Ik heb nooit geluk met rozenstruiken in mijn tuin. Of ze gaan onmiddellijk dood, of ze zitten al na een week vol met luis. Ze willen niet bloeien en ontwikkelen in plaats van knoppen alleen zwarte valse scheuten met doornen van een duim dik. De rode stamroos die ik nu in de tuin heb staan – die ik niet op de mesthoop kan gooien omdat ik hem van een vriendin gekregen heb – heeft zich ontwikkeld tot een vervaarlijke hydra met meer uitsteeksels en prikkers dan zelfs Hercules zou kunnen bevechten.
Toch ben ik op een zonnige middag de strijd aangegaan, gewapend met een scherpe snoeischaar die ik achter mijn rug verborgen hield. De struik loerde vals naar me uit al zijn oogjes en stond in gevechtshouding, klaar om zich te verdedigen. Het duurde niet lang of ik was overdekt met schrammen en krassen waar het bloed uit sijpelde, alsof ik was aangevallen door een boosaardig creatuur met enorme klauwen en tanden. Uiteindelijk behaalde ik de overwinning en was de struik gesnoeid, maar nog dagenlang droeg ik de sporen van de slacht en werd me gevraagd of mijn katten echt zo vals waren.
Hoe had zo’n gemene bloem ooit het symbool van de romantische liefde kunnen worden? Ik kon niets vinden in de literatuur dat wees op de duistere kant van deze plantaardige harpij. Ik herkende wel iets in het vreemde, enigszins masochistische gedicht van Nijhoff, al waren het niet de rozen zelf die zich agressief gedroegen:
‘ De rozen
Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen
Bloeiend zijn, groot en rood –
Zoolang zal ook mijn liefde
Bloeiend zijn, groot en rood’.
Ze stonden stil in de vazen,
De rozen van mijn geluk:
Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
Toen kuste ik zijn rozen stuk.
Ik heb in de bloemen gebeten,
Ik proefde het bittere bloed –
En hij nam de doornige steelen
En sloeg mij – en dat was goed.’
Alleen in het gedicht van Goethe uit 1789, ‘Heidenröslein’, door Schubert op muziek gezet, wordt iets verteld over de dreiging die van een roos kan uitgaan. Als een jonge knaap een roosje wil plukken – symbool voor het verlies van maagdelijkheid – en de roos haar doornen gebruikt om hem te steken. Het viel me op dat bij zowel ‘der Knabe’ als ‘das Heidenröslein’ het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval gelijk is: ‘ihm’ , waardoor het niet duidelijk is op wie de laatste strofe betrekking heeft:
‘Und der wilde Knabe brach/ ’s Röslein auf der Heiden;/ Röslein wehrte sich und stach,/ Half ihm doch kein Weh und Ach, / Musst’ es eben leiden.’
Ik dacht ook altijd dat de gestoken knaap het slachtoffer was, maar nu denk ik dat het de roos is. Heeft Goethe daarmee echt een gedicht geschreven over een brute verkrachting? Er zijn weliswaar meerdere interpretaties, maar nu zal ik het lied nooit meer anders kunnen lezen. Daarom wil ik de rozenstruik volgend jaar liever niet meer snoeien, beter voor de roos, maar ook voor mijzelf.
Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Prometheus (1990)
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.































































