Een vrouw van een jaar of zeventig loopt met grote passen op me af, pakt mijn hand en zegt dat ze zo blij is dat er in Grand Rapids eindelijk iemand aandacht besteedt aan ‘My guy Scholte’. Zij is oorspronkelijk afkomstig uit Pella (Iowa) en vindt het maar niks dat Scholte in Michigan niet meetelt. Hier is Albertus van Raalte de grote man, over wie bijna ieder jaar wel een boek verschijnt, terwijl haar Scholte, die toch minstens zo interessant is, er wordt doodgezwegen. Vindt zij.
Ik ben op het Theologisch Seminarium van de Calvin University om samen met de in Pella wonende Bruce Boertje een lezing te geven naar aanleiding van de verschijning van de Engelse vertaling van mijn beide historische romans over Hendrik Peter Scholte. Tot mijn grote verbazing zijn er meer dan 100 mensen op de lezing afgekomen en, zo vertelt organisatrice Sonja de Jong vol trots: ‘Online luisteren en kijken ook nog 150 mensen mee.’
Zelden werd ik enthousiaster ontvangen bij een lezing. Zelden ook waren de geluidsinstallatie en het projectiescherm zo professioneel als hier. Vier jonge mensen waren continu in de weer om de zaken te regelen. Het leeft hier allemaal nog, al zijn de bezoekers – alumni van Calvin University – wel allemaal boven de zestig. Tijdens mijn lezing wordt er veel gelachen. Terwijl ik toch echt niet leuk wil zijn. Volgens vertaalster Carol Hoeksema lachen ze ook omdat ze mijn accent zo grappig vinden. Ik knauw niet als een Amerikaan en mijn uitspraak houdt het midden tussen een betere versie van Rutte en die van mijn middelbare schooldocent Jan Bertens.
Uit de vragen die mij gesteld worden blijkt dat sommigen heel goed op de hoogte zijn en een docent Engels heeft mijn boek zelfs in drie dagen uitgelezen. Hij wil graag weten of Scholte zelf niet beter is geworden van de landverkoop in de kolonie Pella. Ik kan hem verzekeren dat Scholte een ‘fair price’ heeft gerekend en dat niet ik dat heb onderzocht maar de in Grand Rapids hooggewaardeerde professor Robert Swierenga. Dat maakt me meteen geloofwaardig.
Een dag later spreek ik in het Museum van Holland, de stad die door dominee van Raalte in oktober 1846 werd gesticht. De kleine zaal is vol ook al moeten de bezoekers entree betalen. Voorafgaand aan de lezing ontbijten we bij restaurant De Boer, die ook als bakker van traditionele producten als speculaas en krentenbrood zijn broek ophoudt. Voorvader De Boer was afkomstig uit Kollum. De huidige eigenaar De Boer komt, als we aan de maaltijd zitten, naar ons toe om de mensen uit zijn vaderland te begroeten. Hij spreekt zelf geen enkel woord Nederlands meer, maar trakteert ons wel spontaan op ‘Sinterklaas Kapoentje’ dat hij met volle bariton zingt. Dit feest wordt hier nog altijd gevierd.
Als bakker van traditionele Nederlandse producten heb je er natuurlijk belang bij dat dit feest gevierd blijft. Ik heb hem maar niet verteld dat Scholte wilde dat de landverhuizers zo snel mogelijk Amerikanen werden. Maar de meeste volgelingen, hier in Holland, maar ook in Scholte’s Pella hielden tradities vast. Zo wordt er in beide steden een Tulip Festival gehouden, waar klompen en klederdracht tevoorschijn worden getoverd. Het is een meerdaags feest waarvoor heel de gemeenschap als vrijwilligers tienduizenden bezoekers vermaken. Het is een feest voor iedereen en zeer in het bijzonder voor de plaatselijke middenstand. Volgende week gaan we dit feest meevieren in Pella, waar ik nog een lezing zal geven.
Na afloop van de lezingen komen mensen enthousiast op me af. Of ik met hen op de foto wil en of ik het door hen gekochte boek wil signeren. Even, heel even heb ik het gevoel dat ik een beroemde schrijver ben. Maar het draait hier niet om mij, maar om dominee Scholte: ‘He’s our guy, you know.’
`






