Dieren niet toegelaten

Bij ons in de straat is een man overleden. Hoewel je over de doden alleen maar goed moet spreken, vond ik hem niet aardig. Mijn kinderen waren vroeger bang van hem, omdat hij hen met barse stem uit hun spel verjoeg wanneer ze stiekem fikkie stookten op het oude fabrieksterrein of in bomen klommen. Hij was een grote, autoritaire man met donkere, priemende ogen, die mijn groet altijd met tegenzin beantwoordde met een norse knik. Toch spreekt de snikkende familie op de uitvaart over hun man, vader en opa als iemand voor wie niets te veel was, die altijd klaarstond om anderen te helpen. Maar ook dat hij een man was van weinig woorden, die het tonen van emoties gelijkstelde aan zwakheid. 

De muziek voor de uitvaart heeft hij zelf nog uitgezocht: een snerpende vrouwenstem zingt het Ave Maria en daarna krijgen we liederen van het Don-Kozakkenkoor te horen. Het kost me geen moeite niet te huilen, wat me anders al gauw overkomt bij een uitvaart. Links en rechts in de aula worden op twee grote schermen foto’s getoond van hoogtepunten uit het leven van de overledene. Maar nergens staat hij lachend op, niet met carnaval, bij zijn huwelijk en niet met de kleinkinderen. Tot er een foto verschijnt waarop hij zijn voorhoofd liefdevol tegen de kop van hun oranje kater, die een paar weken eerder gestorven is, heeft gelegd. Op deze foto glimlacht hij. Er ligt een gloed over zijn gezicht die zijn ogen doet glanzen. De kat knijpt zijn ogen gelukzalig tot spleetjes. Het is een vertederend en intiem tafereeltje.

Ik denk aan Roald Dahl, wiens oudste dochter Olivia overleed aan hersenvliesontsteking als gevolg van de mazelen, toen ze zeven jaar was. Dahl, ziek van verdriet, had steun gezocht bij de voormalige bisschop van Canterbury en gezegd dat hij zich getroost voelde dat Olivia nu  tenminste herenigd was met haar geliefde hond Rowley. Maar de bisschop zei dat dat nooit zou kunnen, omdat honden niet in de hemel werden toegelaten. Dahl herinnert zich: 

‘I wanted to ask him how he could be so absolutely sure that other creatures did not get the same special treatment as us. I sat there wondering if this great and famous churchman really knew what he was talking about and whether he knew anything at all about God or heaven, and if he didn’t, then who in the world did? And from that moment on, my darlings, I’m afraid I began to wonder whether there really was a God or not.’

‘LEVENDEN”

‘In dierenogen valt hetzelfde licht
 als in het oog van mensen.
 Het levende schept adem uit één bron,
 vangt vanaf de eerste kreet
 tot aan de laatste huivering
 dezelfde zon.

 Denkenden gaan met dieren
 onder dezelfde hemel
 dezelfde einder tegemoet,
 door één verlangen voortgedreven:
 leven.’

Ik weet niet welke geloofsovertuiging de overleden man aanhing, maar ik hoop met Dahl dat de bisschop fout zat en dat de man nu weer samen is met het enige wezen dat hem kon doen glimlachen.  

 

Maurits Mok, uit de bloemlezing: Een wonderprachtig dier, een dierengedicht voor elke dag van het jaar


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

 

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak:

Nest

Nest