Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.
Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek. Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.
Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.
Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.
Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.
Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.
Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.
Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.
De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier





























































































































































































































































































