En de pompoenen, die zich lang hulden in de belofte van een groter groeien, liggen zomaar naakt tussen verwelkend pompoenblad. De aanblik daarvan ontneemt me iets. Zoals ze zijn, passend in een hand, oogst ik ze. Deemoedigheid, dat dus ook. Het moet de herfst wel zijn, wie of wat maakt anders dat ik me zo vol van, (ja van wat eigenlijk), voel. Noem het hardvochtig, de herfst. Want sterker dan het koude ijs in de winter, drijven deze vochtige, zacht druppende dagen me in de hoek van de troostzoekers. Lees dit als zijnde overpeinzingen tijdens het vegen van de stoep. Wat ik enkel doe in woorden, ten dienste van deze column. Daar kwam toen ook de buurman bij.

‘Ah’, zei de buurman toen hij met zijn scooter over het met  bladeren bezaaide pad zijn voortuin uit reed. ‘hoog tijd voor de bladblazer.’ Ik riep dat een bezem voldeed, maar hij was al weg. En zie, daar begint het al, zelfs een bladblazer maakt me weemoedig. Al dagen achtereen pak ik dezelfde dichtbundel op. Alsof er niets anders te lezen is, wil ik beleven hoe onuitspreekbare dingen door woorden tastbaar worden. Ik wil, om mezelf te leren kennen, steeds opnieuw ervaren hoe uitstelgedrag in poëtische taal klinkt. Lyrisme overvalt me bij het lezen van het gedicht over een gebroken relatie. Hoe in kleine dingen het definitieve verborgen zit. De beslissende rol van een deurbel, het werkelijke einde van een relatie in die laatste regel.

‘En op een dinsdag stond je voor mijn deur
Je ogen leken uitgehuild en dof. De bel vloog
als een valbijl door de kamer heen en sneed ons los.’

Lyrisme, ik zei het al, het bevangt me telkens weer. Zoals hier, over niet in beweging komen waarin de afwezigheid van iemand in weemoedige observaties aanwezig is. ‘De tafel is sinds een maand te groot voor mijn bestaan: / loze ruimte rond de randen, Rorschachvlekken op het blad // en een vastgeplakte krant die ik kan lezen als ik te laat / wil weten hoe het de wereld is vergaan.’

En dan lees ik opnieuw over pakketjes die nooit zijn aangekomen of afgehaald en nu te koop worden aangeboden. Onuitgepakte dozen, waarin alles zit waaraan ik mij spiegel. ‘Je koopt er eentje op de tast’ en fietst ermee naar huis, zet de doos in een kast. En dan:

‘De volgende dag zet je de doos op bed, onuitgepakt
Klaar om het plakband er eindelijk vanaf te scheuren –
je doet het niet, wacht af en alles kan je nog gebeuren.’

Dat is het. Dat alles nog kan gebeuren, de belofte van het niet weten ‘dat houdt de moed erin’, zou mijn vader zeggen.

In sommige gedichten voel ik de vleugelslag van vorige dichters. Bij de regels, ‘- je wilt het wel / maar krijgt de treurbuis niet meer uitgezet.’, komt even Komrij voorbij. En, (lichtjes maar toch) die van Herzberg en Perquin in, ‘Ik ben de dakloze / (…) / De demente man (…) / En het kind dat struikelt, valt. / hartverscheurend om zijn moeder snikt: / zowel de moeder als dat kind, ben ik.’ Daar zit het (wat zit daar?), het zoekende, het verlangen naar, het behouden van, de troost ook, en eenzaamheid.
Deze prachtige bundel is een belofte der dingen. Dat het nog alle kanten op kan, bevalt me zeer. Lees het!

 

Troostpogingen / Twan Vet / De Bezige Bij (2025)


Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

 

 

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: