Met de kerstdagen gaan wij dit jaar naar een restaurant. Ik zie er tegenop om thuis te koken: een van onze kring is vegetariër, twee moeten glutenvrij eten, eentje eet halal, en een heeft diabetes waarmee rekening moet worden gehouden. Kerstmis heeft ook niet voor ieder van ons dezelfde betekenis. Ons kleine gezelschap bestaat uit een afvallige katholiek, een vrome moslim, drie overtuigde atheïsten, een orthodox-christelijke gelovige en een twijfelende agnost. Het wordt vast een feestelijke bijeenkomst, maar de reden ervoor is bijna uit het geheugen verdwenen.
Ik denk een beetje weemoedig terug aan Kerstmis toen ik klein was en mee mocht naar de nachtmis. Hoe ik van mijn moeder dikke truien moest aantrekken, met kranten op de borst tegen de felle kou. Hoe we naar de kerk liepen en onze voetstappen kraakten in de sneeuw. Het gezang in de kerk, dat wel van engelen leek te komen, de lichtjes, de kaarsen. En dan door de stille nacht naar huis, waar mijn vader op ons wachtte met hete chocolademelk en zelfgemaakte worstenbroodjes. De wereld was nog veilig klein en vredig. Nu is de wereld groot geworden en verre oorlogen zijn verontrustend dichterbij gekomen.
Maar met Kerstmis praten we niet over politiek, niet over de brute inval in Oekraïne of de verschrikkelijke slachtingen in Palestina. Voor één keer in het jaar wil ik ogen en oren sluiten voor alle ellende in de wereld en denken aan ‘vrede voor mensen van goede wil’. Maar die vertaling van Lucas 2:14 is in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2021 veranderd in ‘vrede voor mensen die God liefheeft’, waarmee een onderscheid geschapen wordt dat niet verbindt maar verdeelt. Bovendien ligt de nadruk nu op de willekeur van het opperwezen en niet meer op goede intenties van de mensen.
Ik denk aan Kerstmis 1914, toen twee vijandige legers het kerstfeest met elkaar vierden vanuit de loopgraven en de waanzin van de oorlog voor één nacht vergeten werd. Dat na het kerstbestand de wapens weer werden opgepakt, doet niets af aan het feit dat zij bereid waren zich te verbroederen in de wetenschap dat zij allen als lammeren naar de slacht gestuurd waren om te sneuvelen voor een politiek geschil waarvan ze de reden niet kenden. In die éne nacht was er vrede, omdat zij van goede wil waren.
‘Kerstvrede
Er werd gevuurd en gekorven,
In de loopgraaf werd het stil.
Vredeloos zijn gestorven
Menschen van goeden wil.
Thans naket de ongeëvenaarde
Wonderzachte nacht.
Wit staat de dood op wacht.
Gods kinderen hebben de aarde.’
Nu wankelt de wereld opnieuw omdat de machtsverhoudingen scheefgetrokken zijn. Wie het hardst schreeuwt, krijgt de meeste aandacht. Voor velen is de nacht nooit meer stil en vrede lijkt een vergeten begrip te zijn. Waar zijn nu de mensen van goede wil, die hun wapens weggooien en zich verbroederen met hun vijanden? Niet in de politiek, niet in de kerken, niet eens meer in de Bijbel. Misschien vind ik ze in het restaurant.
Uit: De zware kroon van René De Clercq (1877-1932)
Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.































































