• Vertalers op het omslag

    ‘Vertalers zijn de boodschappers van de wereldliteratuur. Dankzij vertalers, die in de huid van de schrijver kruipen en het boek in het Nederlands herscheppen, kunnen we boeken lezen uit alle windstreken.’

    Zo begint de ‘open brief aan uitgevers’ waarin de initiatiefnemers, de vertalers Annemart Pilon en Martin de Haan, en vervolgens een grote groep vertalers, schrijvers en critici, uitgevend Nederland oproepen om voortaan standaard op het omslag te vermelden wie het boek vertaald heeft.

    Bent u het daarmee eens dan kunt u deze brief ook ondertekenen. Klik hier om de hele brief te lezen en hem te ondertekenen.

     

     

     

  • Tijdschrift voor vertalers met verrassende opbrengst

    Deze week was het Wereldboekendag (23 april), een dag die tot doel heeft het boek te promoten zodat literatuur zich wereldwijd zal verspreiden. Om wereldliteratuur voor iedereen toegankelijk te maken, zijn vertalers nodig. Zonder vertalers zouden we geen kennis kunnen nemen van een groot deel van de wereldliteratuur. Daartegenover is het voor jonge vertalers niet eenvoudig om ervaring op te doen. En een goed vertaler word je door veel te vertalen; dus hoe wordt een vertaler met talent een ervaren vertaler? Vanuit die gedachte en vraag ontstond het idee van een tijdschrift waarin vertalers kunnen debuteren met de vertaling van een zelf gevonden, liefst onbekende auteur uit de wereldliteratuur. Elke editie van dit tweejaarlijkse tijdschrift zal onvertaald gebleven poëzie (nog niet in deze eerste editie), romanfragmenten en verhalen uit alle uithoeken van de wereld publiceren.

    In deze eerste editie van PLUK (dec. 2016) staan verschillende verhalen en romanfragmenten van (vrij ) onbekende auteurs – lees: onvertaald – en hun vertalers. En een column van de Duitse Isabel Hessen over hoe zij de vertaalster van Kom hier dat ik u kus van Griet Op de Beeck werd.

    Zijn het bijzondere verhalen die door deze jonge vertalers werden opgeduikeld en uit hun oorspronkelijke taal werden gehaald? Ja, dat zijn het. Zie het fantastische verhaal (in al zijn rampspoed) Paddenkop uit de verhalenbundel Turtleface en Byond van de Amerikaanse schrijver Arthur Bradfort (1969), die een vertelkracht kent die je niet had willen missen. Een mooie vondst van vertaalster Irene Paridaans en waarvan je hoopt dat de hele bundel vertaald gaat worden.

    Melani Reumers vertaalde al eerder en verhaal van de Spaanse schrijver Eloy Tizón (1964) uit de bundel Técnicas de iluminación, die in 2014 in Tirade 455 werd gepubliceerd. Tizóns werk was niet eerder in het Nederlands te lezen en met de vertaling van een tweede verhaal uit diezelfde bundel, Fotosynthese, mag gehoopt worden dat ook deze bundel in zijn geheel vertaald zal worden (Uitgevers?). Het verhaal als een tekst in beweging, als een gesprek van de schrijver met zichzelf, vragen stellend en als een bezwering neerpennend. ‘Waarom zou je niet tevreden zijn? Natuurlijk ben je tevreden. Treurigheid, dat is pas moeilijk, met deze zon en deze vulpen. Ze vroeg me aan haar zijde te blijven, voor altijd samen, maar je moest ervandoor, er zat niets anders op.’

    Dan deze nog: werk van de Japanse schrijver Teru Miyamoto (1947). Sander Schoen vertaalde het korte verhaal Verbrand je schepen ( Fune wo yaku). Een verhaal verteld alsof je op een stoel naast de verteller zit en hij je precies vertelt hoe, waar, wanneer en wat er allemaal gebeurde op een van de laatste dagen van een novembermaand, toen er een tropische storm op weg was naar Japan. Hoe een man drie dagen daarvoor op reis ging met zijn minnares, waarmee hij het na die reis wilde uitmaken. Hoe ze in een eenvoudig hotel aan de kust terechtkwamen, gerund door een zeer jong stel. We krijgen het levensverhaal van dat stel te horen, hoe ze van kinds af aan met elkaar optrokken en hoe ze nu uit elkaar gegroeid zijn. Er is een bootje op het strand dat elke ochtend op onverklaarbare wijze verschoven lijkt. En hoe uiteindelijk de man zijn minnares wil behouden. Een betoverend verhaal, en alweer, dat had je niet willen missen.

    Verder een vertaling van Ada Duker van de Italiaanse schrijver Mariapia Veladiano (1960) van het verhaal La Vita Accanto (Leven aan de zijlijn). Een vertaling uit het Deens door Renske Wiltink; een prozastuk uit de debuutroman (1928), Fiskerne (De vissers) van Hans Kirk (1898-1962), dat als een van de meesterwerken uit de Deense literatuur wordt beschouwd. Betty Klaasse vertaalde uit de bundel Ten Sorry Tales (2006) een verhaal van de Engelse schrijver Mick Jackson (1960) dat zo begint: ‘Lol en Edna Pearce waren graag op zichzelf, en dat was maar goed ook, want hun dichtstbijzijnde buren woonden veertien kilometer verderop.’ Dan wil je wel verder lezen.
    En vertaalster Jettie Huisman kwam via de schrijver Michael Cunningham (The Hours) de schrijfster Carol Anshaw (1946) op het spoor, die al een flink oeuvre aan korte verhalen en romans op haar naam heeft staan. Huisman vertaalde een stuk uit de roman Carry the One. En ja, ook hier geldt: ken je een stuk van het verhaal, wil je het hele boek lezen.

    Elke vertaling wordt door de betreffende vertaler van een inleiding voorzien. Paridaans schrijft onder meer over Bradforts stijl dat een aantrekkelijk aspect daarin zijn Brits aandoende gevoel voor humor is. En: ‘Het vinden van de juiste vertaling voor zinsneden als: ‘He was alive, a good sign’ maakte het vertalen van zijn teksten tot een feest.’ Wat een van de aanbevelingen is dit verhaal en deze Pluk te gaan lezen. Waarbij je de sensatie ervaart dat je een ontdekking doet, een primeur leest van niet eerder vertaalde teksten. Wat een genieten is, en dat alles in een mooi uitgegeven handformaat waarvan je er meerder van in je kast zou willen bijzetten.

     

    Redactie: Anne Folkertsma, Lisette Graswinckel, Betty Klaasse, Louise Koopman, Barbara de Lange, Anne Lopes Michielsen, Niek Miedema, Anne Roetman, Fedde van Santen en Lisa Thunnissen. Vormgeving en illustratie waren in goede handen van Andries Boertien.

    Het tijdschrift is te vinden bij de betere boekhandel of kan hier besteld worden. De tweede editie is in de maak en verschijnt zeer binnenkort.

     

     

  • Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland

    Paul Beers is de vertaler van onder andere Witold Gombrowitcz. Op 22 maart 2004 werd deze voordracht gehouden te Kraków ter gedachtenis van Witold Gombrowicz’ honderdste geboortejaar. De voordracht werd opnieuw uitgesproken op het symposium te Amsterdam op 4 mei 2005. Literair Nederland is verheugd ook deze tekst integraal te mogen publiceren.

    Ik wil mijn voordracht hier in Kraków opdragen aan de nagedachtenis van mijn collega Gerard Rasch, vooraanstaand vertaler van Poolse literatuur in Nederland, die een week geleden op 57-jarige leeftijd stierf. Hij vertaalde het Verzameld Werk van Bruno Schulz, proza van o.a. Miłosz, Szczypiorski en Kapuściński, en omvangrijke bloemlezingen van de poëzie van Zbigniew Herbert, Wisława Szymborska en zeer onlangs Czesław Miłosz. In 1997 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs, de meest prestigieuze literaire vertaalprijs in Nederland.

    De titel van mijn voordracht is niet erg optimistisch, zelfs een beetje provocerend, zeker in deze aula, maar als zodanig geheel in lijn met de auteur zelf. Ik geef u het laatste nieuws: pas twee maanden terug deelde de Nederlandse uitgever van Gombrowicz’ werk gedurende vele, vele jaren mij mee dat de laatste 50 exemplaren van het Dagboek in één prachtige band (ik laat u alle boeken zien) voor de helft van de prijs via internet zouden worden verkocht. Dit betekent dat op het moment geen enkel boek van Gombrowicz meer verkrijgbaar is in de Nederlandse boekhandels. Drie jaar geleden al vertelde de uitgever me dat grote aantallen van Alle verhalen, De beheksten en Pornografie zouden worden ‘verramsjt’ = goedkoop weggedaan, twee jaar geleden gold hetzelfde voor zelfs de paperback van Ferdydurke, en jaren ervoor voor de paperback van Kosmos.

    Zoals u ziet: alle boeken van Gombrowicz werden in Nederland vertaald, ook de nog niet genoemde, en niet in de laatste paar jaren maar reeds in de jaren ’60 en ’70. De vertaler van al deze boeken, die hier voor u staat, is nu ook tussen de 60 en 70, maar toen hij Gombrowicz vertaalde tussen de 30 en 40 jaar oud. Niettemin was hij niet de eerste die deze auteur in Nederland vertaalde. Want de naam en faam van Gombrowicz bereikte ons land voor het eerst al in 1959, toen de criticus Elisabeth du Perron-de Roos – de vrouw van een vooraanstaande schrijver in het interbellum – voor Het Parool een lang en lovend artikel schreef, getiteld ‘Poolse roman Ferdydurke in Franse vertaling’. Drie jaar later verscheen het boek in het Nederlands, besproken door de meest vooraanstaande critici. In 1963 was Elisabeth de Roos opnieuw de eerste die de Franse vertaling van Pornografia besprak, en een jaar later al recenseerden enkele van dezelfde critici de Nederlandse vertaling – op hetzelfde moment dat wie anders dan Elisabeth de Roos zich boog over Gombrowicz’ Journal 1953-1956, ook ditmaal weer in Het Parool.

    Toen kwam in 1965 het moment dat ik – nu citeer ik Ferdydurke – ‘de Rubicon van de onvermijdelijke dertigjarigheid had overschreden.’ Ik ontdekte op een kritiek moment in mijn leven de Duitse, ingekorte pocket-versie van het Tagebuch 1953-1956 en het raakte me zo diep dat ik dit boek beslist wilde vertalen, een boek van zo grote authenticiteit, originaliteit, diepgang, afwisseling, en veel buitenlucht, zeelucht. Geen bibliotheek, geen wetenschap, geen epistèmè – een man naar mijn hart. Het jaar ervoor was ik na mijn filosofiestudie boeken gaan vertalen van Sartre, Jaspers en Fromm, ik hield niet erg van die boeken, Sartre en Jaspers waren ook knap moeilijk voor een beginnend vertaler, en wat je ermee verdiende was te schaamteloos voor woorden.

    Maar toen! ‘de schok der herkenning’ – om een boektitel te citeren van de bekende criticus Gomperts, die Gombrowicz eveneens besprak en hem ‘een bizarre geest van de eerste rang’ noemde. Ik vertaalde op de gok het eerste hoofdstuk van het Dagboek en bood de vertaling aan de twee verschillende uitgevers aan die resp. Ferdydurke en De pornografie hadden gepubliceerd. De eerste, Moussault, was geïnteresseerd, en omdat deze grote problemen had gehad met de vertaling van Ferdydurke – uiteindelijk het werk van drie vertalers, de eerste uit het Pools, de tweede corrigerend uit het Duits, de derde het Nederlands redigerend –, schreef hij Gombrowicz en vroeg hem toestemming zijn Dagboek niet uit het Pools te laten vertalen, maar uit de Duitse en Franse edities. Gombrowicz antwoordde: ‘Ik geef de voorkeur aan een goede Nederlandse vertaling van mijn werk uit het Duits en Frans boven een middelmatige uit het Pools.’

    En zo begon de lange reeks publicaties van zijn werk in Nederland, waarvan de meeste zeer positief in kranten en weekbladen werden besproken. In 1967 verscheen mijn eerste vertaling: Uit het dagboek van Witold Gombrowicz, die ik hem zelf in Vence tijdens mijn zomervakantie kon aanbieden. Na het interview met hem schreef hij in mijn exemplaar: ‘A P. B. qui me torture avec ses questions. Très amicalement, Witold Gombrowicz.’ Rita Gombrowicz troostte me nadien met haar jarenlange vriendschap. Ik was toen eenendertig, zij tweeëndertig jaar.

    In hetzelfde jaar ’67 vond er een zeer succesvolle opvoering plaats van Yvonne, net als Het huwelijk een jaar later vertaald door ervaren en reeds welbekende vertalers. In ’68 verscheen mijn vertaling van Kosmos, in ’69 vijf van de tien verhalen onder de titel Met voorbedachten rade, in ’70 de Gesprekken met Dominique de Roux, in ’71 de andere vijf verhalen onder de titel De rat. En in ’72 – samen met een herdruk van Ferdydurke – het Dagboek Parijs-Berlijn dat, net als in Frankrijk en Duitsland, als een apart boek werd uitgegeven; wat een genot opnieuw 100 pagina’s te kunnen vertalen van dat sprankelende, controversiële boek! Binnen tien jaar kon het Nederlandse publiek een groot deel van zijn werk lezen en zijn toneelstukken zien.

    Maar nu iets over de manier waarop deze boeken werden uitgegeven. Ferdydurke en de twee uittreksels uit het Dagboek werden als paperback uitgegeven door Moussault, De pornografie en Kosmos door Polak & Van Gennep, eveneens al paperback. Maar vervolgens gingen Polak en Van Gennep uit elkaar en de vermogende bibliofiel Johan Polak zette zijn uitgeverij voort onder de naam Athenaeum-Polak & Van Gennep. Dit is dermate verwarrend dat ik voortaan alleen van Athenaeum zal spreken. Johan Polak verwierf de rechten voor het gehele werk van Gombrowicz, inclusief de boeken van Moussault nadat deze uitgeverij was opgeheven. Polak wenste alleen beroemde klassieke of bijna klassieke auteurs uit te geven in fraai gebonden boeken. Het resultaat was dat de twee kleine witte boekjes met elk vijf verhalen (omvang 135 pagina’s) tweemaal zo duur waren als een paperback van 250 pagina’s. En dat was rampzalig. Veel boekhandels kochten deze boekjes niet eens in, uit vrees ze nooit te zullen verkopen. Gombrowicz was nu definitief een schrijver voor de upper-ten geworden, upper-hundred, okay, maar verloren voor één of tweeduizend lezers. Ik ben er van overtuigd dat Gombrowicz nooit een schrijver voor een algemeen lezerspubliek zal worden, hij is stellig een writers’s writer, maar ook een student’s writer. Bijna al zijn fans in Nederland ontdekten hem toen ze twintigers waren, en wanneer ik van tijd tot tijd door een nieuwe bewonderaar word benaderd is het een jeugdig persoon. Jonge mensen, of laten we zeggen de intellectuelen onder hen, hebben niet veel geld, en Gombrowicz had beschikbaar moeten zijn in normaal geprijsde uitgaven. Zeker, ook de paperbacks liepen traag, maar ten slotte werden ze verkocht. De gebonden edities van Athenaeum waren te prijzig voor jonge mensen.

    In 1973 verscheen het Toneel, gebonden én als paperback, alle drie de stukken, dus ook Operette, nu in mijn vertaling, een grote daad van Polak, want toneelstukken worden nauwelijks verkocht. Eveneens in 1973 wijdde literair magazine SOMA zijn laatste nummer aan Gombrowicz. Ik werd aangezocht als gastredacteur en slaagde erin zo’n omvangrijk nummer te maken dat de lijm het amper bij elkaar kon houden. Dit succes kreeg een staartje, want SOMA werd een jaar later vervangen door een nieuw tijdschrift, De Revisor (1974), en mij werd gevraagd redacteur/secretaris te worden. Omdat De Revisor algauw een prominente plaats veroverde temidden van de literaire tijdschriften en vele van de talentvolste jonge schrijvers aantrok, had ik alle kans Gombrowicz te promoten; naast hem ook Marian Pankowski, die ik in Brussel had geïnterviewd voor het Gombrowicz-nummer van SOMA en van wie ik de roman Matuga, de novelle Beukenootje en al zijn verhalen vertaalde voor tal van literaire tijdschriften en twee verhalenbundels.

    Na 1973 vertraagde het tempo van de vertalingen. Het meeste werk was gedaan. Restten alleen Trans-Atlantisch en het complete Dagboek. De Revisor publiceerde fragmenten uit het Dagboek over Bruno Schulz, literaire kritiek en Dante, en de getuigenissen over Gombrowicz als persoon door Alejandro Rússovich en Rita Gombrowicz. Ik vertaalde Transt-Atlantyk nog voor de Franse vertaling verschenen was, dus enkel op basis van het Duits. Ik moet vrezen dat ik veel vergissingen heb gemaakt bij dit boek, dat het meest Poolse van allemaal is en vol Poolse woordspelingen moet zitten, zoals Marian Pankowski in zijn nawoord zegt. In 1977 verscheen de  vertaling, samen met een herdruk van Kosmos, natuurlijk niet als paperback maar – ik herhaal – als the Bold and the Beautiful. In dat jaar ook begon ik met de integrale vertaling van Dziennik I. Ik herzag (‘revisored’) de gedeeltes van mijn vertaling van tien jaar geleden volledig en wilde verder gaan – toen Johan Polak = Athenaeum me mededeelde dat de herdruk van Ferdydurke was uitverkocht, dat hij niet van plan was de oude vertaling te herdrukken en dat ik een nieuwe diende te maken. Het idee stond me niet aan, ik vond het ‘ouwe koek’, Ferdydurke had in Nederland en elders zijn weg gevonden, ik bewonderde boven alles het Dagboek en daarna zou ik achter het vertalen van Gombrowicz een punt zetten.

    Maar het ging anders. Nadat Polak met al zijn vleierijen tot driemaal toe druk op me had uitgeoefend en ik niet zonder moeite driemaal had geweigerd, vroeg hij me ten slotte de oude vertaling te herzien. Ik kon niet meer weigeren, toog aan het werk en… ontdekte zoveel ontoelaatbaars dat ik onmiddellijk op 2 januari 1979 aan de nieuwe vertaling begon, midden in een zeer koude winter, en deze negen maanden later – ja, het was een bevalling – voltooide. Hoe teleurstellend dat het boek niet al in het voorjaar van 1980 verscheen, maar pas in mei 1981, en ondanks mijn dringend verzoek niet als paperback maar alleen als zeer prijzig gebonden boek. Wel verscheen het tezamen met Gombrowicziana, een zogenaamd Revisor-boek dat, min of meer als het SOMA-nummer van 1972/3, een aantal nieuwe essays bevatte, het grote essay van Miłosz ‘Man a God or Man a Wolf?’ en de beschouwingen van Schulz en Gombrowicz over elkaars werk. Ikzelf schreef voor het eerst over het probleem Gombrowicz te vertalen vanuit de Duitse en Franse edities, maar ik toonde eveneens aan welke fouten ik met name in de Duitse vertalingen had ontdekt en hoe vruchtbaar het kan zijn twee vertalingen te vergelijken.

    Nu dreig ik het ‘tussendoortje’ te vergeten dat Gombrowicz zelf in zijn Gesprekken met de Roux niet eens noemde, De beheksten, maar dat mij erg beviel. Ik had zelfs een vriend die Gombrowicz verafschuwde, maar alleen dit boek op prijs stelde. Ditmaal vertaalde ik uitsluitend op basis van de Franse editie, die als eerste verscheen, en het was een genoegen voor het eerst een boek te vertalen dat niet moeilijk was en toch de moeite waard. Ik had het geluk dat het beste ochtendblad, de Volkskrant, het boek in 1981 als feuilleton publiceerde, net als de Franse Le Monde in 1977 en later de Duitse Frankfurter Allgemeine Zeitung in 1987. Als boek werd De beheksten pas uitgegeven in 1990, inclusief het slot, dat was kwijtgeraakt maar teruggevonden en gepubliceerd in de Duitse uitgave.

    Maar nu heb ik het jaar 1986 overgeslagen. Toen verscheen ten slotte het complete Dagboek 1953-1969, met een grote presentatie in De Balie te Amsterdam, in aanwezigheid van Rita Gombrowicz, met verschillende sprekers en filmfragmenten en een speciaal nummer van De Revisor. Alle vooraanstaande kranten en weekbladen schonken ruime aandacht aan het fraai gebonden boek van meer dan 900 pagina’s. Het werd tamelijk goed verkocht, elk jaar verminderde de voorraad, totdat dus onlangs de laatste vijftig exemplaren voor de halve prijs werden aangeboden. Kijken we naar de namen van de uitgevers van het Dagboek, dan zien we niet alleen Athenaeum staan, maar ook Ambo. De situatie van Athenaeum was op dat moment zo kritiek dat het Dagboek in feite door een andere uitgeverij werd geproduceerd, en dat was het Ambo van Ivo Gay, dat een jaar later de tweede herdruk van Kosmos uitgaf als goedkope paperback. Toen in 1987 Athenaeum zo goed als bankroet was, besloot de curator plotseling tot een herdruk van De pornografie als pocket voor een absurd lage prijs, een derde van de gebonden editie, in de hoop – denk ik – dat velen het boek vanwege de titel zouden kopen. Ik hoor de tanden knarsen, terwijl men vergeefs uitziet naar de beloofde opwinding. Niettemin, op dat moment bereikte De pornografie, net als Ferdydurke en Kosmos, de derde druk.

    In 1988 nam de jonge, ondernemende boekhandelaar Ad ten Bosch het fonds van Athenaeum over en ging verder met Gombrowicz. En hoe! In 1989 gaf hij Alle verhalen uit in één deel. De vertaling werd opnieuw herzien en  gecompleteerd met de zeer korte verhalen in de Duitse uitgave van het verzameld werk. In 1990 verscheen de boekuitgave van De beheksten – beide boeken als paperback én gebonden. Maar één ding was hetzelfde gebleven – mogelijk een aan Johan Polak gedane belofte: de paperbaks hadden de prijs van een gewoon gebonden boek en de gebonden boeken leken bedoeld voor rijke bibliofielen. – Dat gold niet voor Ferdydurke. In 1992 kwam het nieuwe Athenaeum (Johan Polak was in 1992 overleden) met een paperback van Ferdydurke, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de verkoop ook van deze uitgave teleurstellend was. Toch was dat nog niet het einde. Aangestoken door het enthousiasme van de nieuwe directeur durfde ik hem te vragen of ik een nieuwe vertaling van De pornografie mocht maken. De eerdere was inmiddels dertig jaar oud, dus ook de vertaling was ‘de onvermijdelijke Rubicon’ overgegaan en deze roman, mijn favoriet onder Gombrowicz’ romans, was het enige boek van hem dat ik niet had vertaald. De uitgever ging akkoord en deels op basis van de oude vertaling, zoals ik in mijn Verantwoording schreef, verscheen Pornografie, nu zonder lidwoord, in 1994.

    Nu, tien jaar later, moet ik toegeven dat Gombrowicz voor een algemeen publiek  dood is in Nederland. Geen enkele boekhandel, zelfs de beste niet, heeft meer een boek in huis. De tweedehandsboekwinkels nog wel. Maar elk jaar is er wel weer een jonge man of vrouw die zijn werk ontdekt, contact met me zoekt en getuigt van groot enthousiasme. Een Rotterdamse toneelmaker en een Vlaamse actrice maakten meerdere voorstellingen gebaseerd op zijn werk; het studententheater speelt van tijd tot tijd Yvonne; een beeldhouwster/schrijfster maakte een mooie buste van Gombrowicz die nu op Rita’s bureau staat; al in 1972 maakte een schilder van mijn leeftijd vier zeefdrukken gebaseerd op Gombrowicz’ werk die nu in mijn werkkamer hangen; en twee indertijd jonge filmmakers kozen in de jaren ’70 als onderwerp voor hun eerste korte films resp. het verhaal De danser van Mr. Kraykowski en Moord met voorbedachten rade. Ja, de jaren ’70 waren het decennium waarin Gombrowicz een grote naam was in de Hollandse culturele wereld en menig kunstenaar inspireerde. Iets van die atmosfeer terug te voelen is een van de redenen waarom ik besloot naar Kraków te komen en Polen voor het eerst te bezoeken. Want de vertaler te zijn van een van de grote moderne Poole schrijvers zonder diens taal te beheersen heeft iets ongemakkelijks. Neemt u me niet kwalijk, ik wist in 1965 niet dat de schok der herkenning zo ver zou gaan.

     

     

  • Drie vertaalproblemen – Annemarie Vlaming

    Annemarie Vlaming is de vertaalster van Privélessen van Alain Claude Sulzer. Literair Nederland vroeg haar naar de drie lastigste problemen bij het vertalen van dit boek en naar haar oplossingen. Zij maakte daar geen vertaaltechnisch verhaal van, maar een wat persoonlijker relaas. Zij herlas het boek en bij het teruglezen kwam er weer van alles bij haar boven. Annemarie Vlaming: ‘Het is echt een prachtig, stemmig boek.’  

    Mag het misschien wat minder?

    Sulzer heeft, ook in zijn andere boeken, de neiging in detail te treden. Soms denk ik: ja, nou weet ik het wel, mag het wat misschien wat minder? Maar dat is tegelijkertijd Sulzers grote kracht. Juist door die gedetailleerde beschrijvingen wekt Sulzer zijn personages tot leven. Voor Olga bijvoorbeeld, Leo’s oma, die samen met haar hond in een afgelegen heksenhuisje in het bos woont, zijn die details van levensbelang, zo houdt ze zichzelf staande.

    ’Wat ga ik nu doen? Het kostte haar geen enkele moeite om simpele klusjes te vinden, daardoor had ze altijd genoeg te doen. Ze praatte de hele tijd in zichzelf. Zaaien, uitdunnen, verspenen, wieden, spitten, hakken, onkruid trekken en zaairijen verjongen, aanaarden en oogsten […]. Voeren en eieren rapen (de hond, de kippen), iedere ochtend, ’s middags at ze altijd een ei, haast iedere avond spiegeleieren. ’s Morgens luisterde ze naar het getsjilp van de vogels en telde ze de slagen van de kerkklok, als deze niet zweeg omdat niemand zich erom had ontfermd en op de toren was geklommen om het uurwerk op te winden.’

    Ik hoor haar gewoon mompelen, ik zie haar gebukt door haar tuintje schuifelen, redderen tot het tijd is om naar bed te gaan. Zo lang ze bezig is hoeft ze niet na te denken, ze put zichzelf uit, om ’s nachts een paar uur slaap te kunnen vinden waarin ze haar overleden man, haar kinderen, haar kleinkinderen niet mist.

    En dan is er Martha, die binnen haar gezin haar hoofd blijkbaar alleen boven water kan houden door zich vast te klampen aan allerlei futiliteiten.

    ‘Ze moest opstaan, naar de keuken gaan, er mocht niets aanbranden, niets rauw blijven en niets te gaar koken, ze had zich voorgenomen om een onberispelijk diner te bereiden, zoals je het anders alleen in een restaurant kreeg, een diner dat je niet snel zou vergeten (natuurlijk zouden ze het snel vergeten). De rosbief in bladerdeeg stond te garen in de oven. Hij moest vanbinnen rosé blijven. De groente uit blik lag uit te lekken in de zeef (uit het ontbonden huishouden van haar ouders). De rijst stond zachtjes te pruttelen. Het rook er naar boter en jägersaus, naar champignons, verse peterselie en Martha’s parfum, dat Walter haar ook dit jaar weer had gegeven.’ Je ziet het, je ruikt het, je voelt de sfeer van opgelegde vrolijkheid, van gezellig samenzijn. Haar keurslijf van normen en waarden, geen ontsnapping mogelijk, leeg en troosteloos.

    Ja, misschien had het met minder woorden gekund, maar dit is Sulzer ten voeten uit. Ik moet hem vertrouwen, ‘mijn schrijver’ respecteren en zijn tekst geen geweld aandoen door details te schrappen. Elk woord staat waar hij vindt dat het moet staan. Het is zijn eerbetoon aan zijn personages.

    Rustig vaarwater

    Soms vertaal je een boek ademloos. Je vergeet te eten, te drinken, de adrenaline stroomt door je lijf. Je moet door, het voelt alsof je wordt meegesleurd. Nacht voor het feest van Saša Stanišić is zo’n boek. Je hijgt mee met de vos die naarstig op zoek is naar voedsel voor haar kleintjes, je voelt de hectiek en opwinding van de dorpsbewoners in de nacht voor het grote feest, het vertalen wordt een haast lichamelijke aangelegenheid.

    Bij Sulzer niet. Hier geen hevige stroomversnellingen, hooguit wat kleine kolkjes. Sulzers boeken kabbelen voort. Je roeit wat, je dobbert wat en uiteindelijk kom je er ook wel.

    Ook dit is Sulzer, zo schrijft hij. Dus ik dompel me erin onder en laat me meedrijven op zijn woorden. Die afwisseling tussen maalstroom en rustig vaarwater is heerlijk. Bovendien: weinig dynamiek wil nog niet zeggen dat er geen grote gevoelens van levensechte personages in het spel zijn.

    Waar is Mazko?

    Als vertaler word je gedwongen het verhaal keer op keer te doorleven. Dit valt niet altijd mee.

    Zwaar had ik het bijvoorbeeld met het eenzame leven dat Olga leidt in haar vervallen huisje in het bos, pratend in zichzelf en tegen haar hondje Mazko, zichzelf bezighoudend met allerlei klusjes om letterlijk op de been te blijven. Haar kleinzoons zijn het land uit gevlucht, op zoek naar een beter leven; ze gunt hun het beste en berust zelf in haar lot. Maar dan is ook Mazko opeens verdwenen en heeft niks nog zin. Waar is Mazko? blijf ik me gedurende het hele vertaalproces afvragen, al weet ik na de eerste keer lezen natuurlijk hoe het afloopt.

    En dan de leegte van Martha’s bestaan, de verveling… Het opgeruimde huis, de stilte, het wachten, haar man die vreemdgaat, haar kinderen die haar negeren… Martha, doe iets, wil je roepen, gooi de ramen open, schop je man de deur uit, ga met Leo mee! Diezelfde Leo met wie ik zo’n medelijden had vanwege het tenenkrommende gastgezin waar hij na zijn vlucht uit zijn door communisten bezette vaderland terecht komt. Vol goede bedoelingen, die mensen, maar burgerlijk en hypocriet tot op het bot.

    Zomaar een paar voorbeelden van wat me tijdens het vertalen bezighoudt en me soms regelrecht aangrijpt. Je blijft hopen dat het goed komt, blijft zoeken naar een lichtpuntje.

    Maar een vertaalprobleem is dit natuurlijk niet, ik ervaar het als een vertaalvoorrecht. Want zelden tot nooit lees ik een boek voor de tweede of derde keer, laat staan vier of vijf. En wanneer haal je nou alles uit een boek wat de schrijver erin heeft gestopt? Wanneer kruipen personages je zo onder de huid als bij het eindeloos doorlezen, corrigeren, teruglezen? Wat een eer!
    Lees hier de recensie  van Carlijn Brouwer over Privélessen.

  •  ‘Ga er maar aan staan’

    Wie literaire teksten vertaalt, moet van alle markten thuis zijn, een Jack of all trades … pardon: Manusje van alles. Het gaat om meer dan het zorgvuldig, woord voor woord, omzetten van de ‘brontaal’ in de ‘doeltaal’, om het in jargon te zeggen, je moet ook het idioom van speciale groepen beheersen. Wat betekent het als er in een Engelse tekst over de loo gesproken wordt? Is dat iets anders dan bathroom? Toilet? Water closet? Zulke dingen luisteren nauw. Bij sommige gelegenheden zeg je bepaalde woorden niet, bij andere juist wel en dat heeft alles te maken met klassenverhoudingen, religieuze achtergrond, leeftijd, status, regio, periode. Tussen de verschillende talen bestaan bovendien aanzienlijke idiomatische verschillen. Villa betekent in de ene taal een duur huis, in de andere taal een buitenwijk, afhankelijk van de context. In het Italiaans slaat een casino op een feestzaal, in het Nederlands op een gokpaleis.

    Als je afgaat op de wijze lessen van Maarten Steenmeijer in zijn zojuist verschenen Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur, kijk je wel uit om er aan te beginnen. Ondanks het feit dat Nederland, anders dan Engelstalige landen, een typisch ‘vertaalland’ is. In een speciaal hoofdstuk vind je een bloemlezing van fragmenten uit recente Nederlandse vertalingen van Duitse, Amerikaanse en Spaanse romans. Een dodelijke opsomming. Steenmeijer, die zelf uit het Spaans vertaalt, legt de lat hoog. De vertaler moet volgens hem de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver zien te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden leren kennen en doorgronden’. De bedoeling is immers de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ te geven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Wie durft nog? Ook praktisch sta je hier als vertaler voor een bijna onmenselijke opgave. Een voorbeeld: Steenmeijers favoriete schrijver is de Spanjaard Javier Marías, maar deze auteur heeft – zoals de vertaler zelf opmerkt – pas na vijf boeken zijn eigen ‘talige persoonlijkheid’ gevonden.

    Desondanks brengt Steenmeijer het vertalersambacht dichterbij door allerlei aspecten en dimensies op een luchtige manier tegen het licht te houden. Zijn boek is een verzameling van zo’n vijfentwintig hoofdstukjes, vaak niet langer dan een pagina of vijf, zes. Hij is wars van moeizaam jargon en schrijft overzichtelijke, nuchtere betoogjes, columns eigenlijk, waarbij hij algemene vertaalproblemen verduidelijkt aan de hand van concrete gevallen. Als je begrijpt hoe vertaalfouten tot stand komen, is vertalen misschien niet meer zo afschrikwekkend, het is uiteindelijk toch mensenwerk. Hij behandelt eerste zinnen, zowel voor schrijvers als vertalers van cruciaal belang, het vertalen van popsongs, de plaats van de lezer en de kwestie van ‘vrij’ of ‘precies’ vertalen, maar als een rode draad door het hele boek loopt een heikele kwestie, waarvoor ook andere vertaaldeskundigen uitdrukkelijk aandacht hebben gevraagd: hoe doe je recht aan het origineel?

    In 1937 wees de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset er in een beroemd essay op, dat vertalers ‘de angel uit de oorspronkelijke tekst halen’. Schrijvers zijn volgens Ortega ‘opstandelingen tegen de taal’, ze overtreden normen en regels, literaire taal wijkt af van de doorsneetaal, misschien wel juist ter verhoging van de verstaanbaarheid. Vertalers kunnen daar niet tegenop, ze sluiten de schrijver op in de ‘gevangenis van de gewone taal’, vertalingen geven vaak de indruk dat de schrijver eigenlijk een beetje dom is. Om het in andere woorden te zeggen: ‘vreemd’ taalgebruik wordt in de vertaling weggezuiverd, het hart, de originaliteit, wordt uit de tekst gehaald. Dit is het centrale dilemma van de vertaler en Steenmeijer komt hierop dan ook op verschillende plaatsen terug, ook aan de hand van schrijver en vertaler Tim Parks die zich de laatste jaren uitdrukkelijk in de discussie heeft geworpen. De ‘persoonlijke stijl’ van de schrijver wordt door vertalers omgezet in een ‘algemene stijl’, die weliswaar voldoet aan de standaarden van ‘mooi Engels’ of ‘mooi Frans’, maar die de oorspronkelijk tekst uitdrukkingsloos maakt.

    Een klemmend probleem. Steenmeijer pleit ervoor dat vertalers beter betaald worden en meer in de schijnwerpers komen te staan – hun naam op de kaft, duidelijker aanwezig in praatprogramma’s op radio en tv. Wie zou het hem misgunnen een Bekende Nederlander te worden? Maar dat alles is geen oplossing voor de bijna schizofrene positie waarin vertalers zich per definitie bevinden. Steenmeijer zegt het zelf: de ene vertaler is de andere niet. ‘Vraag aan tien literair vertalers om dezelfde tekst te vertalen en je krijgt tien verschillende resultaten. (…) Het is naïef om de vertaler te zien als een onzichtbare go-between’. Vertalers zullen altijd moeten zien te laveren tussen de eisen van de oorspronkelijke tekst en de vrijheid om die tekst naar eigen inzicht om te zetten. Het is volgens Steenmeijer een soort ‘spookgebied’ waarin de vertaler als een ander moet schrijven, maar ook als zichzelf. ‘Ga er maar aan staan’, verzucht hij.


    Schrijven als een ander
    Over het vertalen van literatuur

    Maarten Steenmeijer
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 15,95

  • Vertaalproblemen – Pauline de Bok

    Pauline de Bok is de vertaler van Leven met het pistool op tafel (Arbeit und Struktur) van Wolfgang Herrndorf.
    Literair Nederland vroeg haar naar de lastigste problemen bij het vertalen van dit boek en naar haar oplossingen.

     

    Wat is een boek vertalen? Neem Arbeit und Struktur van Wolfgang Herrndorf. Dat is je vol verve maandenlang op 444 bladzijdes vol vertaalproblemen storten, met de vasthoudendheid van een terriër. Totdat Leven met het pistool op tafel. Een Berlijns dagboek er ligt. Waarmee ik meteen het eerste vertaalprobleem bij de hoorns heb: de boektitel simpelweg vertalen levert lang niet altijd een goede titel op voor een Nederlands lezerspubliek. Arbeid en structuur, of Werk en structuur, nee, dat zou niks worden met de verkoop. Uiteindelijk is het overigens de uitgever die de knoop doorhakt, hij moet het boek verkopen.

    Goed, 444 bladzijdes vertaalproblemen dus. Waarvan de grootste nooit écht op te lossen zijn. Maar je moet iets doen, dus je maakt een keuze, of je slaat er ten einde raad een slag naar. En je troost je met de gedachte dat elke vertaling voorlopig is. Maar hoe waar dat ook is, je draait je er ook een rad mee voor ogen, uiteindelijk wordt er namelijk één versie gedrukt. Dat is de definitieve. Nog wel, tenminste. Bij een digitale versie is daar de facto al veel minder sprake van.
    Vaak kan de schrijver je ook niet verder helpen, hij begrijpt je probleem niet, omdat hij niet weet wat vertalen is. Heus, dat komt voor, en vaker dan menigeen denkt. Of hij kan je niet verder helpen omdat hij dood is. Zoals Wolfgang Herrndorf.

    Toen ik Herrndorfs eerste kassucces Tsjik vertaalde leefde hij nog, al had hij al een hersenoperatie, chemokuur en opname in de psychiatrie achter de rug. En ook zijn sterfdatum – statistisch gezien – al in zijn agenda gezet. Hij hield zich overeind met werken en met structuur in zijn leven. En met een pistool, zodat hij er altijd zelf een eind aan kon maken.
    Omdat ik hem niet lastig wilde vallen met mijn lijstje vragen, stuurde ik het naar zijn redacteur, en gaf ook nog twee foutjes in de Duitse tekst door. Herrndorf antwoordde zelf: ‘Cristiano Ronaldo, verdammt. Hätte ich allerdings bemerken müssen.’ Hij had de voornaam van zijn voetbalheld met een h geschreven.
    Later heb ik gekeken of hij die dag, 13 mei 2011, iets op zijn blog had geschreven. Niets, ik voel een lichte teleurstelling. Alsof we bijna een moment hadden gedeeld. Zijn tweede mail, die hij schreef toen hij hoorde dat Tsjik op de shortlist voor de Europese Literatuurprijs stond, kreeg ik op 1 februari 2012 kort na elven ’s avonds. Die dag had hij wel iets in zijn blog geschreven, ’s middags om 16:05 uur. We zijn dan al op bladzijde 300 van de brontekst.

    ’s Ochtends had hij in het ziekenhuis per ongeluk de fax in handen gekregen – van de ene specialist aan de andere – met de uitslag van zijn laatste MRI. Die schrijft hij letterlijk over in zijn blog. De oncologische, radiologische termen gaan nog, die zijn met wat internetspeurwerk vaak nog wel te vinden, al blijft het erin geslopen Engels natuurlijk verraderlijk. Maar wat te doen met ‘verplumpte Hirnoberfläche’, ‘log geworden hersenoppervlak’? Al te letterlijk, klinkt niet, maar vooral: hoe zeggen Nederlandse specialisten dat in vredesnaam? Ik mail het Integraal Kankercentrum Nederland of ze de medische passages van de vertaling op fouten en eigenaardigheden willen doorlezen. Ik heb geluk: ze hebben een onderzoeker, Vincent Ho, die goed is in Duits en in hersentumoren, en die het leuk vindt om te doen. Zo’n hersenoppervlak noemen ze trouwens ‘gezwollen’.

    Zo wemelt het in het weblog van verschillende jargons en stijlen. Schrijft Herrndorf over Thomas Mann, dan neigt hij naar Mann-zinnen. Schrijft hij over voetbal, dan klinkt hij als een voetbalcommentator, en over zijn ziekte schrijft hij alsof hij oncoloog, radioloog of radiotherapeut is. Hij noemt allerlei onbekende namen zonder uitleg, schrijft in telegramstijl, leeft zijn voorliefde voor lijstjes uit, veegt de vloer aan met schrijvers of bewondert ze gul. Wenst de Duitse BN’ers – BD’ers, dus eigenlijk, maar zo heet dat daar niet – naar de hel en vaart uit tegen hypnotiseurs, kokovoristen, darmreinigers en andere zelfbenoemde hersenkankergenezers. En draagt zijn lot met opgeheven hoofd.
    En als hij krankzinnig is, schrijft hij krankzinnig.
    Dat kost me veel hoofdbrekens: beweeg ik me met mijn vertaalkeuzes wel in het spoor van zijn waanzin of begrijp ik hem gewoon verkeerd? Wie zal het zeggen. Tegelijkertijd hóúd ik van die passages. De mooiste om te vertalen zijn die van zijn desoriëntatie, in zijn stad, in zijn taal, in zijn denken, in zijn stemmingen. Zo aangrijpend zijn ze dat ik er liefst elke dag naar terug zou keren, om er nog een beetje aan te schaven, nog preciezer, nog onontkoombaarder, nog dichter bij wat ik denk dat hij wil beschrijven. Terug naar de avonden waarop Herrndorf, ‘de Grote Navigator’, de ‘briljante strateeg’, verdwaalt in zijn eigen buurt. En meteen de draak met zichzelf steekt, als was hij de held in een tweederangs krimi. Of naar de gelukzalige dag dat hij de wereldformule heeft gevonden en er zijn vrienden kond van gaat doen…

    Ik verdwaal in die passages, maar ik moet voort, de ‘Quantenradierer’ wacht op een fatsoenlijke vertaling – ik ben weer op woordniveau aangeland. Het Nederlands heeft er geen eigen term voor. Uitwijken naar het Engels dan maar? Dat doet Herrndorf ook niet. Maar Quantenradierer heeft op het moment dat ik dit schrijf tenminste 2.510 hits op Google. Mijn Nederlandse kandidaat ‘quantumwisser’ heeft er maar één: in 1999, in NRC Handelsblad. En dan geeft de Dikke Van Dale als spelling ook nog eens ‘kwantum’. Dan maar liever Engels? Of toch iets dat bijna een neologisme is? Ach wat! Het wordt ‘kwantumwisser’. Soms wil je even een bokkensprong maken in zo’n woud van een tekst. Herrndorf zou het me zeker niet euvel hebben geduid. Sterker nog, ik denk dat hij er zich om had verkneukeld. Soms moet je de moed hebben om op je bek te gaan. Maar voor ik zover ben, heb ik me ingegraven in de kwantummechanica. Ik kan het natuurkundelokaal van meer dan veertig jaar geleden haast weer ruiken.

    De grootste vraag gedurende al die maanden bleef: maak ik er iets meer een boek van of blijf ik zo dicht mogelijk bij het genre weblog? Laat ik fouten, onduidelijkheden, niet bedoelde woordherhalingen, razendsnel op het scherm gesmeten zinnen, moeizame constructies – ook in het Duits – voor wat ze zijn? Of polijst ik ze een beetje? Dat gebeurt vaak bij vertalingen, een beetje polijsten, om de schrijver te ontzien, maar vooral om jezelf als vertaler te ontzien – als je iets lelijks met iets lelijks vertaalt, krijg jíj het namelijk op je brood, want welke lezer haalt er nou de brontekst bij?
    De twee redacteuren van het boek Arbeit und Struktur schrijven in hun nawoord dat Herrndorf hun had verzocht de tekst na zijn dood kritisch door te lezen en te redigeren, en ze stellen vast (in de derde persoon): ‘Veel te doen hadden ze daarbij niet.’ Wat voor mij als vertaler de keuze duidelijk maakt: het boek moest het karakter van een weblog behouden. Die opdracht heb ik mijzelf als vertaler met veel liefde en plezier gegeven.

    Pauline de Bok

    Pauline de Bok is schrijver en vertaler.

    www.paulinedebok.nl

  • Drie vertaalproblemen – Peter Gelauff

    Peter Gelauff is de vertaler van De fietser van Tsjernobyl
    Literair Nederland vroeg hem naar de drie lastigste problemen bij het vertalen van dit boek en naar zijn oplossingen.

    Van een vertaler wordt verwacht dat hij van alle markten thuis is. Of zijn auteur nou een psychologische of historische roman, een ontwikkelings- of oorlogsroman, pure fictie of faction schrijft, de vertaler moet van de hoed en de rand weten. Of toch niet? Pas na mijn pensionering ben ik een vertaalcarrière begonnen omdat ik de taal waaruit ik vertaal, het Spaans, zo ergens tussen goed en zeer goed beheers. Mijn tweede taal, zeg maar. Maar is taalbeheersing ook voldoende om een essay, een roman, misschien wel veel essays en veel romans in uiteenlopende stijlen en over een breed scala aan thema’s te vertalen? Want dat mag de uitgever die je de vertaling van een boek toevertrouwt, verwachten. Als vertaler kom je erachter dat je niet alleen je tweede, maar ook je eerste taal helemaal niet zo goed beheerst als je dacht, slechts over een deelvocabulaire beschikt, alleen die zaken begrijpt – en in woorden weet te vangen – die je al eerder bent tegengekomen. En hoeveel is dat eigenlijk?

    In De fietser van Tsjernobyl geeft de auteur, verweven in de rode lijn van zijn roman – de hopeloze strijd van een eenling tegen de almacht van de staat – de lezer een vloed aan cijfers en historische informatie over de ramp bij Tsjernobyl, de aanpak ervan door de autoriteiten en de internationale instellingen, de gevolgen ervan voor de omwonenden. Hoe pak je dat aan als vertaler die niets weet van atoomfysica, van kerncentrales, van meetinstrumenten, van kalium en cesium. Een voorbeeld.

    De protagonist van het boek, de atoomfysicus Vasili Nesterenko, heeft een draagbare spectrometer ontwikkeld, een apparaat dat de in het menselijke lichaam aanwezige straling kan meten. De auteur legt uit, in het Spaans uiteraard, hoe dat in zijn werk gaat en ik begrijp er niks van omdat ik me geen beeld kan vormen bij een aantal kernbegrippen. Na een uitgebreide zoektocht in woordenboeken, digitale en papieren encyclopedieën en Oxfords Spanish Pictorial, vroeg ik advies aan collega-vertalers, aangesloten bij een gezamenlijke mailinglijst. Onder hen ook geen atoomgeleerden, maar wel de moeder van een dochter die ‘in Manchester een PhD heeft gedaan in scheikunde, en daar met radioactieve stoffen heeft gewerkt’, en tegenwoordig in Engeland werkt. Die dochter op haar beurt blijkt, o toeval, een Spaanse collega te hebben met wie zij niet alleen mijn probleem met de spectrometer kon oplossen, maar me ook bij een aantal andere technische vragen uit de brand kon helpen.

    Een ander probleem waar Sebastián de vertaler mee confronteert is zijn schrijfstijl. Op zich is daar niks mis mee. Hij schrijft soepel, geen ellenlange zinnen, geen ingewikkelde gedachtenconstructies die het de lezer, i.c. de vertaler, zo lastig kunnen maken. Maar hij houdt niet van aanhalingstekens en lijkt nogal willekeurig om te springen met het aanvangen van nieuwe regels. Dat kan zomaar midden in een aanhaling zijn. Het is vaak zoeken waar gedachten of waarnemingen overgaan in dialogen. Het feit dat in het Spaans het persoonlijk voornaamwoord vaak achterwege blijft en de werkwoordsvorm de persoonsvorm verraadt, werkt dan ook niet mee. Als dan ook niet aangegeven wordt wie er aan het woord is, kun je na een paar zinnen tot de ontdekking komen dat je de verkeerde persoon woorden in de mond hebt gelegd. Eigenlijk geen echt probleem, eerder een interessante puzzel. Je komt er wel uit, maar het kost soms hoofdbrekens.

    Een aparte complicatie doet zich voor als de tekst inconsistent lijkt, …en misschien wel is. Bij mijn vertaling van De fietser van Tsjernobyl kwam dat twee keer voor. In het eerste geval komt de verteller thuis van een reis, zijn huishoudster komt hem tegemoet en vertelt hem dat zijn vader naar bed is gegaan. ‘Ik had een handdoek over mijn schouder toen zij dat zei,’ gaat de tekst dan verder. Dat leek me nogal vreemd. Je komt toch niet met een handdoek over je schouder thuis van een reis, klaar om de douche in te gaan? De andere inconsistentie betrof een persoonsverwisseling. Op zeker moment raapt de protagonist van het verhaal een scherf van een spiegel op om zich indien nodig tegen een indringer te kunnen verdedigen. Even later is het echter een andere persoon die dezelfde scherf gebruikt om de indringer met het stuk glas uit te schakelen. Je leest en herleest, je weegt allerlei mogelijkheden af, maar het blijft onlogisch. Het enige wat dan overblijft is de auteur zelf te raadplegen, wat overigens een van de genoegens van het vertalen is. De auteur komt dichterbij en laat iets zien van zijn persoonlijkheid en van zijn ambacht. In beide gevallen bracht Javier Sebastián kleine wijzigingen aan in de tekst, waardoor de Nederlandse lezer twee raadsels bespaard zijn gebleven die de oorspronkelijke Spaanse lezer zelf maar moet zien op te lossen.

    Uiteindelijk hoef je als vertaler niet van alle markten thuis te zijn. Taalkennis en taalgevoel zijn uiterst belangrijke gereedschappen, maar gelukkig bestaan er veel hulpmiddelen, hulptroepen zelfs, die ad hoc kunnen worden ingeroepen. Met dank aan Anne Koster en haar Spaanse collega.

    Peter Gelauff

  • Interview met prijswinnend vertaalster Mari Alföldy

    Begin april ontving Mari Alföldy de Filter Vertaalprijs 2014. Zij ontving deze prijs voor haar vertaling van Satanstango van de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai. Deze Nederlandse vertaling verscheen in 2013 bij uitgeverij Wereldbibliotheek. De jury noemde zowel het boek als de vertaling een meesterwerk: ‘De jury voelde zich door deze Satanstango al evenzeer ingepakt als door de stilistische brille van Mari Alföldy, die de Filter Vertaalprijs 2014 ten volle verdient.’

    László Krasznahorkai (1954) werd geboren in de Oost-Hongaarse plaats Gyula. Zijn eerste roman Satanstango verscheen in 1985 en werd enthousiast ontvangen. Satanstango gaat over de bewoners van een naamloos, geïsoleerd gehucht dat door de autoriteiten is opgegeven. De inwoners bevinden zich in een hopeloze situatie. Als een charismatisch figuur die eerder in de kolonie heeft gewoond, terugkeert, wordt hij de hoop van de bewoners. Het is een roman over vertrouwen en verraad in vele vormen. Er is geen hoop op verlossing. Krasznahorkai heeft een filosofische kijk op de wereld en schrijft in lange, gecompliceerde zinnen. Soms doet de tekst bijbels aan. Het maken van een vertaling lijkt met name door de lange, ingewikkelde zinnen een flinke klus. Tijd om eens te vragen hoe vertaalster Mari Alföldy daar naar kijkt.

    Mari Alföldy (Boedapest, 1962) werkt sinds 1998 als literair vertaler en vertaalde romans van vooraanstaande Hongaarse auteurs, als Imre Kertész, György Konrád en Sándor Márai. Zij studeerde Klassieke Talen en Hongaars aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij ontving eerder de Hongaarse Kosztolányi-vertaalprijs en het Gouden Kruis van Verdienste van de Republiek Hongarije.

     

    Hoe gaat het vertalen van een boek in zijn werk? Leest u het eerst in de oorspronkelijke taal en is het dan een kwestie van een lineair proces, zin voor zin vertalen?
    Ik lees boek eerst door, tenzij ik het al ken. Daarna vertaal ik het zo goed mogelijk. Inderdaad is dat een vrij lineair proces. Nadat het hele boek vertaald is, lees ik het zelf nog eens goed door. Ik corrigeer fouten, tikfouten, woordherhalingen en zoek betere formuleringen.
    Vroeger liet ik het boek door iemand anders lezen, maar na zoveel boeken ben ik wat minder onzeker geworden en vind ik de redactie bij de uitgeverij voldoende controle. Ik vergelijk het boek altijd met het origineel, vooral om te kijken of ik niets heb overgeslagen. Bij sommige boeken is dat niet nodig en als ik erg in tijdnood ben wil dat er wel eens bij inschieten.
    Het zou goed zijn alles hardop voor te lezen maar dat is erg tijdrovend. Al doe ik dat bij poëzie wel.
    Dan gaat de tekst naar de uitgever, waar een redacteur ernaar kijkt. Die doet nog wat suggesties, meestal met een potlood op papier, soms digitaal, de een veel, de ander weinig. Die verwerk ik dan. Daarna krijg ik proefdrukken, dan gaat het vooral om afbrekingen en dergelijke. Je kunt nog wat correcties aanbrengen maar erg blij zijn ze daar niet mee. En dan na een paar werken is daar dan eindelijk het spannende moment dat de post de presentexemplaren brengt.


    Satanstango is een complex boek. De zinnen zijn lang en ingewikkeld. En wat de scènes betreft: het is niet altijd in een oogopslag helder wat er nu werkelijk aan de hand is. Had dat gevolgen voor het proces van vertalen?
    Voor de scènes maakt dat niet zoveel uit. Met de zinnen was het af en toe een heel gepuzzel om er mooie Nederlandse zinnen van te maken en er toch alles in te krijgen. Het Hongaars heeft andere mogelijkheden voor het grammaticaal aan elkaar koppelen van woorden. Vertaalproblemen zijn altijd moeilijk uit te leggen. Als het makkelijk uit te leggen was, had ik geen vertaalprobleem tenslotte. De meeste vertaalproblemen zijn vrij technisch en niet zo interessant voor het grote publiek. Krasznahorkai gebruikt veel ingevoegde stukjes tussen aanhalingstekens, subjectieve teksten van de personages in de vertellerstekst, en dat werkt in het Nederlands soms niet vanwege grammaticale regels voor directe en indirecte rede.

    De eerste zin, die ook terugkeert aan het einde, was al meteen een uitdaging:
    De ‘gebarsten grond’ (een betere vertaling zou zijn: ‘vol barstjes’, maar dat kun je in het Nederlands nu eenmaal niet bijvoeglijk gebruiken, en een bijzin als ‘die vol barstjes zat’ zou de toch al ingewikkelde zin nog zwaarder maken) wordt in het Hongaars ook nog szikes genoemd. Dat is een heel gewoon woord voor een bepaald type grond in een landschapsbeschrijving, waarvan het Nederlandse equivalent echter ‘alkalische grond’ zou zijn – een woord dat ik te technisch vind voor de eerste zin van een roman. In een literaire vertaling moet men idealiter streven naar wat met een mooi Duits woord Wirkungsequivalenz genoemd wordt: de Nederlandse lezer zo veel mogelijk dezelfde leeservaring bezorgen als de lezer van de brontaal. Als Hongaarse lezer een landschapsbeschrijving leest, moet de Nederlandse lezer niet met een geologische verhandeling worden opgezadeld, ook al zegt het woordenboek dat szikes alkalisch betekent. Alkalisch moest dus sneuvelen, al is weglaten geen vertaaloplossing om trots op te zijn. Gelukkig roepen de barsten het beeld van dat type landschap al voldoende op.

    Wat is volgens u de centrale boodschap van Satanstango?
    Boeken die je in één zin kunt samenvatten zijn geen goede boeken, maar toch, één mogelijke conclusie zou deze kunnen zijn: Er is transcendentie en geen verlossing. Wie vertrouwen en hoop in iets of iemand investeert wordt altijd teleurgesteld en kan alleen zichzelf iets verwijten.


    Voor mij is één van de meest intrigerende scènes het bezoek van
    Irimiás en Petrina aan de politie. Wat gebeurde daar precies volgens u in deze voor de verhaallijn zo belangrijke scène?
    Echt precies weet ik het ook niet, maar ze worden ingeschakeld als een soort geheim agenten. Al het moois wat Irimiás wordt toegedicht door de bewoners van de kolonie wordt hierdoor op losse schroeven gezet, net als de hoogdravende dingen die hij zelf verkondigt. Als we stellen dat de strekking van het boek is dat niemand en niets te vertrouwen is, dan speelt deze scène inderdaad een belangrijke rol in het opbouwen van die sfeer.


    Welke scène uit dit boek is u het meest bijgebleven?
    Dat zijn er verschillende. De zeer gecompliceerde beginzin en beginscène waarin de sfeer wordt gezet, het raadselachtige bezoek van Irimiás en Petrina aan de politie, de minutieuze beschrijving van de beperkte wereld van de dokter, het duivelse dansfeest in de kroeg, de gruwelijke scène waarin Estike, het onschuldigste wezen van het hele boek, de kat vermoordt, de rede van Irimiás – een schoolvoorbeeld van demagogie, de droomachtige taferelen met het lichaam van het meisje bij de kasteelruïne, de gebeurtenissen in het vervallen kerkje waar de dokter een laag-bij-de-grondse verklaring vindt voor het mysterieuze klokgelui uit de openingsscène.
    Wat ik ook bijzonder vind is dat dit eigenlijk sombere boek af en toe ook ronduit humoristisch is.
    Wat mij vooral opviel is dat hoe onduidelijk en schimmig alles blijft. Zoals de eerder genoemde scène bij de politie: vaak is niet duidelijk wat er nu precies gebeurt. Hoe voorkom je dat je als vertaler je eigen interpretatie tussen de regels stopt?
    Tot op zekere hoogte stop je altijd je eigen interpretatie erin. Het is geen wiskunde, er zijn altijd alternatieve vertalingen mogelijk. Als je een boek goed en belangrijk vindt, doe je extra je best om de bedoeling van de schrijver heel precies over te brengen.


    En bij dit boek bent u daar volgens de jury prima in geslaagd. Hoe belangrijk is deze prijs voor een vertaler?
    Voor mij is deze prijs heel belangrijk. Het is een enorme bevestiging als je vertaling door zo’n deskundige jury wordt uitgekozen en om het Nederlands wordt geroemd. Ik was erg blij met wat de jury schreef over ‘op duizelingwekkende wijze meegaan in de zinnen en hun geheimen.’ En als de jury dan zegt dat ze zich ‘ingepakt’ voelde, is dat wat je wilt als vertaler.


    Welk boek zouden we volgens u echt moeten lezen?
    Ik denk Kleuren en jaren van Margrit Kaffka. Ik ben al heel lang met haar bezig. Tijdens mijn studie Hongaars schreef ik mijn scriptie over haar. Het is een wat ouder boek, uit 1912, en het is het eerste boek in het Hongaars waar de vrouwelijke stem in naar voren komt. Mijn favoriete auteurs zijn veel hedendaagse Hongaarse schrijvers: Nádas, Esterházy, Spiró, Zádava, te veel om op te noemen. Van de oudere schrijvers vind ik Kosztolányi erg goed. Aan Nederlandse literatuur kom ik eigenlijk te weinig toe. Ik ben dol op Thomas Roosenboom en ook Nescio vind ik heerlijk. Ik heb al lang niets meer met mijn studie klassieke talen gedaan, maar onlangs heb ik weer eens wat Plato gelezen. Ik heb daar erg van genoten. Ik zou ook weer eens tijd moeten vrijmaken voor Homerus.
    Het belangrijkste boek dat ik heb vertaald is School aan de grens van Géza Ottlik. Het is één van de mooiste boeken die ik ken en het eerste boek dat op mijn aanbeveling is uitgegeven. Het spreekt me aan omdat je er vaak passages in aantreft waarbij je denkt, ‘ja, zo is het, maar ik had het zelf niet zo mooi kunnen zeggen’. Er worden heel verschrikkelijke dingen in beschreven. Het gaat over een militair internaat waar 10-jarige jongetjes door sadistische officieren worden afgebeuld. Ook maken de leerlingen elkaar het leven op een akelige manier zuur. Nu zouden we dat bullying noemen. Dit neemt ernstige vormen aan omdat het hele systeem op onderdrukking is gebaseerd. En toch, ondanks alles, is er een positieve ondertoon, die voornamelijk berust op de vriendschap tussen de jongens.
    Dit boek heeft ook veel invloed gehad op latere Hongaarse schrijvers met name door het thematiseren van ‘de moeilijkheden van vertellen’, waarmee hij de tijd van het ouderwetse vertellen afsluit en de weg opent voor post-moderne teksten. Ook Krasznahorkai plukte daar de vruchten van.