De droom van elke cel
Maricela Guerrero is een Mexicaanse dichteres die in 2006 debuteerde. Ze heeft inmiddels een aantal dichtbundels op haar naam staan, waarvan De droom van elke cel (2018) door Lisa Thunnissen uit het Spaans vertaald werd. In een afdeling van deze bundel is een lerares biologie aan het woord, mevrouw Olmedo genaamd, die door middel van plantkunde de relatie tussen mens en natuur verheldert. De taal staat daarbij centraal: de taal van de plantkunde met haar Latijnse namen, maar ook de vergelijking tussen plant en taal: vertakkingen, afstamming, netwerk. Sommige gedichten laten zich dan ook lezen alsof ze uit een biologieboek genomen zijn, maar de onderliggende betekenis gaat dieper. Er lopen wolven door de bundel, die saamhorigheid aanduiden en zorgzaamheid. Natuur en mens moeten verenigd en beschermd worden. Guerrero roept op tot doorbreken van het ‘imperium’, tot opstand en verzet. Vertaalster Thunnissen schreef een verhelderend nawoord.
‘Tonaliteiten
Er klinkt gespin, gebries dat maant:
Het regent harder dan verwacht en de aarde brult:
een daad van wederopbouw:
we dromen wordingen bladgroen
herstel:
adem:
regen
op de planten en de bomen op het braakland van hiernaast:
tonaliteiten
waarin de dag weerklinkt
dat we elkaar ontmoetten
en geliefden werden
netwerken
en verzoenende blikken.
Een wolvin ligt op de loer hoog in het bos’
Ik trek mijn species aan
Hoe vaak gebeurt het dat een dichtbundel meerdere drukken mag beleven? Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen werd in 2014 voor het eerst gepubliceerd en mag zich dit jaar verheugen in een vierde druk. Het is Janssens derde bundel, waarin ze als dichter onderzoekt hoe je je als individu staande kunt houden te midden van alle anderen. Wat is belangrijker: het bewaken van je eigen identiteit of het gevoel bij een groep te horen? Zijn we onderling inwisselbaar of onderscheiden we ons door onze kenmerken? Zijn we als mensen vervangbaar of blijft de herinnering aan onze eigenheid bestaan? Janssen beschrijft op geheel eigen wijze hoe de wereld geschapen zou kunnen zijn, waarbij de taal een grote rol speelt. Leven en dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en gaan naadloos in elkaar over: elk einde betekent een nieuw begin. Zowel bijtend als teder dicht Janssen over een universum dat ze zelf geschapen heeft, zoekt ze naar betekenis van zoiets vergankelijks als een mensenleven, naar manieren om te overleven en om tot de kern van jezelf te komen.
‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist
door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.
We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.
Wat deed ik daar
Tsead Bruinja gaf zijn bundel Wat deed ik daar de wijdlopige ondertitel ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’ mee. De ironische toon die in in de ondertitel gezet wordt, is de opmaat voor de rest van de bundel. Of het werkelijk biografisch te noemen is, blijft in het ongewisse: weliswaar neemt Bruinja in de bundel diverse rollen op zich en vertelt hij over zijn jeugd, zijn ouders, het dorp waar hij opgroeide, maar dat hoeft niet allemaal waar te zijn. Eerder is het een zoektocht naar hoe hij in het leven staat. De gedichten zijn divers van vorm en inhoud: prozagedichten, een dialoog met ChatGPT, liefdesgedichten, zowel in het Nederlands als soms ook in het Fries. Er is een afdeling met gedichten waarin de dichter gesprekken voert met ouderen in een zorginstelling en zich daarbij zo inleeft, dat elk gedicht begint met de metamorfose van de dichter in de ondervraagde. Ontroering en humor gaan hier hand in hand.
‘lentige herfst winterig zonnetje
als ik mij straks enigszins krakkemikkig zonder mijn jeugdigheid te verliezen
langs geluk gebrek en ongemak richting een nieuwe onbekommernis begeef
hoop ik dat het waar is wat ze zeggen en meer nog hoop ik dat het niet alleen
een dorp vergt om een kind groot te brengen maar er evenzogoed een dorp
voor nodig is om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen
zodat ik onderweg naar het gedroomde hiernamaals of de sublieme stilte
bevrijd van achterdocht en argwaan ervan uit kan gaan dat ik genoeg fooi
op de toog heb laten liggen om het er een keer op aan te laten komen’
Deze bundel is genomineerd voor de 3- of 4 jaarlijkse Karel van de Woestijneprijs.








