging om veel meer dan alleen om de onvermijdelijke onvrijheid voor de duur van de oorlog. (…) Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen.’

Eigen ervaringen

Tegen de oorlog getuigen, dat is wat Latzko primair voor ogen had met het schrijven van Mensen in de oorlog. Hij koos daarvoor de vorm van een aantal literaire verhalen. Het boek is geen ooggetuigenverslag, maar lijkt wel gebaseerd te zijn op Latzko’s eigen ervaringen op het slagveld. Die waren zo aangrijpend en afgrijselijk dat hij veertien maanden na toetreding tot de ‘wapendienst’ verworden was tot een geestelijk wrak. Hij gaat naar Zwitserland om te revalideren. ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’

Het eerste verhaal dat hij ‘met bevende handen’ opschrijft, is Heldendood. Het gaat over de zwaargewonde eerste luitenant der reserve van het veldartillerieregiment Kadar, die in zijn koortsdromen op het lichaam van zijn manschappen geen hoofd ziet, maar een grammofoonplaat van de nationalistische Rákóczi-mars, die ze net nog in hun schuilplaats hadden gedraaid ‘toen plotseling die verdomde granaat kwam aangefloten en alles in een wolk van rook en aarde verdween’. Na Heldendood werkt Latzko verwoed verder aan zijn anti-oorlogsboek, dat op 3 juli 1917 verschijnt. ‘Hij schrijft’, aldus Marcel Misset in zijn nawoord, ‘om de oorlog een halt toe te roepen’. De verhalen zijn geschreven vanuit het directe perspectief van de hoofdpersonen, haast zoals geregistreerd door de bodycams in 2000 meters to Andriivka.

Opgejaagde huisvaders

De afmars speelt zich af in de tuin van een militair hospitaal in een Oostenrijks provincieplaatsje, achter het front, waar gewonden en een paar van hun echtgenoten in alle rust met elkaar converseren en filosoferen over de oorlog en het leven, totdat de hysterische uithaal van een getraumatiseerde luitenant de idylle wreed verstoort. De vuurdoop is het verhaal over de goedhartige, besluiteloze kapitein Marschner en zijn jonge, fanatieke luitenant Weixler. Hun compagnie staat op het punt de collega’s in de loopgraven af te lossen. Weixler (een ‘twintigjarige ijzervreter’) kan niet wachten tot het zover is en blaft zijn manschappen af. Marschner heeft vooral ‘een gloeiend, grenzeloos medelijden met deze arme, opgejaagde huisvaders, die zich zo gelaten zwijgend voorbereidden, die hun levens als het ware in hun handen namen als een kostbaar vat om naar het slagveld te dragen en de vijand voor de voeten te werpen alsof het iets waardeloos was wat daar in scherven zou vallen!’

In een dorpje achter het front zijn onder leiding van een niet met name genoemde ‘Zijne Excellentie’ enkele honderden stafofficieren ingekwartierd. Hij is de overwinnaar in het gelijknamige verhaal, omdat hij ooit als opperbevelhebber de slag bij ‘***’ had gewonnen. Nu zit hij zich te verbijten in het gezellige plaatsje, waar in de verte de oorlog te horen is. Hij wil het slagveld op. ‘Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger [een journalist die hem had gevraagd wanneer er op vrede gehoopt mocht worden [RL] dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag: een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult?’ Dan eindelijk: het trommelvuur. ‘Godzijdank! Het was nog oorlog.’

De waanzin van de oorlog

In De Kameraad – Een dagboek is de ik-figuur met shellshock opgenomen in het hospitaal. Hij mijmert over alle verschrikkingen die hij heeft meegemaakt. Hij wordt als krankzinnig beschouwd, terwijl hij de enige is die de waanzin van de oorlog ziet. Zijn observaties zijn verrassend actueel: ‘Ik zie de hele meute! De schreeuwers, die te hol en te traag zijn om hun eigen ik te ontwikkelen, maar zich koesteren in de glanzende lof die niet hun maar hun kudde toekomt. De schurken, die beschermd en gesteund door de massa schijnheilig opkijken naar een door henzelf opgeroepen spookbeeld dat ze er bij miljoenen brave lieden inhameren tot die massa hart noch verstand meer heeft, alleen nog razernij en een blind geloof.’ het was nog oorlog’

De thuiskomst is het tragische verhaal van Johann Bogdán, wiens toegetakelde gezicht door zeventien operaties alleen maar afstotelijker is geworden. Voor de oorlog had hij, ‘de mooiste man van het dorp’, een vriendin, de aantrekkelijke Marcsa, en een baan met aanzien als koetsier van het slot. Nu wil niemand meer iets met hem te maken hebben. Ook hier schildert Latzko het lot van ‘mensen in de oorlog’, omdat hij weet dat zijn lezers minder geraakt worden door grote getallen, kille statistieken en uitvoerig beschreven veldslagen, dan door verhalen over mensen als zijzelf, over wat er met hen kan gebeuren zodra ze zelf met de oorlog van doen krijgen. Uitgeverij Jurgen Maas verdient alle lof voor het aan de vergetelheid ontrukken van dit indrukwekkende, akelig actuele document humaine.

 

 

Recent