Mijn vader stond per definitie wantrouwend tegenover autoriteiten en identificeerde zich met ‘de mindere man’. Vooral autoriteiten die faalden, moesten het bij hem ontgelden. Maar ook onderdanige types die zich belangrijk voelen omdat ze in de schaduw van de machthebbers figureren, kon hij bepaald niet waarderen. Smakelijk kon hij lachen om figuren die de autoriteiten uitdaagden en façades doorprikten. Ik deel zijn wantrouwen enigszins en kan erg genieten van verhalen waarin autoriteiten op de hak worden genomen. De manier waarop de brave soldaat Švejk op een onnozele manier de autoriteiten te kakken zet en de regels bekritiseert, doet me schateren.
Misschien bevalt daarom ’s Nachts onder de stenen brug van Leo Perutz me zo goed. Ik lach me een kriek om de vele aandoenlijke ‘halvezolen’ en lawaaischoppers in zijn verhalen. Ze maken zichzelf belangrijk terwijl ze zich proberen te koesteren in de warmte van het Praagse hof van keizer Rudolf II rond 1600. De hofnar Brouza wordt door de keizer gedwongen zich om te scholen tot ovenstoker van de keizerlijke vertrekken. Hij stemt van harte in met deze omscholing omdat, zoals hij snedig opmerkt, twee narren (hij en de keizer) onder één dak, er één teveel is. De keizer zelf is een zielig mannetje dat door zijn hofhouding op de been wordt gehouden. Hij geeft bakken met geld uit en is gek op de nieuwste schilderijen en recent gevonden oudheidkundige artefacten. De bijfiguren zijn aandoenlijk omdat ze ambitieus streven naar een beter leven en opscheppen welke belangrijke – maar in werkelijkheid marginale – positie ze aan het hof bekleedden. Brouza scoort met snoeven een hoofdrol.
Er staan zinnen in deze roman die ik zou willen inlijsten. Neem deze: ‘Ik ken een gek die loopt in zijn blote hemd op straat en schreeuwt dat ze water over hem heen moeten gooien, hij zou een ziel in het vagevuur zijn, en ik ken er een die denkt dat hij een vis is, zit overdag in een tobbe en ’s nachts, als hij naar bed moet, moeten ze hem met haak en vislijn uit de tobbe trekken. Maar een gek die zijn geld weggeeft, ken ik niet, hoop echter al heel lang zo iemand nog eens tegen te komen.’ En wat te denken van de uitdrukkingen als: ‘Die man is zo rijk, die doet suiker op zijn honing.’ Dit taalgebruik, de overdrijving en de ironische benadering van mensen maken het lezen van dit boek tot een groot plezier.
Maar ’s Nachts onder de stenen brug is meer dan een serie verhalen over kleurrijke figuren rondom de oude burcht van Praag: barbiers, narren, alchemisten en wat niet al. Maar dat doet er voor mij minder toe. Volgens vertaler Chris Bakker, die met de vertaling van deze roman goed werk heeft geleverd, is het een raamvertelling bestaande uit veertien novellen. In de twee slothoofdstukken wordt duidelijk dat de novellen onderling verstrengeld zijn en sterk samenhangen rondom de geheime relatie tussen keizer Rudolf II en de beeldschone Esther, vrouw van een Joodse koopman. Hun relatie heeft talloze gevolgen die aan het einde van de roman worden onthuld.
Perutz wordt door kenners geroemd om de uitwerking van het plot en om de manier waarop hij gebruikmaakt van parabels, fabels en legenden uit de christelijke en joodse cultuur van Praag. Niet omdat hij zich als een moderne historicus baseert op ‘historische feiten’. Het leuke van dit boek van Perutz is dat je het op verschillende niveaus kunt lezen: als een verzameling verhalen, maar ook als een knap gecomponeerde historische roman.
Op de achterflap van het boek staat een citaat van Daniel Kehlmann. ‘Hoe kan iemand zoiets schrijven en daarna níét tot de beroemdste romanschrijvers van zijn taal behoren?’. Meestal verafschuw ik dergelijke verkooppraatjes, maar in dit geval ben ik het ermee eens. Niet vanwege het plot, maar simpelweg omdat ik onbedaarlijk moet lachen om de zotten en dwazen in dit boek, of ze nu autoriteiten of gewone burgers zijn. Perutz is een heerlijke schrijver.









