In het voorjaar waren de twee kauwtjes weer begonnen met het bouwen van hun nest onder de dakpannen. Elke ochtend werd ik al heel vroeg wakker van het geklop, getimmer, gebonk en gescharrel in de dakgoot. Als ik dan de tuin in liep, lag het pad bezaaid met takken van soms wel een halve meter lang, met touw en pluis, veertjes, haren en plastic zakken. Ik kon niet anders dan me verwonderen over de jaarlijks terugkerende, blinde drift tot gehoorzaamheid aan de natuurwet van voortplanting en overleving, waar de kauw het symbool van is, omdat hij intelligent genoeg is om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Maar mijn nieuwe buurman, een jonge gast, werd helemaal gek van dat aannemersbedrijf boven zijn hoofd. Uitslapen in het weekend was er niet meer bij, zei hij. Hij wilde het nest afbreken en weggooien, en of ik de ladder wilde vasthouden? Ik protesteerde dat er misschien al wel eieren in lagen, maar hij zei dat er al genoeg kauwtjes op de wereld waren. Wie bepaalt dat, dacht ik, en mogen er daarom niet meer komen?
Toen hij toch naar de dakgoot klom en aan de uitstekende takken van het nest begon te rukken, cirkelden de twee vogels nijdig krijsend rond zijn hoofd om hem te verjagen. Als hij geen baseballpetje had gedragen, dan hadden ze zijn hoofdhuid tot bloedens toe opengepikt. Het scheelde weinig of hij viel van de ladder af. Hij moest het opgeven en zei dat hij het nog wel eens zou proberen als de kauwen voorgoed weg zouden zijn. Ik heb maar niet gezegd dat deze vogels niet alleen trouw zijn aan elkaar, maar ook aan hun behuizing.
‘Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
dat denken in mensen in dierenkoppen.’
Nu zijn de jongen uitgevlogen, het nest is leeg en verlaten. Maar volgend jaar zullen de kauwtjes er weer zijn, net als voorgaande jaren. En ik verheug me op hun komst. Omdat ze me doen hopen dat alles steeds opnieuw kan beginnen. Nu overal in de wereld van alles kapot wordt gemaakt, landen, steden, mensen, is het een geruststelling om van de kauwtjes te leren dat vernietiging en uitroeiing niet voor eeuwig door kunnen gaan. Een gebombardeerd land, een leeggeroofd nest, het maakt allemaal deel uit van hetzelfde, het verschil is er alleen in graad. Maar nestrovers en vernielers, ze zullen aan het kortste eind trekken, waar ook ter wereld. Noem me naïef, noem me sentimenteel, maar ik wil blijven geloven dat ‘De zachte krachten zullen zeker winnen/ in ’t eind’ van Henriette Roland Holst geen inhoudsloze versregel is. En dat mensenrechten overeind zullen blijven, om te leven in vrijheid en veiligheid, om een gezin te stichten, zonder enige beperking op grond van ras, gender, nationaliteit of godsdienst. Met voor ons allemaal een warm nest om in te schuilen.
Uit: Sasja Janssen, Happy, 2017
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.































































