De lift in het ziekenhuis gromt en spert zijn kaken open als een monster uit een verhaal van Stephen King. Ik moet naar de vijfde verdieping, omdat mijn man daar is opgenomen, maar ik durf niet. Lang geleden heb ik een weekend vastgezeten in een gammele lift. Op een zaterdagochtend wilde ik iets ophalen uit het gebouw waar ik toen werkte. Er was geen alarmknop in de lift en mobieltjes bestonden nog niet. En omdat ik alleen woonde, was er niemand die zich afvroeg waar ik bleef. Pas op maandagmorgen werd ik bevrijd, toen ik allang gek geworden was in het donker en de stilte, zonder enig begrip van tijd. Ik hield er claustrofobie aan over, die zelfs na langdurige therapie nooit verdwenen is. Het blijft een van mijn grootste angsten die zich ’s nachts manifesteert als een klamme nachtmerrie waaruit ik schreeuwend wakker word. Ik heb liften sindsdien altijd weten te mijden, maar als ik nu de trap neem naar de vijfde, zullen ze me ergens tussen de derde en vierde verdieping moeten oprapen.
Bij de lift in het ziekenhuis sta ik minutenlang besluiteloos te kijken. Dan zie ik een jonge vrouw in een rolstoel. Zij heeft geen andere keuze dan met de lift te gaan. Ik overwin mijn schroom en vraag haar of ze me wil helpen. Maar ze hoeft niet met de lift, zegt ze, ze blijft gewoon op de begane grond. Misschien ziet ze mijn ontreddering, want ze zegt vriendelijk dat ze me toch wel naar boven wil brengen. Ik vraag of ze eerst wil gaan, dan haal ik diep adem en zet een stap in de lift. Terwijl ik me vastklamp aan de reling en naar de grond staar, breekt het zweet me aan alle kanten uit. Het lijkt uren te duren, mijn spieren staan strak en ademhalen gaat moeizaam. Om me heen bulderend geruis en duisternis. Als ik een bevrijdend ‘ping’ hoor, stort ik me door de open deur van de lift naar buiten, snakkend naar adem. Maar de vrouw roept me terug, dit is pas de derde verdieping, er heeft iemand van buiten op de knop gedrukt. Trillend over mijn hele lijf moet ik me opnieuw vermannen, naar binnen stappen, me overleveren aan de lift die op een dodencel lijkt. Op de vijfde verdieping struikel ik bijna huilend naar buiten.
Stel je niet aan, zegt mijn rationele brein elke keer. Er gebeurt niets, die lift gaat duizend keer per dag op en neer. Maar mijn bange hart zet zijn hakken in het zand en schreeuwt zich geluidloos buiten zinnen. Zelfs het gedicht van Vaandrager kan ik niet lezen zonder dat paniek mijn keel dichtschroeft.
‘Aangekomen op de vierde
Wat is er veranderd op deze m²?
Er zijn maanden over heen gegaan.
En leveranciers en hoeveel
onbevoegden?
Wat is er veranderd dat deze schacht
steeds vaker weigert?
Nog steeds geen gebrek aan beleefdheid:
Gaat u voor en men vraagt zelfs
welke knop men mag indrukken voor mij.’
Maar voor nu: rug recht, opgewekt naar binnen, niets laten merken. ‘Hallo lief, hier ben ik weer, hoe gaat het vandaag met je?’
C.B. Vaandrager (uit: Met andere ogen, 1961)
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.









