‘Mijn jeugd was geen succes. In de jaren waarin ik van jongen opgroeide tot man was ik een bron van zorg voor maatschappelijk werkers, een gezinsvoogd, een toeziend voogd, een voogdijvereniging, kinderrechters, groepsopvoeders, pleegouders, de Raad voor de Kinderbescherming en wellicht mijn biologische ouders.
Uiteindelijk ben ik toch nog redelijk goed terecht gekomen, …’.
Zo begint Hopman, het openhartige relaas van Rudie Kagie, een ex-voogdijpupil die op zijn twaalfde een journalist ontmoet die zich opwerpt als zijn mentor, reddende engel en tweede vader. Er groeit een onconventionele vriendschap tussen de verstokte vrijgezel en het naar liefde hunkerende verschoppelingetje. Samen gaan ze op zoek naar de vrouw en moeder die het gezin compleet zal maken. Maar alles loopt anders. Rudie Kagie (1950) schreef al eerder over zijn jeugdervaringen met de kinderbescherming in Schuifkaas (2011). Volgens de Volkskrant was dat ‘een klein meesterwerk’, en Trouw noemde het ‘hartverscheurend mooi’.




