Poëzie was een aanstellerige manier om iets te vertellen dat je ook gewóón had kunnen zeggen, vond mijn vader. Mijn moeder vond poëzie niets voor ‘ons soort mensen’. Mijn tegenargumenten hadden geen zin, de poëzie moest voor zichzelf spreken. Voordat ik op zondagavond terugging naar de stad waar ik studeerde, plakte ik een vel papier waarop met een gedicht dat ik had gekopieerd tegen de tegels boven het gasfornuis. ‘De werkster’ van Achterberg:
‘Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik;
symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods – en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.’
Toen ik een week later weer thuiskwam, vertelde mijn moeder dat ze elke dag onwillekeurig het gedicht had gelezen terwijl ze stond te koken. Ze was het steeds mooier gaan vinden, ook al begreep ze niet alles. Ik stelde haar gerust, schoonheid hoeft niet altijd doorgrond te worden. Ze vroeg me of ik nog een gedicht voor haar wilde opplakken waar ze de hele week naar kon kijken. Het werd een jarenlange traditie waar we beiden veel van leerden en genoten. Ik bladerde talloze gedichtenbundels door, schreef de gekozen gedichten in mijn mooiste handschrift over op een vel papier en hing dat elke zondagavond op zonder er verder iets over te zeggen. Zorgvuldig zocht ik steeds iets uit waarvan ik meende dat het haar zou bevallen. Elsschot was altijd goed, Marsman, Nijhoff, Vasalis. Ze was streng in haar oordeel en kon een gedicht rigoureus van de hand wijzen om valide redenen, die nooit bij mij opgekomen zouden zijn. Het liefste las ze gedichten over moeders en kinderen, maar ook ‘Het geitenweitje’ van Jacqueline van der Waals vond ze als boerendochter prachtig.
Erover praten deden we pas op de eerstvolgende zaterdagavond als we samen stonden af te wassen: het gedicht bood ons een ingang om gedachten, emoties en verhalen uit te wisselen die anders onuitgesproken zouden zijn gebleven: de zwijgende generatie waartoe mijn ouders behoorden, overlapte voor een gedeelte nog de volgende. Na mijn studie verhuisde ik naar een stad die verder weg was, waardoor ik niet meer elk weekend thuis kwam. Ze zou me missen, vertelde ze, maar de gedichten nog veel meer.
Toen we na haar dood het huis uitruimden, vonden we een stapeltje oude schoolschriften, waarin mijn moeder alle fornuisgedichten had overgeschreven, voorzien van haar commentaar, met onderstrepingen, uitroeptekens in de marge en fragmenten uit onze gesprekken. Ze vormden tezamen een heel persoonlijke en unieke bloemlezing, een overzicht van wat ze dacht en wie ze was. Ik heb ze behoedzaam een plaats gegeven in mijn boekenkast, tussen mijn meest geliefde dichters in.
Uit: Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985
Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.































































