• Vakantierubriek 2013 – Machiel Jansen

    Nederland

    Deze zomer reis ik in de tijd en blijf ik op mijn plaats. Niet dat ik stil zit. Minstens één keer in de week ren ik mijn huis uit, het dorp door en beklim ik de heuvel die ‘Hoog Baarn’ genoemd wordt. ‘Hoog’ betekent hier in meerdere opzichten verheven boven de rest van het dorp en de omgeving. Grote villa’s, hoge bomen, ware woonkastelen, een ouderwetse watertoren en een prachtige vijver zijn te vinden op een plaats die iets dichter bij de hemel lijkt te liggen dan de rest van de omgeving.

    Het dorp is Baarn en de villawijk heet officieel Wilhelminapark al is er van een echt park geen sprake. Dit is een dure, prachtige wijk op een zandheuvel met huizen die veelal gebouwd zijn rond de voorlaatste eeuwwisseling. Wie er rennend doorheen gaat en door de inspanning  een zuurstofschuld heeft opgebouwd, waant zich even in die tijd.

    Vlak onder het hoogste punt van de heuvel staat een wat kleinere villa. De weg er langs is stil en schaduwrijk. De villa zelf is okergeel geschilderd en ligt op een hoek. De zijstraat waar de ingang zich bevindt, loopt na een tiental meters dood. De lucht ruikt hier altijd naar degelijke, ietwat prijzige rust. Hier heerst een stilte die niet iedereen zich kan veroorloven.

    De tuin van deze relatief bescheiden villa is niet eens zo groot of is er misschien aan de andere kant nog een deel dat ik niet zien kan? Er is een klein balkonnetje aan de voorkant en al met al lijkt me dit een ideaal huis om in te schrijven. Hier woonde Lodewijk van Deyssel. De muren waren toen wit in plaats van okergeel en het asfalt in de straat zal er ongetwijfeld nog niet gelegen hebben. Maar de schoonheid en de rust die Van Deyssel zo op prijs stelden zijn gebleven.

    Van Deyssel schreef hier Uit het leven van Frank Rozelaar en het huis zelf wordt een aantal keer beschreven:

    Van-ochtend vroeg weer thuis komend, werd ik getroffen door de schoonheid van mijn huis, zoo als het daar stond, wit, door de zon licht goud beschenen, onder het diepe blaauw van de lucht. Indien het niet mijn huis ware geweest, zoude het mij niet deze gewaarwording hebben gegeven. Toch weet ik zeker, dat ik niet vooraf gedacht had: “hoe heerlijk, daar is mijn huis”.

    Zoo dat de gemoedstrilling zich buiten mij om met het uiterlijk voorkomen van het huis verenigd had, en zij als een geheel mij stonden te wachten.

    Wie leest Van Deyssel nu nog? Zelfs de Baarnse boekhandel Den Boer verkoopt zijn boeken niet meer. Van Deyssels biograaf Harry Prick heeft de schrijver lange tijd nog overeind gehouden en met veel liefde en toewijding ervoor gezorgd dat er geen woord van de grote Tachtiger verloren ging. Telefoonbriefjes, aantekeningen, dagboekfragmenten, brieven; elk woord van Van Deyssel is gepubliceerd. Maar zijn echte literaire werk, wie leest dat nu nog?

    Van Deyssel is een merkwaardig figuur. Op mij maakt hij de indruk van een schrijver die voortdurend bezig is zich voor te bereiden op het schrijven van een meesterwerk. Alles, bijna alles, wat ik van hem ken, maakt de indruk een voorproefje te zijn, een vingeroefening op iets werkelijk groots en meeslepends. Maar aan het echte, grote werk is hij vervolgens niet toe gekomen. In plaats daarvan schreef hij uitvoerige aantekeningen over de manieren waarop hij de vliegen uit zijn schrijfkamer hield en hoe hij de rust probeerde te bewaren die voor het werkelijke schrijven noodzakelijk was.

    Ondertussen weet Van Deyssel toch de indruk te wekken dat hij een groot, zeer groot schrijver is. Die indruk maakte hij ook op zichzelf. De gewaarwording dat hij veel, zo niet alles kon, was hem niet vreemd. Dat wil niet zeggen dat hij dacht dat hij alles ook echt kon, maar hij beweerde te ervaren wat iemand die alles ook echt kan, ook ervaart. En omdat daden in die tijd door veel intellectuelen werden gezien als slechts een uiterlijk en minderwaardig bijverschijnsel van het innerlijke leven, was die gewaarwording op zich al genoeg. Waarom iets doen dat uiteindelijk een ervaring oplevert die je al hebt voordat je ook maar iets gedaan hebt? Voor Van Deyssel werd de gewaarwording dat je iets kunt, belangrijker dan het handelen zelf. Met andere woorden: het zijn van een God in het diepst van de eigen gedachten was bijna hetzelfde als een God te zijn.

    Zoals ik al zei, Van Deyssel was een merkwaardig figuur.

    Een aantal van deze ideeën beschreef hij in Het ik, heroïesch-individualistische dagboekbladen, uitgegeven in de reeks privé-domein en nu alleen nog antiquarisch te krijgen. Het is het beste dat ik van Van Deyssel ken. W.F. Hermans noemde het boek een meesterwerk en dat zegt zowel iets over het boek als over Hermans zelf.

    Het ik, is een uitermate zelfbewust boek. En met zelfbewust bedoel ik dat de schrijver niet alleen zijn gedachten weergeeft, maar ook zijn gedachten over die gedachten. Die zelfbewustheid doet bij Van Deyssel af en toe opmerkelijk modern aan. De stijlvormen die hij in zijn werk kiest zijn die van zijn tijd, maar het denken erover zorgt ervoor dat hij, makkelijker dan zijn tijdgenoten, de ene vorm voor de andere inruilt. Zijn roman Een liefde (1887) is een fraai voorbeeld van een laat-negentiende-eeuwse, impressionistische roman, inclusief een heus schandaal. Wie het leest moet overigens eens opletten hoe Van Deyssel de eens zo beruchte masturbatie-scène van Mathilde beschreven heeft: bijna uitsluitend in termen van licht, kleur en beweging.

    Uit het leven van Frank Rozelaar (1911) is een heel ander boek. Het is kalmer, beschouwend en bevat passages die lijken op het Natuurdagboek van Nescio, maar veel eerder geschreven zijn:

    Ik was verheugd over den zachten dag. Er was iets, dat mij heel oplettend stil deed staan. Ik weet niet wat het was, dat mij zoo stil deed staan. Vreemd was het. Een ochtend, die als een avond was. De maan, wel bleek, maar klaar. Onder de maan kwam daar een heele groote vogelzwerm aan, die mooi vloog met de vele vleugeltjes en telkens anders werd in groote licht-zwarte figuren.

    De nadruk die Van Deyssel legt op de schoonheidservaring is waarschijnlijk het meest opvallende kenmerk van zijn werk. Maar vooral in dat ene merkwaardige boek, Het ik, laat Van Deyssel zien dat hij meer kan. Dit boek verheft hem een beetje boven zijn vrienden en collega’s uit die tijd.

    ***

    Herman Gorter had de plaats hoog op de heuvel voor Van Deyssel uitgezocht. Hij was het die deze villa vond. Gorter zelf woonde in Amersfoort, even verderop, en aan de andere kant woonde Frederik van Eeden, in Bussum. Ook Willem Kloos woonde een tijdje in Bussum. De Tachtigers konden met een beetje goede wil naar elkaar toe wandelen en als dat te vermoeiend was, konden ze de trein nemen. Maar Van Deyssel moet behoorlijk lui zijn geweest. In één van zijn briefjes zegt hij een bezoek aan Van Eeden af omdat hij het te vermoeiend vindt naar het station te lopen. …Het is nog steeds een kippenendje.

    Het briefje staat in het boek Het beste mijner paradijzen van Ronny Boogaart en Eric de Rooij. Het is een wandelgids door het Gooi in de resten van de wereld van de Tachtigers. Villa Viletta, zoals het huis op de heuvel heet, staat er uiteraard ook in.

    De heuvel moet Van Deyssel goed hebben gedaan. Een plek, verheven boven de omgeving, pastte wel bij zijn levenshouding. Dat moeten zijn vrienden ook gedacht hebben, want in 1899 boden ze hem op diezelfde heuvel een nieuw huis aan, ter gelegenheid van zijn twaalfenhalfjarig huwelijksfeest met zijn vrouw Cato. Tegenover Van Deyssels villa lag een stuk grond braak waar bremstruiken groeide en Van Deyssels literaire vrienden zorgden ervoor dat daar een nieuwe, grotere villa speciaal voor hem werd gebouwd. Architect K.F.C. de Bazel, nu vooral bekend van dat grote gebouw in de Vijzelstraat in Amsterdam waar het stadsarchief gevestigd is, werd gevraagd het te ontwerpen.

    De Bremstruik heet het, en het is naar mijn mening wat minder fraai dan Villa Viletta. Het is te groot voor het formaat van een schrijver als Van Deyssel. Het mist de intieme schoonheid die zo opvallend is in het werk van de Tachtigers. Maar misschien is het van binnen fraaier dan van buiten – De Bazel schijnt veel aandacht aan het interieur te hebben besteed.

    Wie de heuvel afdaalt komt op de plek waar Van Deyssel zijn nieuwe Bremstruik aangeboden heeft gekregen. Alle Tachtigers waren in 1899 aanwezig in Hotel Groeneveld dat nu Restaurant Greenfields heet. Men at er o.a. schildpadsoep en pudding met ‘rhum sauce’. Nu ligt het aan de drukke Amsterdamse straatweg, een doorgaande autoweg die honderd jaar eerder nog een breed bospad was. Een foto van de locatie staat in Het beste mijner paradijzen afgedrukt. De stilte en schoonheid van de omgeving doet weemoedig aan. Tijdens het kijken in het verleden, vraag je je af of Van Deyssel zich bewust was van de schoonheid die hem omringde. Maar het antwoord is duidelijk te vinden in zijn werk: ja.

    Ik blijf thuis deze zomer. En natuurlijk kan ik altijd nog een uitstapje maken naar Bussum waar Van Eeden en Kloos zaten. Daar begon Van Eeden zijn kolonie Walden naar voorbeeld van de Amerikaan Henry David Thoreau. Het paradijs op aarde dat maar geen paradijs wilde worden. Maar daarover misschien later meer.

    Machiel Jansen

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

  • Vakantierubriek 2013 – Joost van der Vleuten

    New York: these streets can make you feel brand new

    Als ik eind september door New York loop, word ik vast weer opgetild door de onweerstaanbare cocktail van monumentale art déco en modernistische grandeur. Martinus Nijhoff zei dat de skyline van Manhattan het moderne twintigste-eeuwse equivalent was van de Middeleeuwse kathedralen. Gezien vanuit de 21e eeuw is New York vooral ook knap nostalgisch. Wolkenkrabbers uit good-old Gotham city, oude diners in ooit modern aluminium, en een ot-en-sienerige Magnolia Bakery waar hip Japan in de rij staat voor ambachtelijke cupcakes. Om de hoek ligt de Village Vanguard jazz club. Een verkalkte kelder onder een neonverlichte wasserette. 103 Bezoekers, opeengepakt rond tafeltjes waar net twee glazen slechte wijn op passen. Op het kleine podium 17 laconiek kijkende lieden die virtuoos de muren eruit blazen. Toni Morrison doet dat in d’r uppie, met taal, in haar roman Jazz.

    Greenwich, Soho, Little Italy (voor zover nog niet geheel plastic) en zeker ook Harlem en Brooklyn: nostalgisch. New York verlangt naar zichzelf van ooit. Neem die boekhandel in Soho.  De regen gutste langs de ramen en de zoon van mijn aanstaande (maar dat wist ik nog niet) dronk tevreden hot chocolate en bladerde in een Batman-reprint. Aanstaande zelf stak mij een boek toe, gesigneerd en wel: All The Sad Young Literary Men van Keith Gessen. Verhalen over vers afgestudeerde jongelieden met literaire ambities in Queens en Brooklyn, die een identiteitscrisis nodig hebben om zichzelf te worden. Chelsea Clinton speelt een verrassende bijrol en de Joodse hoofdfiguur gaat under cover als Palestijn in de bezette gebieden. Tikkie maf, maar daverend goed geschreven. Helaas weinig meer van de jongeman gehoord. Dacht ik .

    Misschien kwam die nostalgie wel door 9/11. Ineens realiseerde New York zich dat het iets kwijt was en dat het wat het te verliezen had. Zie Extreem luid en ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer, over een bijdehand jongetje dat zijn vader verliest bij de aanslagen op het WTC.  Zijn enige aandenken is een sleutel, en hij gaat op zoek naar het slot waar die op past, langs klasgenoten, buurtbewoners en grootouders. De auteur werd wereldberoemd, maar ik werd er niet blij van. Een overmaat aan talent en een tekort aan terughoudendheid. Te veel typografische grappenmakerij en overbodige foto’s. Vond ik. Tijd om te herlezen en te herijken, los van de hype van toen.

    In de nasleep van 9-11 speelt Netherland (2008) van Joseph O´Neill. Een nette Nederlander van Amerikaanse komaf probeert te integreren in New York en speelt mee in een multiculti cricketteam op Staten Island. Jamaica ontmoet De Haagse vogelbuurt. De contouren van een nieuwe samenleving doemen op aan de rafelranden van New York. Prachtig. Het boek zou de dialoog aangaan met The Great Gatsby van Scott Fitzgerald (die in 1926 All the Sad Young Men publiceerde, dat nagalmt in bovengenoemd boek van Keith Gessen).

    Gessen heeft dan wel geen verhalen of romans meer gepubliceerd, maar richtte wél N+1 op, ‘the best goddamn literary magazine in America’, geheel gewijd aan het essay. In een Amsterdams antiquariaat kocht ik een bloemlezing uit N+1 getiteld Say what you mean. ‘A lot of the best inellectual literary magazines are oriented toward the past’, zegt Gessen er zelf over, ‘we wanted to be more oriented toward the present.’ Abortusmoorden, het vakbondswezen, conceptuele kunst en de lichaamscultus in de sportschool: niets is heilig, niets is waar, maar als je het heel goed opschrijft beklijft het, soms.

    Door Joost van der Vleuten

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

  • Vakantierubriek 2013 – Hilde van Vlaanderen

    Rusland

    Is Rusland een vakantieland? Ja, als je wilt genieten van eindeloze treinreizen, van immens grote steden met een grote variatie aan cultuur en van de niet spreekwoordelijke maar werkelijke Russische gastvrijheid. Niet bepaald, wanneer je je met politiek bezighoudt, wanneer je de enorme tegenstellingen in de bevolking, op straat ziet. Een Duitse historicus, die ik een paar jaar geleden in Moskou in een hotel ontmoette, zei: ‘ik heb hier in een week meer van de duurste Mercedessen gezien, dan in een jaar in München’. Later kom je bij een kerk of bij de metro bedelaars tegen. Weer wat later kom je in een klein, enigszins verouderd museum en bij de eerste de beste vraag die je stelt, krijg je uitvoerig en enthousiast antwoord van de gepensioneerde vrouw die er als suppoost werkt. Rusland – het land van de grote tegenstellingen. Het land, waar je voortdurend moet schakelen van enthousiasme om bepaalde schoonheid, in gebouwen, in kunst en dan weer naar opperste verbazing om het uitbundig etaleren van persoonlijke rijkdom.

    Met alle dwaze verhalen en onrustbarende politieke gebeurtenissen is er toch één constante: de rijke Russische cultuur: muziek, kunst, literatuur. Het is vaak juist in de literatuur, dat de bevolking een uitweg zocht en vond. Al eeuwenlang waren er situaties die niet echt om te lachen waren. Toch waren het schrijvers die in hun werk het volk lieten lachen, een spiegel voorhielden of iets toevoegden aan het collectieve geheugen dat later vaak een feest der herkenning zou worden.

    Het schrijversduo Ilf & Petrov bijvoorbeeld. Als je in Rusland zegt, dat je iets van hen hebt gelezen, komt er vast en zeker een glimlach, een grijns. Een van de hoofdpersonen uit het boek De twaalf stoelen is een echte boef, maar wel een vrolijke. Hij weet met een onuitputtelijke fantasie mensen om de tuin te leiden en zijn doelen te bereiken. Het verhaal gaat over de briljanten van een oude dame, die zij in de onrustige tijd van de revolutie in een stoel van haar eetkamerameublement heeft verstopt. Op haar sterfbed heeft zij dit aan haar schoonzoon verteld. Die is dan echter helemaal geschokt, want de stoelen zijn kort geleden verkocht. De schoonzoon begint een zoektocht, waar zijn de stoelen gebleven? In een bejaardentehuis? Daar zijn ze ook weggegeven en doorverkocht. Na een paar dagen leert de schoonzoon (Ippoliet Vorobjaninov) een man kennen (Ostap Bender), die zich voorstelt als ‘de grote organisator’ en aanbiedt om samen verder te zoeken. Er volgt een onwaarschijnlijke zoektocht dwars door Rusland, waarbij de mannen de gekste avonturen beleven. Het geeft een schitterend beeld van het leven in de jaren ’20 van de vorige eeuw, maar misschien nog meer van de verschillende personages die het tweetal onderweg ontmoet. Soms worden de bedriegers bedrogen, maar even vaak weten zij met slimme listen weer iets te ‘regelen’. Ostap Bender is een boef, maar wel een charmante boef. Het boek is in 1928 uitgegeven, het wordt nog steeds gedrukt en gelezen. In Odessa staat op een pleintje in het centrum een sierlijk koperen stoeltje. Een willekeurige toerist denkt misschien, dat er ooit een meubelfabriek heeft gestaan, maar iedere Rus weet dat deze stoel symbool staat voor een van die twaalf stoelen uit deze humoristische roman. Zij laten zich er dan ook altijd bij fotograferen. Ik ook. ( Onlangs zou ik met een van mijn Russische vrienden aan dit boek beginnen. Ik zou het Russisch lezen, hij zou de Nederlandse vertaling lezen. Hij zat bij iedere alinea te schateren van het lachen en ik moest woorden uit het Nederlands uitleggen, die hij nog nooit gehoord had.)

    Ruim veertig jaar later schreef Vladimir Vojnovitsj ook een satirische roman. De merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin. Hij had het geschreven rond 1969 en het verscheen in het westen in 1975 in Parijs. Vojnovitsj was toen al in ongenade gevallen in Rusland. Omdat hij het had opgenomen voor dissidente schrijvers werden zijn boeken in 1968 verboden. Tsjonkin is een soldaat uit het rode leger die in de Tweede Wereldoorlog – of zoals de Russen zeggen: De grote vaderlandse oorlog – met een kapot vliegtuig in de provincie moet landen. Hij vraagt om assistentie, maar krijgt steeds geen reactie, totdat hij orders krijgt om het vliegtuig – dat niet meer voor of achteruit kan, laat staan vliegen – te bewaken. Tsjonkin beleeft allerlei avonturen met de dorpsbewoners, hij wordt een deel van de gemeenschap. Telkens weer zijn er onvoorziene complicaties, maar de goedmoedige Tsjonkin weet zijn huid steeds te redden. Vojnovitsj heeft op zeer grappige wijze een indruk gegeven van leven en werk in een sovjet-kochoze tijdens de Stalin-tijd. Hoofdschudden en schateren, je doet het allebei als je dit boek leest. Een goede lezer had in die tijd maar een half woord nodig, in dit boek was veel kritiek verborgen en niet alleen Russen vonden het prachtig, het is ook voor niet-Russen een komisch en tegelijkertijd boeiend boek.

    In 1985 verscheen de roman Vrouwendecamerone van Julia Voznesenskaja. Het is nog regelmatig te vinden als Rainbow-pocket in tweedehands boekwinkels. Het boek gaat over tien vrouwen die in een kraamkliniek verblijven. Onverwacht moeten zij in quarantaine en na de eerste schrik besluiten zij elkaar verhalen te vertellen. Iedere dag een verhaal gebaseerd op een ander thema. Galina, Albina, Emma, Natasja en Zina, allen hebben net als de andere vijf verschillende achtergronden. De een is stewardess en schnabbelt wat bij als gelegenheidsprostituee, een ander is de vrouw van een dissident, een derde is lerares biologie, een vierde regisseuse. Allemaal beleven ze de Sovjetrealiteit in de jaren ’80. De Sovjetmaatschappij, waarbij mannen en vrouwen in principe gelijk waren, maar de vrouwen toch voor de dubbele taken stonden. De vrouwen toen verlangden er juist naar om eens een tijd niet te hoeven werken en zelf voor hun kinderen te kunnen zorgen, maar dat paste niet in het ideologische klimaat. Tegelijkertijd verwachtten de mannen wel, dat hun vrouwen lief en sexy waren. En stonden de vrouwen wel in de rij voor de gekste huishoudelijke benodigdheden. Voznesenskaja beschrijft het leven in de gemeenschappelijke woningen met kamers zo klein, dat pas getrouwde stellen op zolders of in garages een plekje zochten om even alleen te zijn. Als lezer ben je soms perplex en soms schiet je weer even in de lach om de gekke toestanden die de vrouwen beleven, dan weer kun je een vrouw om een onverwoestbaar doorzettingsvermogen bewonderen. Julia Voznesenskaja was al vroeg actief in de vrouwenbeweging en pleitte voor een alternatieve, vrijere cultuur. Daarvoor werd zij gestraft met een verblijf in een kamp, later is zij het land uitgezet. Zij woont nu al jaren in Duitsland. Dit boek is echter in vele talen vertaald en geeft een prima beeld van de Sovjet-Unie midden jaren ’80. Een interessant boek, niet alleen als tijdsbeeld maar ook als portret van de gewone Russinnen en hun kracht.

    Drie boeken uit de vorige eeuw. Die op satirische wijze een beeld schetsen van land en volk. Alle drie onvergetelijke boeken. Om te lezen en om te herlezen. Ik ben benieuwd of er momenteel een Russische schrijver of schrijfster is, die net zo humoristisch gaat schrijven over het huidige Rusland…

    door Hilde van Vlaanderen

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

  • Vakantierubriek 2013 – Adri Altink

    Frankrijk

    Brieven, verloren tijd en taalkunst uit Frankrijk

    Mijn meest romantische herinnering aan Frankrijk is al oud. Ik bezocht het kasteel van Grignan in de Drôme. Naar beneden lopend passeerde ik een boekwinkeltje. Ik kocht er een pocket met een selectie van brieven van Mme de Sévigné aan haar dochter, die in de 17de eeuw op het kasteel woonde. Op een terrasje bij de zacht murmelende fontein in het dorpje, bekroond met een schrijvende Sévigné in brons, begon ik er in te lezen en ik was meteen verkocht. De (soms wel wat te sterke) moederliefde zal zelden intenser verwoord zijn, maar ook het Franse hofleven en de pijn van de afstand die moest worden overbrugd tussen Parijs en Grignan om contact te kunnen hebben met elkaar worden intens voelbaar. Lees niet te snel en proef de zinnen.

    Een paar jaar later verscheen de selectie Brieven in een Nederlandse vertaling van Ben Rekers in de serie Privé-domein van de Arbeiderspers.

    Een omweg leidde tot een verslaving die twee zomers lang zou duren. Het begon met Een avond in hotel Majestic van Richard Davenport-Hines over een ontmoeting tussen de groten uit de kunst op 18 mei 1922 in Parijs. Davenport vermeldt onder andere de anekdote dat Proust en Joyce tijdens de ontmoeting nauwelijks een woord met elkaar wisselden. Stel je voor: de twee grootste literatoren zitten aan tafel en hebben elkaar niets te zeggen!

    Het boek gaf me de duw om eindelijk Op zoek naar de verloren tijd van Proust aan te pakken. Sommige delen las ik in de vertaling van C.N. Lijsen, maar de meeste in die van Thérèse Cornips. Die laatste is het meest aan te bevelen, vind ik. Laat je meedrijven op de lange golvende zinnen en geniet van de scherpe observaties van Proust en zijn humor over gedrag en achterbakse bedoelingen van de mensen. En natuurlijk zijn weidse mijmeringen over de tijd.

    Ik raakte zo van de lectuur in de ban, dat ik nóg meer wilde weten. Wat dat betreft vond ik de biografie Proust van Ghislain de Diesbach wat zwaar op de hand en academisch. Míj nam hij eerder tégen Proust in dan andersom. Wie zich echt wil verdiepen in de structuur en achtergronden kan beter de tijd nemen voor het prachtige hoorcollege van Maarten van Buuren, verschenen op 7 cd’s bij Home Academy (2005).

    Nog nooit Proust gelezen? Begin dan eens met het amusante boekje van Alain de Botton Hoe Proust je leven kan veranderen.

    De schrijver die me het langst in mijn leesleven heeft vergezeld is Georges Perec. Door mijn interesse in de mogelijkheden van taal en cryptiek was ik hem zelfs op de middelbare school al tegen gekomen, maar een ‘vriendschap’ werd het toen nog niet. Dat gebeurde wel, en meteen onweerstaanbaar, toen ik zijn Het leven een gebruiksaanwijzing las. Wat een taalplezier en wat een verborgen lagen. Ik wilde meer, véél meer van hem. Intussen heb ik alles wat ooit van hem in vertaling verscheen gelezen en enkele kleinere uitgaven in het origineel. Daaronder het knappe ’t Manco, de vertaling door Guido van de Wiel van La Disparition, de roman waarin de letter E niet voorkomt. Dat boek is niet alleen een taalkunstje, maar ook een verbeelding van een groot thema in Perecs leven: het gemis van zijn vader en vooral zijn moeder. Voor wie meer wil weten over dat leven kan uitstekend terecht in de heerlijke biografie van David Bellos: Georges Perec. A Life in Words. Had Ghislain de Diesbach maar zó over Proust kunnen schrijven!

    Door Adri Altink

  • Vakantierubriek 2013 – Martin Lok

     Italia: La dolce vita, maar niet zonder un po’ d’amaro

    Wie aan Italië denkt, denkt aan la dolce vita. Het zoete leven. Want Italië, dat is waar de zon zonnig is, een espresso goddelijk, dieprode wijn smaakt zoals dieprode wijn hoort te smaken, een wandeling buiten een onderdompeling is in de geur van rozemarijn, basilicum, olijven en citroenen, en waar alles eten is, ook als het over iets anders gaat. Genoeg redenen om de mindere zijden van Italië, zoals Berlusconi, de afvalbergen in Napels en de maffia met zijn vele namen als sneeuw op de Vesuvius te laten smelten. Maar de literatuur uit Italië leert je dat je dan wat mist. Naast het zoet van het Italiaanse leven verdient ook het amaro ervan, de bitterheid, ieders aandacht. Daarom hierbij aan de hand van boeken van Dante Alighieri, Leonardo Sciascia, Tomasi di Lampedusa, Renata Viganò, Elsa Morante, Giorgio Bassani, Giorgio Vasari, Ascanio Condivi, Benvenuto Cellini en de veel te vroeg overleden Nederlandse actrice, gastvrouw en kookboekschrijfster Diane Lensink mijn introductie op het dolce én amaro van Italië.

    Natuurlijk is hét klassieke Italiaanse boek dat het dolce met het amaro verbindt La Divina Commedia van Dante Alighieri. Een imposant dichtwerk uit het begin van de veertiende eeuw, dat direct bij aanhef intrigeert: ‘Op ‘t midden van ons levenspad gekomen, Kwam ik bij zinnen in een donker woud, Want ik had niet de rechte weg genomen.De Goddelijke Komedie is enkele jaren geleden door Athenaeum-Polak & Van Gennep prachtig tweetalig uitgegeven en toegelicht (vertaling door Ike Cialona en Peter Verstegen) en daarmee voor iedereen toegankelijk. Maar ik begrijp dat het niet ieders vakantiewens is zich door ruim 700 pagina’s verhalende poëzie heen te worstelen. Alhoewel iedereen die zich door de eerste regels aangesproken voelt, mijns inziens op zijn minst een poging zou moeten wagen. Maar andere boeken zijn natuurlijk een toegankelijker poort tot het zoet en het bitter van Italië. Dante waagt zich eerst aan het bitter van de Hel, waar alle ondeugden en zondes van de mensheid te revue passeren, om pas later over de hemelse zoetheid van het leven te dichten. Ik volg diezelfde weg.

    Een bitter element in de Italiaanse geschiedenis is ontegenzeggelijk de maffia. Voor Noord-Europeanen (zeg maar: boven de Arno) eigenlijk niet te bevatten. Daarvoor is bij ons het systeem van horigheid en het ‘als jij mijn rug krabt, krab ik de jouwe’ al te lang verdwenen. Maar wie als Noorderling toch een poging wil wagen de maffia enigszins te doorgronden kan prima in de literatuur terecht. Mijn favoriete auteur is daarvoor Leonardo Sciascia, onderwijzer, parlementariër en politiek geëngageerd Siciliaans schrijver. Zijn bekendste boek is de Dag van de Uil (Serena Libri). Deze roman over moord, maffia en malversaties laat je reeds op de eerste pagina’s kennismaken met het Sicilië dat je al meende te kennen, maar dat je desalniettemin verrast en beetpakt. Dag in dag uit komt er een broodjesman bij de bus, ook die dag dat er man vermoord wordt die op de bus stapt. Dat wist iedereen in het dorp, de politie incluis. Maar als deze broodjesman wordt ondervraagd komt uit zijn reactie de ongrijpbaarheid van de maffia onmiddellijk naar voren: ‘Hoezo? Vroeg de broodjesman verbaasd en nieuwsgierig, is er geschoten?’ Serena Libri heeft veel meer titels van Sciascia in Nederland uitgebracht. Vaak over de moeizame relatie van Sicilië met de maffia (Ieder het zijne, Een duidelijke zaak). Maar deze auteur raakt in zijn boeken ook andere thema’s aan, zoals de Italiaanse politiek (L’affaire Moro) of de wetenschap en de ontwikkeling van de atoombom (De verdwijning van Majorana).

    Niet over de maffia, maar wel over kameleontische aard van de Sicilianen (een aard die misschien ook wel Italiaans is, zo weet iedereen die De Karthuize van Parma van Stendhal gelezen heeft), is de Tijgerkat van G. Tomasi de Lampedusa (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Tomasi de Lampedusa beschrijft hoe Sicilianen steeds weer buigen naar hen die de macht hebben, of krijgen; een voorwaarde voor overleven in een maffiose maatschappij. Alhoewel in de Tijgerkat de vraag nooit ver weg is wie het nu eigenlijk voor het zeggen heeft, de machthebber of zij die hem in staat stellen de macht te hebben. Nergens blijkt dit beter dan uit de kernzin uit Tomasi di Lampedusa’s opus. Zoals ik vorig jaar in de Zomerrubriek schreef één van de mooiste zinnen uit de literatuur die ik ken: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Er is geen andere zin die op zoveel momenten in de Italiaanse geschiedenis toepasselijk is. Het maakt de Tijgerkat tot verplichte literatuur voor iedereen die de achterkant van Italië (en Sicilië) wil begrijpen en doorgronden.

    Een andere donkere zijde van Italië die je prima via de literatuur kunt verkennen is de Tweede Wereldoorlog. Elk land heeft zijn eigen oorlog, die, ook al is het dezelfde oorlog, zijn gelijke niet heeft. Nooit eerder realiseerde ik me dat sterker dan na het lezen van Agnese moet sterven van Renata Viganò (Serena Libri). De Italiaanse oorlog is met zijn fascisten en partizanen zo anders dan de Nederlandse, dat je het gevoel bekruipt over een geheel andere oorlog te lezen. Er blijkt een veelvoud van Tweede Wereldoorlogen te zijn. Viganò beschrijft de Italiaanse versie weergaloos. In zijn roman komt niet alleen het moeras waar de partizanen schuilhouden tot leven, maar ook de onmenselijke keuze die Agnese, een eenvoudige vijftig jaar oude wasvrouw uit een alledaags Italiaans dorpje, moet maken. Een keuze die haar leven op zijn kop zet, haar dingen laat doen die ze zelf niet voor mogelijk had gehouden, en die haar uiteindelijk bij haar noodlottig einde brengt. Zo mogelijk nog indrukwekkender is De geschiedenis van Elsa Morante (Meulenhoff), vrouw van Alberto Moravia. De Geschiedenis is een gedeeltelijk op persoonlijke ervaringen van Morante geïnspireerde saga over de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de Europese cultuur. Het beslaat de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw en is in zekere zin de literaire evenknie van Bertolucci’s film Novecento. Je moet er wel even voor gaan zitten, want Morante schrijft in De Geschiedenis ruim 650 pagina’s bij elkaar, maar het resultaat is aangrijpend en overrompelend genoeg om je geen moment los te laten.

    Wie zich iets minder lang wil onderdompelen in Italiaans oorlogsproza, kan De tuin van de Finzi-Contini’s van Giorgio Bassani ter hand nemen (Meulenhoff). Vanuit het zuiden zijn we inmiddels stevig in het noorden van Italië aanbeland, in Ferrara om precies te zijn. Bassini beschrijft hoe in die stad de gegoede joodse gemeenschap in de oorlogsjaren teloorgaat. Een prachtig kleinnood dat je doet verlangen naar zijn andere romans over het leven in Ferrara.

    Zo langzamerhand is het thema van het amaro voldoende uitgediept en wordt het tijd voor de goede kanten van het Italiaanse leven. En dat wordt nergens zo zichtbaar als bij de Italiaanse kunst en in het Italiaanse eten. Natuurlijk zijn er goede romans verschenen waarin kunst of eten een hoofdrol vervullen, maar ik tap hier liever uit een ander vaatje en geef de voorkeur aan non-fictie als toegangspoort. Om als eerste met kunst te beginnen: een bezoek aan Italiaanse musea wordt veel waardevoller als je vooraf iets gelezen hebt over de Italiaanse Renaissance en het effect daarvan op de kunstgeschiedenis. Natuurlijk kun je daarvoor de klassieker van Jackob Burckhardt lezen, De Cultuur der Renaissance in Italië (o.a. Spectrum), of Ross King’s De koepel van Brunelleschi of De hemel van de Paus (De Bezige Bij) lezen, maar er zijn mijns inziens interessantere ingangen. Want waarom zou je niet over de Italiaanse kunst van de Renaissance lezen in boeken die door de Italianen van die tijd zijn geschreven. Er zijn er genoeg. Een klassieker is natuurlijk Giorgio Vasari’s Levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (zestiende eeuw, o.a. Contact). Hierin vind je tientallen biografieën van bekende Renaissance kunstenaars, die het leven van een kunstenaar in die tijd op ongeëvenaarde wijze tot leven brengt. Wie echter verder wil gaan kan bijvoorbeeld ook nog de ‘semi-autobiografie’ van Michelangelo lezen, geschreven door zijn leerling Ascanio Condivi (helaas niet in het Nederlands vertaald), of het weergaloze Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld (Benvenuto Cellini, zestiende eeuw, Athenaeum-Polak & Van Gennep). Humoristisch, vol eigendunk, maar ook vol wetenswaardigheden over het leven en kunstenaarschap aan het einde van de Renaissance. Lees Cellini’s autobiografie en je zult zijn bronzen Perseus-beeld op het Piazza della Signoria in Florence voor altijd anders benaderen.

    Naast Italiaanse kunst is de Italiaanse keuken natuurlijk een cruciale bijdrage van het land aan het mondiale culturele erfgoed. Daarom wijd ik tot besluit van mijn introductie tot het goede en bittere van Italië mijn aandacht nog even aan het absolute summum van la dolce vita. Namelijk dat deel dat via de smaakpapillen voert: de Italiaanse keuken. Ik doe dat overigens met een Nederlands tintje, als eerbetoon aan Diane Lensink, de ongeëvenaarde gastvrouw van een Nederlands-Italiaans paradijs in Noord-Italië, Vinazza.

    Vinazza is een tweehonderd jaar oud buurtschap in de nabijheid van Apricale en Baiardo (of, iets verder weg en voor wie dat meer zegt, Bordighera en Ventimiglia). In 1978 streek Diane er voor het eerst neer, om er in 1993 als alleenstaande moeder met haar toen nog jonge zoon echt te gaan wonen. Vanaf 1995 is Vinazza ook een agriturismo. En wat voor één! In het Parool stond ooit geschreven dat wie eenmaal in Vinazza is geweest er altijd terug komt. Iets dat ik volmondig kan beamen; ik ben er in ieder geval in ongeveer acht jaar tijd een keer of zes geweest. Steeds weer aangetrokken door de eeuwenoude stilte, de geuren van de zonverdroogde uitlopers van de Alpen en het gastvrouwschap en de kookkunsten van Diane. Alhoewel de actrice Diane altijd in Nederland bleef acteren was het uitbaten van Vinazza naar eigen zeggen haar roeping. Een roeping en een leven dat in het Woord vooraf van haar eerste boek en op de achterflap van haar tweede boek mooi wordt samengevat: ‘Het ging altijd over eten. Ook als het niet over eten ging.’ Twee kookboeken heeft ze op haar naam staan, Vinazza. Kookboek uit een Italiaans Paradijs en Vinazza. De maan, het land en het leven (beiden Kosmos). Twee kookboeken die de lezer meer brengen dan recepten alleen. Naast de recepten van Diane komen in beide boeken het leven in Italië en de smaken van Liguria tot leven. Dit alles gelardeerd met wetenswaardigheden over het buurtschap Vinazza, en de plaatsjes in en bewoners uit de onmiddellijke omgeving: Baiardo, Apricale, Dolceaqua, Bordighera.

    Helaas is Diane op 19 december 2012 op 62-jarige leeftijd overleden. Natuurlijk veel te vroeg. En ook voordat ze haar derde kookboek kon uitbrengen. Ze was er al wel mee begonnen. Het zou haar culinaire magnus opus worden. Gelukkig hebben haar vrienden  aangegeven dat ze de aantekeningen die Diane Lensink maakte tot publicatie zullen brengen. Ik kan niet wachten tot dit derde Vinazza kookboek in mijn boekenkast prijkt en ik aan de hand van Diane’s aanwijzingen in mijn Nederlandse keuken nieuwe Italiaanse geuren en smaken kan oproepen. Vol passie en met een traan. Want in alles geldt: Italië is la dolce vita maar soms ook un po’ amaro.

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

     

     

  • Vakantierubriek 2013 – Sunny Jansen

    Lezen in Egypte: een moordaanslag, een schrijvende tandarts en seksuele frustraties

    Op dit moment is Egypte vooral in het nieuws vanwege de nieuwe revolutie. Nadat in 2011 dictator Hosni Mubarak in een fluwele revolutie verdreven werd, is eerder deze maand ook de eerste gekozen president afgezet. Deze terugkerende onrust doet Egypte als vakantieland niet veel goeds. Toch blijf ik er terug komen. Iedere uithoek van het land heb ik verkend op zoek naar vergeten tempels en graftombes. Recent heb ik ook de Rode Zee ontdekt: een prachtige plek om te duiken, te snorkelen en te zwemmen met dolfijnen. Bijna een dozijn keer ben ik er nu geweest en omdat ik tijdens elke reis lokale schrijvers lees, heb ik inmiddels een flinke plank Egyptische literatuur verzameld.

    Naguib Mahfouz
    Op mijn eerste cultureel georiënteerde reizen las natuurlijk Naguib Mahfouz (1911-2006). In 1988 ontving hij als eerste en tot nu toe enige Arabische auteur de Nobelprijs voor de Literatuur. Een paar jaar later overleefde Mahfouz een moordaanslag. Hij zou de islam hebben beledigd in zijn werk. Mahfouz raakt zwaar gewond en hield de rest van zijn leven moeite met lezen en schrijven. Desondanks is zijn oeuvre indrukwekkend.

    Aanvankelijk schreef hij voornamelijk historische romans, later portretteerde hij Cairo, hetgeen uitmondde in zijn befaamde trilogie over de koopmansfamilie Abd al-Gawwaad. In het eerste deel Tussen twee paleizen staan historie en politiek centraal. Alles draait om het verzet tegen de Britse aanwezigheid in Egypte. In Paleis van verlangen worstelt zoon Kamaal met de strenge regels van zijn geloof. Mahfouz laat op een indringende wijze zien hoe het geloof verweven is in alle aspecten van de Egyptische samenleving. In het derde deel De suikersteeg is Kamaal onderwijzer en filosoof geworden. Vol verbazing ziet hij de wereld om zich heen in een rap tempo veranderen. Zijn drie kleinzoons verdelen de familie met hun tegengestelde politieke voorkeuren. Een prachtig epos om reizend door Egypte te lezen!

    Schrijvende tandarts
    Op mijn laatste reizen las ik vooral moderne auteurs. De schrijvende tandarts Al Al-Aswani en de omstreden Ahmed Alaidi bijvoorbeeld.

    Al-Aswani werd bekend met een boek dat past in Mahfouz’ traditie. Hij portretteerde het leven in Cairo, maar niet zoals Mahfouz vanuit een historisch perspectief. Al-Aswani nam het heden als uitgangspunt. Hij luisterde naar de verhalen van zijn klanten en zwierf door de straten van Cairo om de sfeer van de stad te vangen. Dit resulteerde in het boek Het Jacoubian, een intrigerende roman over de bewoners van een oud gebouw in Cairo. Af en toe lijkt het boek erg over de top qua zedeloosheid, maar wie wie Cairo goed kent weet dat de corruptie en religieuze hypocrisie uit het dagelijks leven zijn gegrepen.

    Voor een deel van de Arabische bevolking was de zedeloosheid in Het Jacoubian schokkend. Maar zei Al-Aswani, hij provoceert niet om het provoceren, maar om taboes te doorbreken. Hij wil begrip creëren tussen de vele verschillende politieke en religieuze groepen in het land. Hij is daarom ook politiek actief. Al-Aswani is één van de oprichters van Kefaya, de Egyptische beweging voor verandering, die een rol speelde bij de fluwele revolutie van 2011.

    Ahmed Alaidi’s boek Ik ben Abbaas el Abd deed veel stof opwaaien in de Arabische wereld. Abbaas lijdt aan talloze fobiën, maar verandert onder invloed van roze pillen in iemand die blaakt van zelfvertrouwen. Zijn seksuele frustraties staan centraal en die worden expliciet beschreven, hetgeen een grote schok veroorzaakte. Toch vindt Alaidi dat zijn hoofdpersoon Abbaas model kan staan voor een hele Egyptische generatie. Misschien heeft hij wel een punt: na de revolutie van 2011 riepen jongeren massaal: ‘Wij gaan werken, wij gaan trouwen’. Door gebrek aan werk dreigde een hele generatie niet te kunnen trouwen. Maar na de revolutie ging het economisch alleen maar slechter en deze zelfde eisen waren mede-aanleiding voor de nieuwe revolutie. Ik ben Abbaas el Abd is een boek waar je van moet houden. Het is minimalistisch geschreven (en dat is niet vreemd,  Alaidi volgde een opleiding minimalistisch schrijven bij de Amerikaanse auteur Chuck Palahniuk) en alles gaat even snel. De gebeurtenissen tuimelen over elkaar heen, maar ook dat past bij het leven in een stad als Cairo.

    door: Sunny Jansen

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

     

     

  • Vakantierubriek 2013 – Obe Alkema

    Nederland

    Ik blijf in eigen land, wat mij de gelegenheid geeft om op mijn vakgebied in wording mijn favoriete literatuur aan u voor te stellen. Ik verwacht niet dat u poëzie – waar ik op Literair Nederland over schrijf – gaat lezen als u aan zee of het zwembad ligt, maar ik zou u toch willen aanraden om iets van K. Schippers te lezen. Voor een van mijn literatuurvakken moest ik een bundel van hem lezen en sindsdien ben ik bezig alles van hem te lezen. Deze zestiger schrijft aankomend jaar het poëziegeschenk. Laat u verwonderen door zijn krachtige en herkenbare poëzie.

    Waar moet ik verder beginnen? Het is goed om eens per jaar iets van Gerard Reve, Martinus Nijhoff of Willem Frederik Hermans te lezen, maar dat is misschien niet altijd even gepast om op vakantie te lezen, omdat het moeilijk, taai, pittig en deprimerend kan zijn. Iets recenters? Laatst heb ik Mont Blanc van Edzard Mik gelezen, een knap staaltje literatuur waarin gespeeld wordt met het begrip tekst. De plot is niet luchtig – er is iemand nabij de Mont Blanc overleden –, maar de bloemrijke stijl van Mik is om van te smullen.

    Wilt u een dun boekje meenemen op vakantie, omdat u koffer al tot de rits toe vol zit? Lees dan de verhalenbundel Ze vraagt: is dit je kamer van Harm Hendrik ten Napel. Korte, krachtige verhalen waarin geen woord teveel geschreven is. Deze auteur van abcyourself, een initiatief van Edward van de Vendel, debuteert glansrijk met zijn korte verhalen. Een verhalenbundel die ik zeer spoedig zal gaan lezen, is Rock 7 van Bill Mensema. Zijn boek zit vol muziekverhalen. Vele bands passeren de revue en Mensema’s geestige stijl weet iedere keer weer te ontroeren.

    Wilt u nog meer lachen? Lees dan de vuistdikke gedichtenbundel Meisjespijn van Karel ten Haaf. Die heb ik, soms met rode oortjes, voornamelijk in de bus door Groningen gelezen, maar wat is deze man grappig! Of lees de halfgroffe gedichten van Lucas Hirsch in Dolhuis. Onbeschaamd schreeuwt Hirsch van de daken, maar de woorden die hij schreeuwt, zijn niet leeg, maar staan als een huis.

    Wat ik zelf wil lezen de komende weken? Willem Brakman, Vladimir Nabokov, Stieg Larsson (het moest er van komen), Haruki Murakami, Handel in veren van Rascha Peper, Alessandro Piperno, Hugo Claus en Remco Campert. U leest het al: iemand met teveel keuzemogelijkheden.

    Door Obe Alkema

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013. Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van de andere recensenten lezen, klik dan hier.
     

  • Vakantierubriek 2013 – Albert Hogeweij

    Oostenrijk

    Thomas Bernhard – Adalbert Stifter
    ‘Na de zelfmoord van onze ouders zaten wij tweeënhalve maand in de toren opgesloten’, aldus zet de eerste zin van de novelle Amras (1964) van de Oostenrijker Thomas Bernhard (1931-1989) behoorlijk typerend voor diens van mensenhaat, eenzaamheid en onbegrip doordesemde oeuvre. Dat hij toch tot de ‘lachschrijvers’ gerekend mag worden, komt door zijn onnavolgbare, zeer muzikale stijl, waarin de logica van de, ondanks hun lengte, volstrekt heldere, apodictische zinnen (gegoten vaak in de vorm van een door een verteller opgetekende monoloog van een of andere even afzijdig als verbitterd levende kunstenaar, filosoof of componist) met hun herhalingen en variaties en gecultiveerde overdrijving tot in het karikaturale voortwoekert en aldus op onze lachspieren begint te werken.

    De helderheid van Bernhards proza verraadt zijn voorliefde voor Pascal, Novalis en Schopenhauer. Omdat in die monologen nogal eens een heilig Oostenrijks huisje het moet ontgelden, oogstte Bernhard veel weerstand in zijn eigen land. Tegen diverse boeken en toneelstukken van hem werden processen aangespannen. Bernhard zou een ‘Nestbeschmutzer’ zijn. Niet iedereen kan daar natuurlijk van het kaliber Kurt Waldheim zijn, nietwaar?

    Toch is voor mij Bernhard een van de redenen om Oostenrijk hoog te achten. Misschien wat nationalistisch gedacht, maar de cultuur van het desbetreffende land moet zo’n schrijver toch maar voortbrengen. Tegen mensen die bijvoorbeeld Frankrijk hoger aanslaan, breng ik gelijk Bernhards mening over Franse literatuur in stelling: die vond hij, op Herr Teste van Paul Valéry na, maar weinig voorstellen.

    Een andere Oostenrijkse auteur die een aanlokkende werking op mij uitoefent is Adalbert Stifter (1805-1868). Een schrijver die voor het echte leven ook liever dekking zocht in een gecultiveerde schrijfstijl. Voor Thomas Bernhard was Stifter jarenlang niet alleen qua zinsbouw en woordkeus, maar ook voor diens pregnante en exacte blik op zijn naaste omgeving een lichtend voorbeeld. In Stifers Bildungsroman Der Nachsommer (1857) is de handeling opgeofferd aan beschouwingen. Maar in Bernhards Alte Meister uit 1985 pleegt de protagonist regelrechte Stifter-Beschimpfung, als hij de Biedermeierauteur wegzet als ‘provinciale dilettant’, wiens proza laboreert aan een ‘vreselijke stijl’ met zijn ‘kleinburgerlijke sentimentaliteit’.

    Wie het beroemde voorwoord van Stifter bij zijn Bunte Steine uit 1852 leest zou hem bijna gelijk geven: ‘Bij mijn schrijfsels is het mijn doel geweest […] gelijkgestemde vrienden een genoeglijk uur te bezorgen.’ Goed, Stifter stond in 1848 niet op de barricaden en zwoer niet bij een groots en meeslepend leven, maar veeleer dan conservatief was hij een utopist. Depressief, drankzuchtig en vereenzaamd in zijn ongelukkige huwelijk, trok hij in zijn boeken een volkomen schijnwereld op waarin stilering van de werkelijkheid boven realistische weergave ging. Gedragen door de overtuiging dat de Natuur zowel als de zedelijke werkelijkheid tot in haar schijnbaar onbeduidendste verschijnselen beheerst wordt door ‘das sanfte Gesetz’. ‘Zoals het in de natuur buiten is, zo is het ook in de innerlijke natuur, in die van het mensdom. Een heel leven vol rechtvaardigheid, eenvoud, zelfbeheersing, redelijkheid, werkzaamheid in eigen kring, bewondering van schoonheid, verbonden met een blijmoedig, berustend sterven, houd ik voor groot. Heftige gemoedsbewegingen, angstwekkend voortrazende toorn, wraakzucht, de ontvlamde geest die naar activiteit streeft, omverwerpt, verandert, verwoest en in de opwinding vaak het eigen leven vergooit, houd ik niet voor groter maar voor kleiner.’ Klinkt nu als een pleidooi voor onthaasting, maar als lezer bekruipt je het gevoel dat de harmonie voortdurend bevochten moet worden, dat de chaos enkel eronder kan worden gehouden in die bezwerende stijl. Het dagelijkse leven van Stifter was daarbij zo innig niet…Een Duitse literatuurprofessor merkte eens op dat de lasteraar Thomas Bernhard in zijn leven niets anders heeft gedaan dan dat te verwezenlijken waarvan Adalbert Stifter slechts kon dromen en in zijn werk gestalte wist te geven. Bernhard was impotent, Stifter depressief. Eerstgenoemde kwam door longziekte vroegtijdig aan zijn eind, bij de tweede kwam er zelfmoord aan te pas.

    Ach Oostenrijk, aangeharkte natuur, platgetreden paden, maar je schrijvers vinden er hun eigen weg naar onnavolgbaarheid.

    door Albert Hogeweij 

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013. Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van de andere recensenten lezen, klik dan hier.