In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.
Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt.
Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’




