• Het titelverhaal getuigt van een groot talent

    Schrijven over transformaties is een uitdaging voor de schrijver. Ovidius schreef met Metamorphosen wellicht de bekendste verhalenbundel met dat thema, hoewel ook Kafka zich er graag aan waagde met De gedaanteverwisseling, waarin een man in een kakkerlak verandert. Dit verhaal inspireerde weer de Ierse schrijver Ian McEwan tot het schrijven van de schitterende Brexit-parodie, The Cockroach. Interessant thema moet ook Jeroen van Kan gedacht hebben en hij schreef prompt een interessante verhalenbundel waarin het thema transformatie centraal staat. Van Kan kende zelf ook verschillende transformaties, zo was hij redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade, werkte hij jarenlang voor de VPRO-radio en presenteerde tot vorig jaar het VPRO Boeken waarna hij directeur werd van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). In 2017 werd hij ‘ontmaskerd’ toen bleek dat hij onder het pseudoniem Wesley Abstmeyer  gedichten publiceerde. Dit leidde uiteindelijk tot de publicatie van zijn debuutbundel De wereld onleesbaar.

    Transformaties en zelfmoord

    Hoe Matt een dode vis werd is een verhalenbundel met zeven verhalen, waarbij vooral de drie langere verhalen overtuigen. Het motto van Ovidius luidt: ‘Jaag mij uit het rijk van dood en leven allebei! Gun mij een andere vorm!’ Meteen een aanduiding van de twee belangrijkste thema’s van de bundel, transformaties en zelfmoord. Van Kan was zeer geraakt door de zelfmoorden van zijn voorganger bij VPRO Boeken, Wim Brands en van schrijver Joost Zwagerman. Die gebeurtenissen lijken een spoor te hebben nagelaten, het thema dan ook prominent aanwezig in de bundel. 

    In het openingsverhaal Het delicate monster, wordt Philip Verstaggen geconfronteerd met een vergroeiing van zijn kaakbeen. Nauwgezet en tot in de details krijgt de lezer een beschrijving van het tandartsbezoek. Als blijkt dat de tandarts hem niet kan helpen, wordt hij constant doorgestuurd van kaakchirurg tot plastisch chirurg en psycholoog toe. Allen zetelen ze in het Centraal College Uitzonderlijk Medische Gevallen. Overal hoort hij hetzelfde, niemand kan hem helpen en hij moet berusten in zijn lot. Uiteindelijk is zijn misvorming van zodanige aard dat hij als wetenschappelijk onderzoeksobject gebruikt zal worden.

    Kwispelen met de ketting is aanvankelijk een warrig verhaal over schrijverschap en zelfmoord. Het verhaal wisselt voortdurend van perspectief en toont de teloorgang van een schrijverskoppel: hij een ietwat misnoegde , weinig succesvolle auteur, zij een succesvolle soapschrijfster. Als zijn tegenpool Saquelle, razendpopulaire auteur, zelfmoord pleegt, zit er voor hem maar een ding op. Hij worstelt met het leven en wil eraan ontsnappen. Uiteindelijk toont hij hoe de drang naar de dood, los van alle twijfel, overwint. De voorbereidingen en de uiteindelijke sprong van het dak sluiten het verhaal af. Dit verhaal wordt beter naarmate het einde nadert.

    De metamorfoseur

    Een interludium in de bundel is het zeer korte Neem me mee, een mysterieus interactief contact tussen een jong meisje dat met haar ouders zit te eten in een restaurant en een oudere man aan een ander tafeltje. De precieze bedoeling is onduidelijk, ook na herhaaldelijk herlezen. Van een heel andere orde is het heel leuke en bijzonder leesbare titelverhaal. Matt is een man van kleine gestalte die allerlei gedaanten kan aannemen. Gedurende zijn levensverhaal leert de lezer hoe hij ‘metamorfoseur is geworden. Hij kan in alles veranderen wat hij maar wil, maar omdat zijn ouders verdronken zijn na een schipbreuk, wil hij niet veranderen in iets wat met de zee te maken heeft. Als hij op een avond moet optreden voor de visser vakbond, slaat het noodlot toe, zoals uit de titel blijkt. In dit verhaal toont van Kan wat hij allemaal in zijn mars heeft: het is een boeiend verhaal, origineel met spanning en een mooie balans tussen gevoels uitersten. 

    Wisselende duiding

    De bundel sluit af met drie kortere verhalen waarvan vooral De doodroker blijft hangen. Daarin wordt de lezer geconfronteerd met een man die weet dat hij door te blijven roken een eind maakt aan zijn leven. Hij vindt zichzelf een experiment: wat zal er allemaal mislopen als ik blijf roken? Zijn tenen zijn  al geamputeerd, zijn benen zullen volgen. Ook een beroerte behoort tot de mogelijkheden. Dat schijnt hem allemaal niet te deren. Dood moet men toch. In het laatste verhaal In de orde van Apollo toont de auteur wat er kan gebeuren als de routine van alledag in het leven van een oude man wordt gebroken. 

    Hoe Matt een dode vis werd is een interessante verhalenbundel met wisselende kwaliteit. Waarbij het titelverhaal getuigt van een groot talent, Van Kan slaagt er moeiteloos in de lezer volledig op sleeptouw te nemen. De wat kortere verhalen ontberen een duidelijkheid die de lust tot verder lezen kan ontnemen. 

     

  • De kinderopvang

    Toen ik laatst mijn zeven maanden oude zoontje wilde ophalen van de kinderopvang zei de leidster dat hij al door iemand anders was meegenomen. Heel even dacht ik dat zijn moeder me misschien was voor geweest, maar hoewel onze relatie een aaneenschakeling van misverstanden is geweest, kon dit niet het geval zijn: ze is alweer een poos dood. De gesprongen adertjes van het persen waren nog zichtbaar op haar natte wangen toen ze afscheid van ons nam, en nog geen maand later stond de politie voor de deur.

    Het meisje van de kinderopvang leek niet onder de indruk van de verdwijning van mijn zoon. We stonden samen aan de rand van de zandbak vol kinderen, zij met een kop koffie in haar hand, ik leunend op de lege kinderwagen, en even drong zich de vreemde gedachte aan me op dat ik nu een nieuw kind zou mogen uitzoeken. Alsof ze mijn gedachten kon lezen zei het meisje van de kinderopvang dat ik maar beter kon vertrekken. Ze zou me bellen, mocht hij weer opduiken.

    Onderweg naar huis ontdeed ik me van de kinderwagen. Zonder me druk te maken of iemand me zag, schoof ik hem zo de bosjes in. Thuis was het aanvankelijk akelig stil, maar dat stoorde me gelukkig niet lang: algauw ontspande ik en stelde vast hoezeer ik deze rust en stilte gemist had. Even wist ik niet waar ik beginnen moest: ging ik een film kijken? Masturberen? Hard muziek draaien? Zelden was ik zo gelukkig en de avond vloog voorbij, en de dag daarna ook, en toen de weken.

    Ik heb nooit meer iets gehoord van de kinderopvang en als ik niet nog altijd bewijzen van het bestaan van mijn zoon zou tegenkomen (een knuffeltje hier, een sokje daar) zou ik haast niet geloven dat ik iemands vader ben.

     


    Vincent Merjenberg (1983) publiceerde verhalen in De Gids en Revisor en werkte bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam en werkt aan een roman.

  • Voor anker

    Het moet een drukke internationale plek zijn geweest in Denemarken, een echte haven met daaromheen kroegen en op straat zeelui en de vrouwen van lichte zeden. Als het een plek van de zonde was, zou er ook wel een plek voor vergeving zijn. Er moet nog een kerk staan. Hviding, lees ik op een oude landkaart. Het was in de middeleeuwen een van de belangrijkste havenplaatsen van Ribe, de oudste stad in Denemarken. Daar staat mijn camper, het is dan nog geen vijftien kilometer fietsen, schat ik.

    Maar de plaatsnaam Hviding is misleidend, na een fietstocht met flinke tegenwind kom ik terecht in de gemeente Egebaek-Hviding. Lange straten met goedkope vakantiewoningen kruisen elkaar. Het is opvallend stil. Niets doet denken aan een plek van levendige handel. Ik ben teveel landinwaarts gereden, moet meer in de richting van de zee.
    Ik vraag de weg. Behulpzaam maar onzeker legt een vrouw mij uit dat ik eerst helemaal rechtdoor moet en dan helemaal rechtsaf en dan weer helemaal rechtdoor. Na drie kwartier, vaak staand op de trappers om een kerktoren in het landschap te kunnen zien, spreek ik een hardloper aan. Buiten adem zegt hij dat het nog wel even fietsen is, tussen Råhede en Enderup moet u linksaf. Råhede, Enderup, repeteer ik. Ze zullen toch niet de grote kerk van Vester Vedsted bedoelen? Dat is ‘m zeker niet. Ik weet niet hoe het eruit ziet wat ik zoek. Misschien een kapel, denk ik.

    En ineens, toch nog onverwacht, alsof het verstoppertje met me speelde, zie ik een kerkdak. Het is moeilijk de afstand in te schatten, om te beoordelen of de kerk dichtbij is of ver weg. (Misschien heeft juist daardoor dit beeld zoveel indruk op me gemaakt, omdat ik niet wist of die kerk groot of klein was). Een kwartier later fiets ik door een straat die Gammle (=oude) Hviding heet. Ik sla links af. En daar staat de kerk, sterk en eenzaam. Ooit had ze twee torens die je vanaf zee kon zien.
    Op het kerkhof rond de kerk zuigt een tuinman met een apparaat met brede buizen de blaadjes aan de randen van de graven op. Hij doet het met overgave, kijkt niet op of om. Met oordopjes vanaf zijn smartphone luistert hij naar muziek. Je zou op deze plek ‘Erbarme dich’ van Bach verwachten maar als ik naar het ritme van zijn hoofdbewegingen kijk, is het meer in de trant van ‘I love you in the morning, I love you in the evening’ met bijbehorende beat.
    Maar helaas, de kerk is gesloten. Op een stenen bank schrijf ik in mijn notitieboekje ‘het gaat niet om het doel, maar om de weg er naar toe.’ Wat een cliché, ik zit hier een beetje voor boeddhist te spelen alleen maar om mezelf te troosten dat ik niet naar binnen kan.

    Een auto stopt. Drie Deense vrouwen stappen uit en lopen rechtstreeks naar een graf. Ze lijken op elkaar, misschien zijn het drie zussen. De tuinman heeft zijn machine uitgezet. Het valt me op dat ik alleen het ruisen van de bomen hoor. Ik kan naar binnen, de tuinman heeft de deur geopend voor de Deense vrouwen.
    Eeuwen stap ik terug in de tijd. Prachtig grijsgroen geschilderde kerkbanken met deurtjes en houten klossen om ze te sluiten. Ik ga zitten. Direct naast mij op de muur een ontroerend naïeve fresco van een kogge. In de 13eeeuw werd die hier getekend. Vanaf deze plek kon je de Noordzee op, het Kanaal door in de richting van het Romeinse Rijk. Maar deze boot hier naast mij is niet vertrokken. Hij is juist veilig aangekomen, zie ik. Het zeil is opgehaald, het roer staat recht. Het anker uitgeworpen in Gods haven.
    De Deense vrouwen schuifelen weer naar buiten. De tuinman kucht en steekt alvast de sleutel in het slot.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Ontregelende scènes in tragikomische verhalen

    Het auteursportret achter op de verhalenbundel Diepe aarde van Maria Vlaar (1964) lijkt wel een spiegelbeeld van de Mona Lisa van Da Vinci: vergelijk de blik, de gekruiste armen, de haardracht, de glimlach. Als het geen opzet is, is de gelijkenis te mooi om aan voorbij te gaan. Vooral omdat het beeld daarmee staat voor een grondthema van veel verhalen in de bundel: Wat gaat er schuil achter de façade van de schone schijn? Zien we iemand werkelijk?
    Eén van de motto’s die Vlaar haar zeventien verhalen meegeeft is van Jan Lauwereyns. Het eindigt met: ‘We hebben een blinde vlek voor de dichtbije dood, de voortekenen van ziekte en ongeluk, de mechanismen van liefde en verraad in ons leven’. Een citaat dat je af en toe te binnen schiet als de verhalen je vanuit een alledaags ogende situatie meezuigen naar een verborgen achterkant daarvan. Vol bedrog, verkeerd ingeschatte effecten, dood, schuldgevoelens en onverwerkte pijn. Vlaar brengt je daar met een plotselinge wending of met subtiele zinnetjes en toespelingen die vooruit verwijzen naar de diepere grond, de diepe aardevan iemands gedrag en levenshouding. De meeste verhalen zijn spannend en humoristisch maar in elk geval tragisch.

    Naïef
    Al meteen in het eerste, ‘Persona’,wordt een herkenbaar gewoon tafereel als een caféterrasje waar mensen even komen zitten voor een drankje ontregeld doordat wordt ingezoomd op de gesprekken en gedachten van bezoekers: twee wielrenners hebben huwelijksproblemen, van twee vriendinnen heeft de één een verhouding met de man van de andere en er is een oude man die een mislukte date met een jonge vrouw heeft. Daartussendoor loopt de serveerster met vers liefdesverdriet. Van de gemoedelijke buitenkant blijft niet veel over terwijl iedereen bezig is de indruk te wekken grip te hebben op het leven.

    In verschillende verhalen laten de hoofdpersonen een aandoenlijk naïeve overtuiging zien van de juistheid van het eigen wereldbeeld. Ze houden zichzelf min of meer voor de gek door hun twijfels niet toe te laten of zichzelf te bedriegen met zoethoudertjes. Sterke voorbeelden daarvan zijn de verhalen ‘De ongeborene’, ‘Het landhuis’ en ‘De stetson’.In dat laatste verhaal denkt Rudolf keurig twee werelden – in de ene is hij getrouwd, in de andere gaat hij vreemd – te beheersen. Of, zoals hij zelf zegt: ‘Dat gebeurt eigenlijk nooit als ik bij Masha ben, dat ik een stijve krijg door aan Larissa te denken. Ik houd dat altijd goed gescheiden.’

    Moedervlekken
    Humor, zoals in die geciteerde zin, is alom aanwezig in de bundel. In ‘Jouw pijn’ bijvoorbeeld herinnert Florence zich dat haar eerste geliefde drieënvijftig moedervlekken op haar rug telde en haar ex zevenendertig: ‘(…) mijn ex, de vader van mijn zoon. Volgens hem heb ik maar zevenendertig moedervlekken. Hij is zuinig, dat merk ik ook aan het gedoe over de alimentatie’. En in ‘Het Pad van Licht’ wordt een verzamelaar van afbeeldingen van Annunciaties (de aankondiging door de engel van de zwangerschap van de moeder van Jezus) verliefd op een vrouw die Maria heet (‘Ja, ik viel natuurlijk als een getroffene op haar naam’). Zij roept in het café de ober die Gabriël blijkt te heten.
    Een enkele keer schiet de humor wel eens door. In het bijna hilarische ‘Wat weet je van de romantiek?’ neemt de autist Mark deel aan de quiz De slimste mens. Ook dit is een tragikomische vertelling, maar deze keer is de clou toch wat obligaat.

    Minder sterk zijn ook de verhalen die in de toekomst spelen. Dat zijn er drie, ‘Het landhuis’, het dystopische ‘Oefening in nederigheid’ en ‘De tent’. Deze vertellingen passen in de sfeer van de bundel, maar waarom wordt teruggeblikt vanuit hypothetische (politieke) situaties ver na 2014 is niet duidelijk.

    112
    Diepe aarde is het debuut van Maria Vlaar, maar in de literaire wereld is ze allerminst een onbekende. Ze was tien jaar redacteur bij De Bezige Bij en is onder andere recensent voor verschillende bladen en presentator van literaire festivals. Momenteel werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. En: ze schrijft prachtig in tintelende zinnen en mooie beelden. In ‘Hotelkamer 112’ (let op het omineuze nummer) typeert de ik-figuur een ober als ‘een puisterige jongeman met een veelbelovende bottenstructuur’. Hij is in de bar met Marlène aan wier lot hij al drieënvijftig jaar is gekluisterd. De gaten in hun leven worden raak gesymboliseerd door de achteloze opmerkingen dat hij een atelier bezit dat hij nooit gebruikt en zij een IKEA-keukentje waar ze nooit komt.
    À propos: drieënvijftig jaar. Net zoveel als het aantal moedervlekken in ‘Jouw pijn’.Toeval? Misschien niet, want er zijn meer van dat soort intertekstuele grapjes. In ‘Het landhuis’ bijvoorbeeld blijkt Ernst ineens een zoon van Renske, van wie de man schoenmaker was; een grappige verwijzing naar ‘De ongeborene’ over schoenmaker Jeroen en zijn vrouw Renske.

    Maria Vlaar is ook de weduwe van de schrijver Erik Menkveld die in 2014 stierf aan een hartstilstand. Eén van de kortste verhalen in haar bundel is ‘Wachten’.Het is een ontroerende liefdesbetuiging, met de overledene als verteller.
    Vlaars biografie van Joost Zwagerman wordt in 2020 verwacht.

     

     

  • Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

    Recensie door Maartje Spoelstra

    De verhalen in Flesjes knallen van de Chinese Yu Hua geven blijk van groot vakmanschap doordat de lezer keer op keer het gevoel krijgt dat er meer is dan het verhaal vertelt, hoe compleet en helder opgebouwd ze ook mogen lijken. Daarbij zijn ze ook nog eens buitengewoon geestig. Na vier romans is Flesjes knallen Hua’s eerste verhalenbundel. Zijn laatste roman, De zevende dag, verscheen in Nederlandse vertaling in 2016. De korte verhalen komen uit de periode toen Hua net begon met schrijven, later begon hij zich met name te richten op het schrijven van romans.

    Kenmerkend in de verhalen van Hua is dat haar personages stuk voor stuk verwikkeld raken in situaties die ze niet begrijpen en vertwijfeld over zich heen laten komen. Zo krijgt in ‘Bloed en Pruimenbloesems’ een zoon van zijn moeder de opdracht om op zoek te gaan naar de moordenaar van zijn vader, een belangrijk krijger. Hij draagt een zwaard bij zich waarmee al sinds jaar en dag heldhaftige gevechten geleverd zijn door mannen in zijn familie. Vertwijfeld gaat de jongen op reis. Hij heeft alleen twee namen van mensen die naar de moordenaar van zijn vader kunnen leiden. Alles wijst erop dat hij bepaalde informatie en ervaring mist. ‘Ruan Haikuo mocht dan wel afstammen van een held, hij had de afgelopen vijftien jaar nooit deel uitgemaakt van de groep rondzwervende zwaardvechters van zijn vader, daarom had hij ook nooit van de grote reputatie van Vrouwe Rouge gehoord.’ Voortdurend blijkt dat mensen hem al kennen en meer informatie hebben dan hij. Ze laten hem echter zijn eigen reis vervolgen zonder verdere aanwijzingen. De lezer kan niet ontsnappen aan de indruk er iets anders gaande is wat volledig aan de aandacht van onze dapper voortploeterende jonge held ontsnapt.

    Die vervreemding komt terug in het merendeel van de verhalen, iets dat mogelijk te relateren valt aan de geschiedenis van China. Hua verklaart zelf in interviews dat de Culturele Revolutie (1966-1976) van grote invloed is geweest op zijn werk. Tijdens deze revolutie werd de bevolking onder het bewind van Mao Zedong gewelddadig onderdrukt. Er was daarnaast ook sprake van hevige censuur, waardoor alleen nog maar voorgeschreven boeken gelezen mochten worden. De gevolgen van deze revolutie worden in Flesjes knallen zichtbaar in het handelen van de personages die weer lijken te moeten wennen aan autonomie na jarenlange onderdrukking.  De vertrouwdheid met hun eigen land lijkt voorbij te zijn en hun handelingen worden voornamelijk gemotiveerd door invloed van buitenaf en zelden door eigen impulsen.

    De verhalen zijn abstract, gestructureerd en vaak geestig. Steden of personen hebben vaak een duidelijk fictieve naam, zoals de stad Mist in het verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. Hua heeft een vaste hand en weet zijn abstracte stijl feilloos te handhaven. Ogenschijnlijk eenvoudige situaties worden daardoor absurd en veelzeggend. Zo wordt er een man van zijn bed gelicht omdat er naar het schijnt een vriend van hem op sterven ligt. Hij kent echter de naam van de vriend niet, en is er zeker van dat hij deze persoon niet kent.  Doordat hij dit niet aangeeft en eenvoudigweg doet wat hem gezegd wordt neemt het verhaal een absurde wending. ‘Ik begreep dat het zinloos was om met deze gozer te blijven redetwisten, zijn spierkracht was namelijk minstens vijfmaal de mijne. Hij zou me als een broek uit het raam werpen. Ik zei daarom tegen hem: “Aangezien iemand die op sterven ligt mij wil zien, ben ik uiteraard bereid om te gaan”.’

    Er blijft ook telkens iets ongrijpbaars in de verhalen van Hua. Dat zorgt ervoor dat zijn verhalen een mystieke sfeer met zich meedragen. De lezer herkent vage sporen van oude volksverhalen, en er wordt voortdurend gespeeld met de suggestie dat ook de natuur een bepaalde rol speelt en misschien wel meer kennis dan de personages in het verhaal heeft. In ‘Voorouder’, een van de meest fascinerende verhalen van deze bundel, voelt een jongen zich aangetrokken tot de behaarde mannen die in het aan zijn dorp grenzende bos wonen en beschreven worden als ‘voorouders’. Hij voelt bijzondere verwantschap met deze mensen terwijl de andere bewoners van het dorp juist vrezen voor dit bos met al zijn behaarde bewoners. Bij alle gebeurtenissen wordt de indruk gewekt dat het bos en zijn inwoners op stilzwijgende getuige zijn en een stuk van het verhaal voor zichzelf houden: ‘Het bos wuifde in de wind als zwijgende golven’.

    De thema’s en ook de stijl van de verhalen doen sterk denken aan de verhalen van Kafka, zeker het al eerder genoemde verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. De hoofdpersoon is op zoek naar verklaringen voor dingen die in het verleden gebeurd zijn, een verdere toelichting wordt er niet gegeven. In zijn zoektocht raakt hij verstrikt in een bureaucratisch systeem waarin eigenlijk niemand een verklaring lijkt te hebben voor de dingen die ze volgens het systeem waaraan ze onderworpen zijn moeten uitvoeren.

    Hoe later in zijn werk, hoe meer Hua zich lijkt te concentreren op menselijke relaties, alsof dit iets is waar hij meer interesse voor krijgt naarmate de revolutie verder op de achtergrond raakt. Deze latere verhalen kenmerken zich nog steeds door zijn abstracte stijl, maar zijn in vergelijking met zijn eerdere verhalen minder mysterieus en fantasierijk.

    Fascinerend is dat het overduidelijk is dat de verhalen zich afspelen binnen de Chinese cultuur.  In alle subtiliteit wordt duidelijk dat er net andere gebruiken zijn dan in het Westen. Daar draagt ook de uitstekende vertaling aan bij. Uit de woordkeuze en de bloemrijke beschrijving blijkt duidelijk dat het gaat om een werk dat oorspronkelijk in een andere taal geschreven is. Bijvoorbeeld: ‘Ruan Haikuo groeide op met de traagheid van een weerbarstige wortel van een oude boom’.
    Kortom, deze bundel biedt de lezer niet alleen geestigheid en absurdisme, maar ook mooie mysterieuze verhalen die nog dagen na blijven sluimeren.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Dat in de vijf verhalen uit de bundel De gulheid van de zeemeermin aftakeling en de dood terugkerende thema’s zijn wil niet zeggen dat zwartgalligheid de boventoon voert. Integendeel. Met humor beschrijft Denis Johnson in een mengeling van melancholie en sarcasme het wedervaren van de ik-personen in dagelijkse en minder doorsnee omstandigheden. Veel komt ongetwijfeld uit zijn eigen leven en veel heeft Johnson bekleed met overtuigende fictie.

    In het titelverhaal blikt Bill, een reclameman, terug op kleine situaties zoals werk, bezoek, het in ontvangst nemen van een prijs (waarbij een beknelde zenuw hem belemmert de voorgenomen fraaie toespraak te houden), en een telefoongesprek met een ex. De ex is terminaal ziek en wil voor ze sterft nog graag eens uiten hoe zij onder hem en hun huwelijk geleden heeft, onder zijn ontrouw en leugens. Halverwege het gesprek overvalt Bill de angst dat hij niet meer weet of hij nou zijn eerste of zijn tweede ex aan de telefoon heeft: ‘(…) of ze echt haar naam had gezegd toen ik opnam en wist ik opeens niet meer van welke reeks vergrijpen ik spijt had…’ Treurigheid en komedie gaan hand in hand, net als bij de bloemrijke typeringen elders in het boek, zoals ‘gediplomeerde eunuch’, of ‘met alleen een T-shirt aan waar zijn niet erg aantrekkelijke reet onderuit hing’ en ‘uit de stad Oskaloosa rammelden een heleboel onaangepaste types los’.

    Pseudofictie
    Niet alleen bij de exen, ook in het verhaal ‘Doppelgänger, poltergeist’ gaat het om wie is wie. De hoofdpersoon, een universitair literatuurdocent, vertelt het verhaal van een begaafde leerling, dichter en vriend die zich een half leven laat beheersen door de complottheorie dat de dode Elvis Presley niet de echte Elvis zou zijn. Zelf maakt de docent zich zorgen over een van de gedichten van de vriend, namelijk of hij hem daarin niet te kijk zet, eveneens een identiteitskwestie. In hoeverre dit iets met Johnsons eigen werkelijkheid van doen heeft is de vraag, maar dat hij er in zijn verhalen rijkelijk uit put lijkt zeker, gezien zijn opmerking in ‘Triomf over het graf’, waarin hij verklaart::’Ik ben me ervan bewust dat het gebruikelijk is in dit soort semiautobiografische verhalen – dit soort pseudofictionele memoires – de namen van mensen te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan.’ Die laatste toevoeging kunnen we vermoedelijk wel onder de fictie scharen.

    Onduidelijke achtergronden
    Johnsons vorige boek, de roman De lachende monsters, kenmerkt zich door net zulke vaagheid en versluiering van feiten aangaande personages. Hoofdpersoon Ronald Nair is een Deen met zwart haar en grijze ogen, maar in het bezit van een Amerikaans paspoort. Hij zou in dienst van een anti-spionageafdeling van de Navo naar Sierra Leone gekomen zijn om communicatiesystemen van de organisatie te onderzoeken. De maat die hij in Sierra Leone ontmoet, Michael Adriko, is een Afrikaan met een even onduidelijke achtergrond. Zeker is dat de mannen zich eerder samen inlieten met duistere zaakjes en nu kans zien om met oplichting en een blokje uranium rijk te worden. Het boek is een schelmenroman, waarin het criminele luchtje aan Nair en Adriko uit zucht naar geld en avontuur doet denken aan ondeugende jongensstreken. De rauwheid zit hem, behalve in hun eigen gedrag waarin ze elkaar beslist niet ontzien, vooral in de achtergrond vol geweld, bendes en geheime diensten in het toch al niet in vriendelijke stabiliteit uitblinkende Sierra Leone, Oeganda en Congo.

    Niet geschreven brieven?
    In ‘Het starlight op Idaho’ uit de verhalenbundel roept Johnson wederom twijfel op over wat pure fictie en wat realiteit is. Een ik, Marc Cassandra, schrijft vanuit een afkickcentrum brieven aan oude bekenden, familieleden, de satan en zijn dokter en stelt tussendoor de vraag of de brieven echt geschreven zijn. Johnson heeft zelf in afkickcentra gezeten om van drugs- en alcoholverslavingen af te komen, waardoor de lezer al snel geneigd is om alles te beschouwen als afkomstig uit Johnsons eigen leven, behalve dat zijn familie aan de onderkant van de samenleving resideerde. Marc heeft een labiele, apathische vader, een broer die de neus van zijn vriendin tot moes geslagen heeft, een moeder in de gevangenis en een oudste broer ‘die door de staat Texas niet met een schaar wordt vertrouwd.’. Johnson tekent de medeverslaafden in korte, rake bewoordingen, waarmee hij toont hoe dicht mensen in klinieken bij elkaar kunnen staan en hoe groot tegelijkertijd de afstand tussen hen kan zijn. Als Marc van de Refsusal af mag ontstaat helderheid en hoop, een gegeven dat waarschijnlijk wel rechtstreeks stoelt op Johnsons persoonlijke ervaring.

    Menselijk gebrek
    De rauwheid die in ‘De lachende monsters’ nog volop aanwezig is, heeft in ‘De gulheid van de zeemeermin’ een mild vernisje gekregen. Ook al gaat het er in een gevangenis bruut aan toe, en loopt een zieke, verloederende collega-schrijver op ‘gevlochten Japanse slippers, waarvan de gele bandjes voeten omklemden van een mythische gruwelijkheid – knobbelig, dooraderd, met teennagels als roofvogelklauwen’, in de verhalenbundel is het toch boven alles het menselijk gebrek waarin de wreedheid van het bestaan tot uiting komt. Gebleven is het spelen met identiteiten en een fluctuerende werkelijkheid.

    Berusting
    De lust tot avontuur is in De gulheid van de zeemeermin overgegaan in berusting. Dat dood en weemoed over het leven voortdurend aanwezig zijn, zal zijn oorzaak vinden in het feit dat Denis Johnson tijdens het schrijven van de verhalen wist dat hij zou sterven. Hij overleed in mei 2017 op 67 jarige leeftijd. Met zijn korte verhalen, romans, poëzie, toneel en non-fictie en vele gewonnen prijzen gaat hij als een belangrijk auteur de Amerikaanse literatuurgeschiedenis in.