• Zomerrubriek 2015 – De grote, witte monstervis

    door Lodewijk Brunt

    De afgelopen paar jaar heb ik gelukkig af en toe tijd kunnen besteden aan het (her-)lezen van grote auteurs en gevestigde literatuur. Meestal vrijblijvend, gewoon omdat ik er zin in had, soms in het kader van de leesclub waar ik lid van ben; die is uit zichzelf gericht op de ‘klassieken’.  Philip Roth zweeft door mijn geest, William Faulkner (As I Lay Dying), Thomas Mann (Toverberg), Anita Desai, Alfred Döblin, Alice Munro, Salman Rushdie, George Eliot, Anthony Trollope, Daphne Du Maurier, James Salter – in volstrekt willekeurige volgorde. Soms dacht ik: ‘dit is het allerbeste wat ik ooit gelezen heb’, maar dat herhaalde zich vaak. Toen ik een poosje geleden aan Herman Melville’s Moby-Dick begonnen was, dacht ik het opnieuw. Ik zei het tegen een vriendin. Ze herinnerde zich dat ik het tijdens het allereerste gesprek dat we voerden – ruim dertig jaar geleden – dat boek ook al had aangeprezen. Maar mijn liefde voor Melville dateert al van eerder: mijn middelbare schooldagen en studententijd. Ik heb Melville van kaft tot kaft herlezen – in plaats van fragmenten, wat verleidelijk is. Het boek bestaat uit veel korte hoofdstukken – honderdvijfendertig om precies te zijn, verdeeld over bijna zeshonderd bladzijden – met intrigerende, aantrekkelijke titels: Ahab, The Pipe, The Specksynder, The Quarter-Deck, Stubb’s Supper, The Hyena, The Great Heidelburgh Tun, The Pequod Meets The Delight. Voor de zoveelste keer viel ik voor de onnavolgbare vertelkunst van Melville, zijn vlijmscherpe stijl en de hartstochtelijke betrokkenheid bij zijn onderwerp: de Amerikaanse walvisvaart uit de eerste helft van de negentiende eeuw, gesitueerd in Nantucket, voor de Noordoostelijke kust van de Verenigde Staten, vlakbij Martha’s Vineyard – onder Cape Cod. Tegenwoordig beter bekend als luxe oord voor de rijken en machtigen der aarde.

    Moby-Dick is een ‘mannenboek’, dat realiseerde Melville zich maar al te goed toen hij het geschreven had, hij ontmoedigde de vrouwen uit zijn omgeving ten sterkste om het te lezen: ‘Niets voor jou’. Het boek kwam uit in 1851. De Amerikaanse samenleving veranderde snel, de frontier society van de eerste generaties kolonisten, vrijbuiters en pelsjagers schoof steeds verder op naar het Westen en maakte plaats voor een gevestigd bestaan. Na de avonturiers kwamen de onderwijzeressen en predikanten als de voorhoede van een beschavingsproces. Op grote schaal werden boeken verspreid met stichtelijke en zoetelijke lectuur, geschreven door vrouwen, gelezen door vrouwen. Boeken die tegenwoordig niemand meer kent, niemand meer wil lezen. Mannen lazen helemaal niet, hooguit misschien de Bijbel — er is wat dit betreft sindsdien nog niet veel veranderd. Het ging in de vrouwenliteratuur om de propaganda van huiselijke waarden: orde, vlijt, zedelijkheid, vroomheid. Sommige historici spreken van een sentimentele revolutie. Tegenover de onherbergzaamheid van de openbare sfeer – het buitenleven, de straat, de fabriek, de politiek – kwam de geborgenheid van huis en haard te staan.

    Melville’s boek moet een schok hebben veroorzaakt, liever gezegd: een schokje, want het werd nauwelijks opgemerkt, besproken of verkocht, laat staan gelezen. In Moby-Dick komen geen vrouwen voor, hooguit in de marge, als een soort behang – zoals in de korte beschrijving van de kerkdienst die scheepsmaat Ishmael en harpoenier Queequeg in New Bedford bijwonen voordat ze zich aanmonsteren. De muren van het kerkje zijn beslagen met gedenkplaten voor verdronken zeelieden, in de banken zitten (onbestorven) weduwen en kinderen. The women of New Bedford, peinst Ishmael, they bloom like their own red roses. But red roses only bloom in summer

    Van stichtelijkheid of zoetigheid is geen spoor te ontdekken in Moby-Dick. Melville beschrijft tot in de details hoe de walvisvaart is georganiseerd en manifesteert zich als de documentalist van de kleur wit en de Linnaeus van de cetologie. De lezer wordt met zijn neus gedrukt op het echte, rauwe leven: in deze meedogenloze wereld moet het dagelijkse brood worden verdiend. Karig, de beloning is minimaal – slavenwerk. De hele bemanning op een kluitje, drie tot vier jaar onderweg, zwervend over de wereldzeeën, bitter koud of juist verstikkend heet, regen en wind. Op jacht naar reusachtige walvissen in kleine sloepjes, met harpoeniers die hun speren van korte afstand raak moeten zien te gooien. Overal hongerige haaien. De walvisvaart trekt goddeloos uitschot, gelukzoekers en desperado’s aan. Melville zelf deserteerde op zijn eerste tocht en bleef maandenlang hangen op een eilandje in de Zuidzee. Het schip waar Ishmael op vaart, de Pequod, heeft een kannibaal, een zwarte Afrikaan, een Indiaan en een Parsi als harpoeniers en onder de rest van de bemanning vind je hindoestanen, mohammedanen, animisten, godloochenaars en een enkele christen – uit alle delen van de wereld. Chinezen, Europeanen, Indiërs, Indonesiërs. Harpoenier Queequeg is van top tot teen getatoeëerd en heeft op zijn kale schedel alleen een staartje, hij verdient wat extra geld door de verkoop van eigenhandig gesnelde koppen. Als hij aanmonstert, zou hij zich eigenlijk moeten laten bekeren. Nee, zegt een van de reders beslist, niet doen; als je van een kannibaal een vrome zeeman maakt, verliest hij zijn ziel: … it takes the shark out of him. In dit bonte gezelschap bevinden zich ook de specialisten, die door Melville zorgvuldig voor het voetlicht worden gehaald: de scheepstimmerman, de smid, de kok. Je weet hoe de betalingen tot stand komen, ieder krijgt een deel van de netto opbrengst aan walvistraan, Ishmael één/zeventigste, de harpoeniers wat meer. En allemaal varen ze onder het schrikbewind van kapitein Ahab, een gevaarlijke gek die alles en iedereen opoffert aan zijn obsessie – de fanatieke jacht op een witte potvis die hem ooit een been zou hebben afgebeten.

    Het hoeft niet te verbazen dat Melville ambivalent stond tegenover de literatuur van zijn dagen: je moest de werkelijkheid laten zien zoals deze was, vond hij. De maatschappij is verankerd in een harde strijd om het bestaan; in de gangbare ‘vrouwenliteratuur’ werd dat verdoezeld. Vrouwen weten niets van de economie, het interesseert ze niet, hun motto is ‘geld maakt niet gelukkig’. Maar uit sprookjes en kinderversjes word je niets wijzer over de werkelijkheid, het is letterlijk en figuurlijk…  fictie. De fictieve elementen van Moby-Dick dienen om het documentaire karakter extra reliëf te bieden: de werkelijkheid staat niet in dienst van de fictie, maar de fictie staat in dienst van de werkelijkheid. Ruim honderd jaar later – in de jaren 1960 – stond er opnieuw een Amerikaanse auteur op die deze gedachte als grondslag voor zijn schrijverschap koos: Truman Capote. In zijn In Cold Blood gebruikte hij literaire middelen om een gruwelijke roofmoord levensecht te reconstrueren. Overigens is het verhaal van Moby-Dick magistraal. De sfeer van dreiging, de Bijbelse beelden, de profetische tekens en gesprekken, de beschrijvingen van de zee. Adembenemend, spannend tot aan de laatste zin. Huiveringwekkend ook. Pas bij de eerste jacht op een walvis blijkt dat kapitein Ahab een groepje verstekelingen aan boord heeft gesmokkeld. Als de sloep van de kapitein wordt neergelaten, ziet de bemanning verbijsterd toe dat hij zijn eigen harpoenier heeft meegenomen, de mysterieuze Parsi Fedallah, een vuuraanbidder, en zijn louche crew. De mottige profeet Elijah had er al voor gewaarschuwd op de kade van Nantucket…

    Fedallah is de Duivel, dat lijdt geen twijfel; in de relatie tussen Ahab en Fedallah wordt de mythe van Dr. Faust belichaamd. Een duister, luguber verbond om Moby Dick te pakken te krijgen. Drie dagen duurt de jacht op Moby Dick als Ahab hem eindelijk heeft opgespoord. De potvis gaat zelf het gevecht niet aan, integendeel: Ahab is de agressor. Fedallah is het eerste slachtoffer, hij wordt door de grote vis mee de diepte ingetrokken, hopeloos verward in de touwen van zijn eigen harpoen. Uiteindelijk blijft alleen Ishmael over, drijvend op de doodskist van zijn vriend Queequeg en opgepikt door het walvisschip Rachel – de enige ‘vrouw’ die in het verhaal een rol speelt. De kapitein van Rachel is op zoek naar zijn zoons die op zee vermist zijn. Inderdaad… niets word je bespaard door Melville. Eén vraag blijft branden, ook nadat ik het boek nu voor de zoveelste keer gelezen heb: waar staat de grote witte potvis voor? Waarvan is hij het symbool? God? Natuur? Succes? Eer? Eeuwige roem? Verlossing? Er zit denk ik niets anders op: opnieuw herlezen!

    noot:
    Melville’s boek heeft als titel Moby-Dick, mét een verbindingsstreepje, terwijl de hoofdpersoon – de witte potvis – Moby Dick heet, zónder verbindingsstreepje. Ik heb dit gebruik gevolgd in mijn stuk. In het recente Between You and Me. Confessions of a Comma Queen, zet Mary Norris, copy editor van The New Yorker, uiteen wat de achtergrond van dit raadsel is (Chapter 6: Who Put the Hyphen in Moby-Dick?).

  • Literaire soap in het Victoriaans Londen van 1875

    Voor iedereen die wil voorkomen dat de zonovergoten dagen aan strand of zwembad in ledigheid voorbijgaan: neem dit boek mee. Het is meeslepend en het doet je regelmatig vergeten waar je eigenlijk bent: niet in je strandstoel tussen de badgasten, maar in het Victoriaans Londen van 1875, tussen de prostituees en de heren, tussen droom en daad. Rauw, humoristisch, sfeervol en vol verrassende personages.

    ‘Ik verzoek u om alstublieft, alstublieft, ALSTUBLIEFT een vervolg te schrijven.’ Aan het begin van ons millennium was dit geen ongewone smeekbede voor Michel Faber (1960), nadat hij zijn lezers verslaafd had gemaakt aan zijn The Crimson Petal and White (Lelieblank, Scharlaken Rood). Aanvankelijk verscheen het boek als een feuilleton, passend bij de tijd waarin het verhaal speelt. Immers, in de Victoriaanse periode vierde deze literaire vorm hoogtij. De verschillende episodes vormen gebundeld een fantastische roman van 950 pagina’s.

    Michel Faber (1960) emigreerde op zijn zevende naar Australië. Hij was een negentienjarige student Victoriaanse literatuur toen hij aan dit boek begon, om het twintig jaar later te publiceren. Geheel in de stijl van de klassieke werken die hij bestudeerde, voorzag hij zijn verhaal van een alwetende verteller aan wiens arm de lezer door de straten van het negentiende eeuwse Londen wordt geleid. ‘Kijk waar u loopt. Let goed op, u zult ogen en oren tekortkomen. De stad waarheen ik u voer is groot en verwarrend, en het is de eerste maal dat u hier bent.’ Zo begint het: een veelbelovende ontgroening. Al lezende voel je je bevoorrecht dat de verteller jou heeft uitgekozen om mee op pad te mogen.

    We duiken in het leven van de negentienjarige Sugar, een intelligente en ongewone prostituee uit Londen. Zij wordt de oogappel van William Rackham, een getrouwde jongeman, die een veelbelovende toekomst tegemoet gaat als directeur van Rackham Parfumerieën. William raakt verslaafd aan Sugar en koopt een huis voor haar, onder de voorwaarde dat haar liefde exclusief voor hem is. Zo ontstijgt Sugar het leven van een doorsnee prostituee, waardoor haar maatschappelijke positie aanzienlijk verbetert. Dit heeft overigens niets met toeval te maken; het lukt haar vanwege haar karakter. Sugar is slim, leergierig, bevallig, vastberaden, knap, zelfstandig en kritisch. En voor William niet te versmaden. Tegenover de losbandige relatie van William en Sugar staat de respectvolle en verlegen relatie tussen de broer van William, Henry, en Emmeline Fox. De bonte stoet aan overige personages en het Londense decor zorgen voor een vermakelijke en sfeervolle setting.

    Als in een emotionele rollercoaster, zo ga je door de verschillende verhaallijnen van het in vijf delen opgedeelde boek. Ben je het ene moment opgelucht dat je zelf een kansrijkere toekomst hebt dan Sugar, zo ben je het volgende moment teleurgesteld dat je niet bij haar op de koffie kunt. Om vervolgens hardop te moeten lachen om een hilarische scène in een pub of hoerenkast. Op een scherp observerende en licht cynische toon verhaalt Faber over de verschillende personages. Daarbij maakt hij gebruik van volkse dialecten, die in de Nederlandse vertaling zijn overgenomen. Dit boek heeft slechts één nadeel: aan het eind moet je abrupt afscheid nemen van je nieuwe vrienden. De wanhopige smeekbedes van lezers aan de schrijver zijn daarom begrijpelijk. We willen meer van deze literaire soap.

    Een kleine troost: in 2006 verscheen De appel. Nieuwe lelieblank-verhalen, met zeven verhalen over personages uit Lelieblank, Scharlaken Rood. Ook verscheen in 2011 de gelijknamige tv-serie in de vorm van een kostuumdrama. Of het kijken hiervan de moeite waard is, is natuurlijk de vraag. De intrigerende Sugar met haar ruwe huid gaat geheid een eigen leven leiden in het hoofd van de lezer. Faber zorgt er met zijn levendige vertelstijl voor dat we daar geen beeldmateriaal voor nodig hebben.

     

    Bronnen:

    • Lelieblank, Scharlaken Rood, Michel Faber, uitgeverij Podium Amsterdam, 16e druk, 2007, Harm Damsma en Niek Miedema
    • www.stinejensen.nl op 28 juni 2015
    • www.imdb.com
  • Zomerrubriek 2015 – Martin Lok

    In het hoofd van de kunstenaar kruipen

    Vakanties zijn altijd mooie momenten van afstand én toenadering. Afstand van het dagelijkse gedoe en werk, toenadering tot rust en al die andere zaken die het leven waardevol maken. Toenadering ook tot schoonheid. De schoonheid van de natuur, en de schoonheid van wat sommige mensen met hun handen kunnen maken. Tot de schoonheid van beeldende kunst.

    De relatie tussen schoonheid van beeldende kunst en literatuur is een lastige. Het is de strijd tussen beeld en woord, twee ongelijkheden die in de vergelijking altijd al wat ongemakkelijk langs elkaar heen schuren. Al lijkt het beeld daar in zekere zin als winnaar uit te komen: a picture paints – immers a thousand words. Wat niet wil zeggen dat woorden het altijd afleggen. Soms verdiepen woorden wat je met het oog in musea ziet. Een pleidooi dus om je soms in de woorden van kunstenaars te verdiepen.

    Misschien lukt dat nog wel het beste met autobiografieën, of met getuigenissen van vrienden of tijdgenoten van kunstenaar. Dan kom je de kunstenaars het meest nabij. Het is een vorm van literatuur die iedereen die van kunst houdt er soms eens op na zou moeten slaan. Al loopt de liefhebber daarbij wel tegen een taalprobleem op: veel van die autobiografieën of getuigenissen zijn niet in het Nederlands vertaald. Maar dat hoeft de pret natuurlijk niet te drukken. Een paar voorbeelden ter inspiratie.

    Van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 – 1917) is geen autobiografie bekend. Wel een paar interessante getuigenissen. De meest literaire daarvan is geschreven door Rainer Maria Rilke en draagt als titel simpelweg de naam van de kunstenaar: Auguste Rodin (1913, Nederlandse vertaling bij SUN 1990). Een boekje bestaande uit een voordracht, drie beeldbeschrijvingen en brieven aan Rodin zelf. Van alles druipt de bewondering van Rilke voor Rodin af. Zijn voorbeeld in de beeldende kunst, die geen kunst ‘maakt’ maar ‘schept’.

    $(KGrHqJHJFUFDyp0qUHYBRC96b!Z(g~~60_35Twee jaar eerder was er in Frankrijk een ander boek verschenen: Auguste Rodin – L’art. Entre-tiens réunies par Paul Gsell. Een verslag van tien ontmoetingen tussen kunstenaar en journalist. Dit boekje, verkrijgbaar in verschillende vertalingen in bibliotheken of bij antiquariaten geeft een ongekend inkijkje in Rodins denkwereld. En in zijn werkwijze. Het verslag bevat een prachtige passage waar Rodin met een hompje klei in zijn handen eerst razendsnel een puur Grieks beeldje maakt, en daarna dit beeldje verandert in een beeldje dat zo uit Michelangelo’s hand had kunnen komen. Om het verschil tussen beiden te laten zien. Gsell was perplex over zoveel vakmanschap en snelheid. Terwijl volgens Rodin vakmanschap niet hetgeen is waar het over moet gaan. Niet dat dat onbelangrijk is, maar uiteindelijk is het voor hem toch gevoel en inspiratie dat bepalend is voor kwaliteit van een kunstwerk, zo leert het verslag van Gsell ons.

    Zo’n tweeënhalve eeuw eerder is er in Frankrijk een vergelijkbaar boekje verschenen: Journal du cavalier Bernin en France, geschreven door Paul Fréart de Chantelou, tijdens Bernini’s bezoek aan Parijs. Bernini was daar om een portret te maken van de Zonnekoning. En De Chantelou, kunstverzamelaar, begeleidde hem daarbij. Het leverde een mooi dagboek op dat de worsteli5584620-Mng toont van Bernini bij de creatie van een echt statelijk portret van de Zonnekoning (niet de meest indrukwekkende persoon zo blijkt uit het dagboek). En een mooi inkijkje in de moeilijkheden waar een beeldhouwer voor staat als hij een portret in marmer maakt. ‘Stel je maar eens voor’, zo zei Bernini tegen De Chantelou, ‘dat een man al zijn haren bleekt en zijn gehele gelaat wit bepoedert… Niemand zou hem nog herkennen.’

     

    Naast deze getuigenissen zijn er ook verschillende interessante autobiografieën van beeldhouwers. Een zeer vermakelijke is die van Benvenuto Cellini, in 2000 in het Nederlands verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt. 1Deze autobiografie leest als een ware schelmenroman, waarbij Cellini als held natuurlijk allerlei gevaarlijke rovers van zich af weet te houden. En met als pluspunt een inkijkje in leven en werk van één van de grootste beeldhouwers van de late Renaissance. Bijvoorbeeld in het maakproces van zijn beroemde bronzen beeld op het Piazza della Signoria in Florence, Perseus met het hoofd van Medusa. Wie wil weten hoe lastig het is om zo’n groot bronzen beeld te maken kan niets beters doen dan deze autobiografie te lezen.

    En dan is er natuurlijk ook nog de autobiografie die Michelangelo liet optekenen door zijn leerling Ascanio Condivi (zie bijvoorbeeld Michelangelo, Life, letters, and poetry. Oxford World’s Classics).
    21JVSD8XRJL._SX220_ Het werd in 1553 voor het eerst gepubliceerd, drie jaar nadat Vasari zijn Levens van de grootste kunstenaars had gepubliceerd. Dat was geen toeval, want alhoewel Vasari Michelangelo als culminatie van het Florentijnse kunnen had neergezet was de ijdele Michelangelo het niet eens met Vasari’s weergave van zijn leven. Wat hij dus poogde recht te zetten met zijn eigen versie. Een versie die een prachtig inkijkje geeft in de relatie van Michelangelo met de Medici en opeenvolgende pausen. Maar minder in zijn werkproces. Een mooie en onovertroffen bron daarvoor zijn de gedichten die Michelangelo schreef. Sommigen daarvan zijn in 1986 vertaald door Frans van Dooren en verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep (Sonnetten). Sonnetten die stuk voor stuk duidelijk maken dat – Goddelijke inspiratie of niet – beeldhouwen voor Michelangelo uiteindelijk een proces is van de steen zijn wil opleggen:

    Wanneer mijn hamer uit de ruwe rots
    vormen van mensen houwt, beweegt hij daar
    niet ongebreideld als een woeste knots
    maar krachtens ’t willen van de kunstenaar’

    Een beter pleidooi om je soms te verdiepen in het woord van de beeldende kunstenaar kan ik niet geven.

     

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

  • Zomerrubriek – Angèle van Baalen

    Voor degenen die in eigen land met vakantie gaan, kan ik van harte aanbevelen:
    Het huis achter de wilgen van Mariëtte Haveman.
    In de jaren twintig van de vorige eeuw trouwt de Engelse Virginia met Roeland uit Drente. Ze zijn erg verliefd op elkaar. Maar wanneer zij na de huwelijksreis aankomt in zijn geboortedorp Werwolda, het dorp van de rietvlechters bij het Drentse Boschoord, is de ontvangst daar allerminst hartelijk. Van de romantiek tussen de twee gehuwden blijft niets over en Virginia gaat een nare tijd tegemoet. Daarbij ontdekt zij dingen die het daglicht niet kunnen verdragen en waarover iedereen zwijgt. Tot zover het binnenverhaal.

    Marijn Onderland, die in 2015 werkzaam is bij een bureau dat luxe recreatieparken neerzet in bijzondere gebieden, krijgt de opdracht de geschiedenis van dit geheimzinnige, afgelegen gebied te onderzoeken, en daar een goed verkoopbaar verhaal van te maken.
    Marijn raakt meer dan normaal geïnteresseerd in de geschiedenis van Virginia. Heden en verleden raken vervlochten.
    Geschreven in een sober, maar goed verzorgd proza.

    Pier en oceaanHet prachtig geschreven Pier en oceaan van Oek de Jong biedt in romanvorm ongeveer zestig jaar geschiedenis van Nederland. We zien Nederland veranderen door de bril van een alledaagse familie.

     

     

    Het houtWie vakantie houdt in het uiterste zuiden van Limburg, zou Het hout van Jeroen Brouwers moeten lezen. Een werkelijk fantastisch boek dat afrekent met de schijnheilige vroomheid van de geestelijken op zekere internaten.

     

     

    vSchirach TaboeOver de grenzen heen: twee schrijvers van wie ik helemaal gefascineerd ben geraakt: Ferdinand von Schirach. Van zijn boeken De zaak Collini en Taboe heb ik buitengewoon genoten.

     

     

    Mr. GwynnAlessandro Baricco, heeft met het boek Mr Gwyn diepe indruk gemaakt. Mr Gwyn heeft het helemaal gehad met zijn schrijversbestaan en zet daar definitief een punt achter. Maar omdat schrijven voor hem letterlijk van levensbelang is, moet hij wegen zien te vinden om te blijven schrijven zonder te moeten terugkomen op zijn besluit om te stoppen.
    Hij noemt zichzelf kopiist en schrijft vanaf dat moment portretten. In het weinige wat gezegd wordt, valt zoveel moois te lezen….

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

  • Zomerrubriek 2015 – Els van Swol

    Een doortocht

    Brieven uit een hermitage – Maria de Groot

    Het eerste boekje met teksten van Maria de Groot, dat ik van mijn ouders kreeg toen ik nog studeerde, heet Prozaïek. Het bevat onder meer de indrukwekkende toespraak die zij op 5 mei 1970 hield in de Rotterdamse Laurenskerk en die veertig jaar later nog aanleiding gaf tot een heftige discussie die ik met een predikant voerde. Veertig jaar: het bijbels-symbolische getal van een doortocht, waarin later vooral haar gedichten, en een enkele roman, mijn metgezellen waren. Het laatst dat ik een boek van haar kocht, was nog tamelijk recent: in 2012. Al met al omspant het een periode van maar liefst vijftig jaar, een ‘Sarah-leeftijd.’

    Uit de twintig dichtbundels die Maria de Groot (geb. 1937) op haar naam heeft staan, kies ik om een vakantiegevoel op te roepen, Brieven uit een hermitage (uitg. Dabar-Luyten, 2000). Ik geef het als leestip gelijk een Ripolinmannetje door: De Groot schreef de gedichten geïnspireerd door een reis naar Noorwegen, en na thuiskomst daarvan in het Friese Woudsend. En ik nam de bundel in september 2001 mee tijdens mijn rondreis door dit Scandinavische land.

    In deze bundel wisselen sonnetten, vrije gedichten en haiku’s elkaar af. Een bundel die is opgebouwd als een drieluik. In het midden ‘Brieven uit een hermitage’ (= kluizenarij), omlijst door de afdelingen ‘Barnsteen’ en ‘Huis van helianthen.’ In de drie delen worden de seizoenen doorlopen.

    Barnsteen
    Prachtige beelden komen voorbij, als Vikingschrift dat een oud geloof oproept. Zoals dat over een grafvondst in Oseberg:

    halskettingen van barnsteen, de kostbare
    ring die de hemel één maakt met de aarde.

    Het is de natuur die uitdrukking geeft aan de jaargetijden:

    Flarden ijs en witte anemomen –
    tekens zijn het van een norse zomer.

    In de gedichten zitten echo’s van een ver verleden, maar ook van andere dichters, zoals Ida Gerhardt of – zoals in deze regels – Paul Celan:

    hoe zwart de melk

    hoe ze vloeide
    over de boomloze vlaktes waar geen vogel
    toonladderde

    Behalve in dit gedicht, verwijzen ook in andere gedichten beelden naar de Tweede Wereldoorlog, één van de terugkerende thema’s in het werk van Maria de Groot. Bijvoorbeeld het beeld van de sleeën, waarmee in Noorwegen talloze joden werden gered van de kampen door ze naar veiliger streken te brengen:

    Was er een slee geweest
    om aan de dood te ontkomen
    wij hadden honden gevonden
    wij hadden route genomen

    De naam van de Noorse stad Bergen roept bij Maria de Groot zelfs herinneringen op aan Bergen-Belsen. Daar waren geen tafels van steen, zoals de plateaus in de bergen in Zuid-Noorwegen. Geen stenen tafelen, God noch gebod.
    Eenzelfde soort associatie roept een houten crucifix op in de staafkerk van Urnes: een vogel lijkt het wel, de vleugels gespreid voor de sprong, van zijn vlucht beroofd.

    Brieven uit een hermitage
    In de tweede afdeling vallen enkele mystieke liefdesgedichten op, een ander terugkerend thema in het werk van De Groot. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het gnostieke Evangelie naar Maria [Magdalena], waarover de dichteres heeft gepubliceerd; een uitgave die nog steeds te verkrijgen is:

    De minzame
    die mij in hogere scholingen toeliet
    en mij een pen in de hand gaf

    leerde mij lichaamstaal
    danst dag aan dag bij mij binnen
    machtigt mij om te zingen
    (…)

    Waarbij binnen dansen niet alleen betekent de kamer in komen, maar letterlijk: het hart in dansen om zo een mystieke eenheid te vormen en uit te barsten in gezang, zoals haar Bijbelse naamgenote het Magnificat aanhief.

    Huis van helianthen
    Het laatste paneel van het drieluik gaat over de herfst en de winter, zowel in de natuur als op het levenspad. Hierin hangt een droefheid over alle dingen. De ik-figuur is het moe te zingen over het strijklicht van de zon. Ze is verdrietig om degenen die haar ontvielen, haar ouders en een vriendin als Ida Gerhardt. Wat blijft is het dichterschap, weten aan de taal te behoren, verzonken in gedichten, zich afvragend of jamben de vensternis vormen naar het Oneindige.

    Maria de Groot roert in deze bundel thema’s aan die niet iedereen zullen aanspreken. Ook recensenten niet. ‘Niemand brandt zijn vingers aan mijn poëtisch oeuvre’, heeft ze eens gezegd in een interview met Cokky van Limpt (in: Leeuwarder Courant, 1 maart 2007). Enkele uitzonderingen daargelaten. Zo schreef Willy Tibergien in de Poëziekrant (1991/15): ‘Zij is een boeiende auteur die men graag ontmoet, telkens opnieuw.’ Zonder dat zij haar werk opsluit in een christelijk kader. Of daardoor buitensluit, zoals Gerrit Komrij in zijn gedichtenbijbel, of Schenkeveld-van der Dussen in haar Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis.

    Dat dit gebeurt, is jammer want je gunt haar rijk gelaagde poëzie meer lezers. Temeer daar zij in met name het laatste deel van deze bundel universele thema’s aansnijdt, waarin iedereen zich kan herkennen:

    Heb liefgehad, verdriet geleden, zoet
    gegeten van de vruchten van de minne.

    Of in twee haiku’s over haar overleden moeder:

    Een stem die aanwaait
    over het verre water,
    is dat mijn moeder?

    En:

    Aan het open raam
    staat de stoel van mijn moeder,
    zon gaat er zitten.

    Misschien is het iets voor de zomermaanden om haar werk te proeven? Van haar bundels is alleen Venetiaanse gedichten nog in de reguliere handel verkrijgbaar. Maar ook die leent zich, net als Brieven uit een hermitage, bij uitstek om als vakantielectuur in de koffer mee te nemen. De associaties, de verbanden die erin worden gelegd, veranderen de kijk op de reisbestemming. En meer dan dat.

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

     

  • Zomerrubriek – Een doortocht

    Brieven uit een hermitage – Maria de Groot

    Het eerste boekje met teksten van Maria de Groot, dat ik van mijn ouders kreeg toen ik nog studeerde, heet Prozaïek. Het bevat onder meer de indrukwekkende toespraak die zij op 5 mei 1970 hield in de Rotterdamse Laurenskerk en die veertig jaar later nog aanleiding gaf tot een heftige discussie die ik met een predikant voerde. Veertig jaar: het bijbels-symbolische getal van een doortocht, waarin later vooral haar gedichten, en een enkele roman, mijn metgezellen waren. Het laatst dat ik een boek van haar kocht, was nog tamelijk recent: in 2012. Al met al omspant het een periode van maar liefst vijftig jaar, een ‘Sarah-leeftijd.’

    Uit de twintig dichtbundels die Maria de Groot (geb. 1937) op haar naam heeft staan, kies ik om een vakantiegevoel op te roepen, Brieven uit een hermitage (uitg. Dabar-Luyten, 2000). Ik geef het als leestip gelijk een Ripolinmannetje door: De Groot schreef de gedichten geïnspireerd door een reis naar Noorwegen, en na thuiskomst daarvan in het Friese Woudsend. En ik nam de bundel in september 2001 mee tijdens mijn rondreis door dit Scandinavische land.

    In deze bundel wisselen sonnetten, vrije gedichten en haiku’s elkaar af. Een bundel die is opgebouwd als een drieluik. In het midden ‘Brieven uit een hermitage’ (= kluizenarij), omlijst door de afdelingen ‘Barnsteen’ en ‘Huis van helianthen.’ In de drie delen worden de seizoenen doorlopen.

    Barnsteen
    Prachtige beelden komen voorbij, als Vikingschrift dat een oud geloof oproept. Zoals dat over een grafvondst in Oseberg:

    halskettingen van barnsteen, de kostbare
    ring die de hemel één maakt met de aarde.

    Het is de natuur die uitdrukking geeft aan de jaargetijden:

    Flarden ijs en witte anemomen –
    tekens zijn het van een norse zomer.

    In de gedichten zitten echo’s van een ver verleden, maar ook van andere dichters, zoals Ida Gerhardt of – zoals in deze regels – Paul Celan:

    hoe zwart de melk

    hoe ze vloeide
    over de boomloze vlaktes waar geen vogel
    toonladderde

    Behalve in dit gedicht, verwijzen ook in andere gedichten beelden naar de Tweede Wereldoorlog, één van de terugkerende thema’s in het werk van Maria de Groot. Bijvoorbeeld het beeld van de sleeën, waarmee in Noorwegen talloze joden werden gered van de kampen door ze naar veiliger streken te brengen:

    Was er een slee geweest
    om aan de dood te ontkomen
    wij hadden honden gevonden
    wij hadden route genomen

    De naam van de Noorse stad Bergen roept bij Maria de Groot zelfs herinneringen op aan Bergen-Belsen. Daar waren geen tafels van steen, zoals de plateaus in de bergen in Zuid-Noorwegen. Geen stenen tafelen, God noch gebod.
    Eenzelfde soort associatie roept een houten crucifix op in de staafkerk van Urnes: een vogel lijkt het wel, de vleugels gespreid voor de sprong, van zijn vlucht beroofd.

    Brieven uit een hermitage
    In de tweede afdeling vallen enkele mystieke liefdesgedichten op, een ander terugkerend thema in het werk van De Groot. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het gnostieke Evangelie naar Maria [Magdalena], waarover de dichteres heeft gepubliceerd; een uitgave die nog steeds te verkrijgen is:

    De minzame
    die mij in hogere scholingen toeliet
    en mij een pen in de hand gaf

    leerde mij lichaamstaal
    danst dag aan dag bij mij binnen
    machtigt mij om te zingen
    (…)

    Waarbij binnen dansen niet alleen betekent de kamer in komen, maar letterlijk: het hart in dansen om zo een mystieke eenheid te vormen en uit te barsten in gezang, zoals haar Bijbelse naamgenote het Magnificat aanhief.

    Huis van helianthen
    Het laatste paneel van het drieluik gaat over de herfst en de winter, zowel in de natuur als op het levenspad. Hierin hangt een droefheid over alle dingen. De ik-figuur is het moe te zingen over het strijklicht van de zon. Ze is verdrietig om degenen die haar ontvielen, haar ouders en een vriendin als Ida Gerhardt. Wat blijft is het dichterschap, weten aan de taal te behoren, verzonken in gedichten, zich afvragend of jamben de vensternis vormen naar het Oneindige.

    Maria de Groot roert in deze bundel thema’s aan die niet iedereen zullen aanspreken. Ook recensenten niet. ‘Niemand brandt zijn vingers aan mijn poëtisch oeuvre’, heeft ze eens gezegd in een interview met Cokky van Limpt (in: Leeuwarder Courant, 1 maart 2007). Enkele uitzonderingen daargelaten. Zo schreef Willy Tibergien in de Poëziekrant (1991/15): ‘Zij is een boeiende auteur die men graag ontmoet, telkens opnieuw.’ Zonder dat zij haar werk opsluit in een christelijk kader. Of daardoor buitensluit, zoals Gerrit Komrij in zijn gedichtenbijbel, of Schenkeveld-van der Dussen in haar Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis.

    Dat dit gebeurt, is jammer want je gunt haar rijk gelaagde poëzie meer lezers. Temeer daar zij in met name het laatste deel van deze bundel universele thema’s aansnijdt, waarin iedereen zich kan herkennen:

    Heb liefgehad, verdriet geleden, zoet
    gegeten van de vruchten van de minne.

    Of in twee haiku’s over haar overleden moeder:

    Een stem die aanwaait
    over het verre water,
    is dat mijn moeder?

    En:

    Aan het open raam
    staat de stoel van mijn moeder,
    zon gaat er zitten.

    Misschien is het iets voor de zomermaanden om haar werk te proeven? Van haar bundels is alleen Venetiaanse gedichten nog in de reguliere handel verkrijgbaar. Maar ook die leent zich, net als Brieven uit een hermitage, bij uitstek om als vakantielectuur in de koffer mee te nemen. De associaties, de verbanden die erin worden gelegd, veranderen de kijk op de reisbestemming. En meer dan dat.

     

    In de Vakantierubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan u aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk.