Op donderdag 23 januari overleed dichter en schrijver Esther Jansma aan de gevolgen van kanker in een hospice in Utrecht. Ze was al lange tijd ernstig ziek. In 2022 zou Jansma met haar bundel De spronglaag, de eerste Meander Live in het Luxor Theater in Zutphen – waar dichters hun laatstverschenen bundel integraal voorlezen – openen. Ze was toen al zo ziek dat haar man Wiljan van den Akker het van haar overnam en haar bundel in een sessie voorlas. Over hoe het met haar ging plaatste ze de laatste twee jaar ook geregeld korte stukken op facebook. Daarin voerde ze, zoals ook in haar gedichten, verzonnen personages op die over een moeilijk te verteren werkelijkheid spraken. In deze was er een klein Esthertje die commentaar gaf op het verdwijnen van energie, van levensmoed van de grote Esther. Een kleine Esther die gevoelens van wanhoop en verdriet relativeerde.
Jansma debuteerde in 1988 met Stem onder mijn bed. Waarna er nog tien dichtbundels en een essaybundel verschenen.
In november 2024 werd ze, vanwege haar wetenschappelijk en literair werk, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voor haar waardevolle bijdrage aan de poëzie en dendrochronologie. In diezelfde maand verscheen ook haar elfde en laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken.
Jansma’s poëzie is zeer persoonlijk en voelt als het delen van intimiteiten. Ze verwerkte in haar gedichten het verlies van twee van haar vier kinderen. Tijdens haar eerste huwelijk verloor ze in 1988 een meisje tijdens de geboorte en in 1993 stierf haar negen maanden oude zoontje aan een chromosoomafwijking. Dit tekende, evenals haar armoedige en liefdeloze kinderjaren, haar leven en werk. Ze bracht haar kinderen tot leven in regels als: ‘Ik hul haar in weefsels van woorden’, en, ‘ik wil dat ze ademt van taal.’
In haar bespreking van Rennen naar het einde van honger, schreef Hettie Marzak: ‘ Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’
Over haar moeder, die haar als kind mishandelde, schreef ze voor Het Liegend Konijn (2021/2) een serie gedichten onder de titel ‘Het verhaal van de zeeroversdochter’. Daarin is Jansma de zeeroversdochter en haar moeder ‘brulkapitein Bloody Lilly’. ‘Ik groeide op op een piratenschip.’ Om de agressie van Bloody Lilly uit de weg te gaan, begon ze op een dag ‘achter een tonnetje rottend scheepsbeschuit gedichten [te] schrijven (…). Daar kwam ik mooi mee weg, want Bloody Lilly snapte niks van poëzie’. De lichtvoetigheid die uit dat ‘mooi mee wegkomen’ spreekt, is kenmerkend. Het heeft iets verdrietigs, maar tegelijkertijd iets onvermijdelijks dat het verleden steeds opnieuw en in verschillende variaties bestreden moest.
Voor haar poëzie ontving Jansma onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs, de Adriaan Roland Holstprijs en de C.C.C.Crone-prijs.
Naast dichter was Esther Jansma dendrochronoloog. Ze werkte voor de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en onderzocht onder meer de Romeinse schepen De Meern 1 en 4. In 1993 richtte ze het Centrum voor Dendrochronologie op. In 1996 promoveerde ze cum laude met haar proefschrift RemembeRINGs. In 2007 werd Jansma benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie aan de faculteit geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.
Foto: © Julia Le Fevre
