In de Regenboogreeks van de Groningse uitgeverij Kleine Uil is kortgeleden De huilende libertijn van Andreas Burnier opnieuw uitgegeven. Deze derde roman van Burnier uit 1970 wordt wel haar meest feministische boek genoemd. De heruitgave is een nieuw wapenfeit in de Burnierherleving van de afgelopen jaren: in 2010 is de stichting Andreas Burnier opgericht en in 2015 verscheen een biografie over haar van Elisabeth Lockhorn. Deze biografie ging bij Burniers twintigste sterfdag in 2022 in herdruk, toen ook de privédomeinuitgave Elk boek is een gevaar verscheen met autobiografische teksten, samengesteld door Ronith Palache. In datzelfde jaar gingen bij uitgeverij Atlas zowel Burniers debuut Een tevreden lach (1967) als Het jongensuur (1969) in herdruk. Het jongensuur verscheen daarna voor het schooljaar 2024-2025 als Lijsteruitgave (bij Noordhoff) voor middelbare scholieren en in diezelfde periode werd door Toneelschuur Haarlem het stuk Jongensuren opgevoerd, gebaseerd op Burniers eerste twee romans. Dit stuk is in september 2025 zelfs in reprise gegaan.
De aanhoudende hernieuwde aandacht voor Burniers werk en deze heruitgave van Kleine Uil passen naadloos bij de maatschappelijke bewustzijnsgolf van het laatste decennium waarin #IkOok, woke, lhbtqia+ en vrouwonveiligheid een rol spelen. Op iets voorbij een derde van De huilende libertijn loopt hoofdpersoon Jean Brookman ’s avonds door een Noord-Frans dorpje op weg naar huis. Ze hoort voetstappen achter zich en schrikt. ‘Niet weglopen als je bang bent’ is een wijze les van haar moeder, dus ze blijft staan. De betreffende man verbaast zich erover dat zij als jong meisje bij avond en duisternis alleen over straat loopt. ‘Ja (…) en u loopt ook alleen hier en (dat is) zowel uw als mijn goede recht,’ antwoordt Jean. De werkelijkheid blijkt ook daar en toen weerbarstiger. ‘Moreel, wijsgerig, historisch, de facto en sociologisch had ik het grootste gelijk van de wereld,’ zegt de schrijfster – maar ze krijgt het niet, blijkt uit het vervolg in de roman.
Strijdbare libertijn
De huilende libertijn gaat over Jean Brookman. Ze is aan het begin van het verhaal 22 jaar en woont dan al drie jaar samen met Corinne. Ze heeft een ‘crush’ op de oudere kunstenaar en intellectueel Laïs, die nog vele andere meisjesaanbidsters heeft. Voor Laïs reist Jean naar Málaga, waar ze Laïs’ onbereikbare, geliefde Stéphanie moet opzoeken. Via Stéphanie komt Jean in contact met de Spaanse Paola. Paola werft en traint partizanen voor een bevrijdingsbeweging, we schrijven 1970, die het Francoregime omver moet werpen. Jean sluit zich aan bij een trainingsgroep maar met een dubbele agenda, namelijk het oprichten van een geheime academie voor vrouwenbevrijding. Deze zal vrouwen gaan trainen en opleiden opdat ze sleutelposities in de wereld kunnen verwerven en uiteindelijk de macht over kunnen nemen van de heersende mannen. Vijftien jaar later is de geheime academie van Jean ver gekomen, maar tot een volledige machtsovername komt het nooit. Er zijn weliswaar meer prominente vrouwen in de wereld, er zijn wat meer kansen, maar ‘de totale structuur krijg je niet omver’. Bovendien zullen vrouwen het leger nooit in handen krijgen en zijn ze fysiek niet opgewassen tegen het geweld van politiemachten bij grote demonstraties. Die demonstraties vinden plaats, maar worden inderdaad gewelddadig neergeslagen. Op veertigjarige leeftijd is Jean niet meer de romantische redder van de vrouw. Ze schrijft gedichten en hoopt voor haar vijftigste één boek te publiceren: Beyond Reductionisme.
De kracht van de roman zit ‘m in de eerste plaats in de zelfverzekerde en volstrekt autonome toon waarmee de hoofdpersoon en de schrijfster het heersende ‘seksefascisme’ beschrijven en verwoorden en zich in een wereld vol onderdrukking bewegen. In De huilende libertijn is sprake van een parallelle wereld van vrouwen die zich, zoals het een libertijn betaamt, niet aan de gevestigde regels van geloof en moraliteit houden. Burniers personages zijn vrouwen die de vrouwenliefde uitbundig consumeren: jong en oud, kunstenaar, studente, activiste en diplomate. En ook al zijn ze als vrouwen tweederangsburgers, zoals de libertijnen in het antieke Rome – vrijgelaten slaven die wel enkele, maar niet alle menselijke rechten genoten – ze trekken zich daar niets van aan en leven hun leven dwars door beperkingen, vooroordelen en gevaren heen. De sterke toon van de roman uit zich daarnaast in een hilarische schrijfstijl die bol staat van aanstekelijke hyperbolische beschrijvingen, cynisme en grimmige humor. De ‘alleenheersende sekse’ die de vrouwelijke helft van de mensheid doelbewust en structureel onderdrukt krijgt er voortdurend van langs. Het zijn ‘rancuneuze baardmansen en kakkineuze vestdragers’ die hun eigen belangen en die van hun bevriende seksegenoten behartigen. Vrouwen worden door hen uitgebuit als huis- en lastdier. ‘Tradwifes’ noemt Burnier ‘aan masochisme verslaafde huis- en industrieslavinnen’.
In de nieuwe wereldorde waar Jean en de haren voor vechten worden de rollen omgedraaid. Vrouwen hebben op tal van plaatsen in de wereld sleutelposities verworven: van het Engelse Lagerhuis tot aan universiteiten in Caïro en Karachi. Meisjes zijn van jongs af niet meer afhankelijk van jongens en mannen maar geconditioneerd tot het gebruik van mannen als consumptiegoederen of huisbedienden: een vriendje dat voor hen kookt, wast, typewerk verricht. Voor de broodnodige seksuele bevrediging van heteromeisjes en -vrouwen zijn er jongensbordelen. De omdraaiing wordt wat potsierlijk bij de introductie van het heilige boek ‘Lebijb’ met de hemelse Moeder en de verwachte terugkeer van Haar Dochter als Verlosser op aarde.
Vrouwenbevrijding
De huilende libertijn is vooral geschreven vanuit hoofdpersoon Jean Brookman die optreedt soms als ik-persoon en soms als de oudere vertelster die ze aan het eind van het boek is. Deze twee stemmen vallen uiteindelijk samen. Daarnaast is de schrijfster Burnier zo nu en dan expliciet aanwezig. Ze spreekt de lezer toe om iets uit te leggen, bijvoorbeeld dat een roman meestal bewust gestructureerd is of dat een ik-verhaal niet per se op waarheid berust. Zo nu en dan is er ook een enigszins flauwe passages toegevoegd waarin ze de lezer uitlegt waarom ze kiest voor een bepaalde beschrijving: ‘ik had nou inenen gloeiende zin om (…) die vervelende etter, die gluiperd, die stinkende otter (etc.) eens mooi het Binnengasthuis in te slaan.’ Ook het gedeelte waarin ze een verteller/vertaler, een uitgever en zijn vrouw tussen haakjes commentaar laat leveren is bijzonder.
De Joodse wetenschapster met een heftig WOll-onderduikverleden Catharina Irma Dessaur, zoals de schrijfster Andreas Burnier eigenlijk heet, is duidelijk in deze roman te herkennen. Haar niet-aflatende gevecht tegen vrouwenonderdrukking en haar strijdbaarheid voor de vrouwenliefde zijn hoofdthema’s van het boek. Er wordt een menora ontstoken en uitgekeken naar ‘joodse bruidjes’, 99 procent van de ‘duitse’ (standaard door Burnier met een kleine letter geschreven) literatuur bestaat uit verward ‘gezeur en gezeik’. En vooral Jeans hang naar kennis valt op. Ze wil niets liever dan altijd blijven leren, ‘eeuwige consumptie’ noemt ze het. Ze studeert filosofie maar zou ook graag fysica en sterrenkunde, biochemie en biologie studeren – alles beter dan ‘iets met een studie te moeten gaan doen’ (‘o duister schrikbeeld, o ravijn van verval’).
‘Voor een vrouw is het voldoende als zij voor een hooiwagen opzij kan gaan’, was de lijfspreuk van Corinnes grootvader. In het licht van de vrouwenstrijd is het eindresultaat zowel in de roman als in de echte wereld misschien om te huilen. Jean concludeert enigszins gedesillusioneerd: ‘Het hoogst bereikbare is dat er in plaats van tien, honderd vrouwen op deze aarde als mens kunnen leven.’ Maar voor wie zich herkent in de strijd en het leven in de marge is de roman een feest van herkenning en een verademing om te lezen, zeker ook door Burniers scherpe stelligheid en aanstekelijke humor. Kleine Uil wordt bedankt voor deze heruitgave.











