• Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00

     

     

  • Water dat niet meer bewoog – Extaze 2011 – 0

    In een tijd dat het voortbestaan van literaire tijdschriften op losse schroeven staat verscheen in april het nieuwe literaire tijdschrift Extaze. Dat getuigt van lef, maar niet zonder reden. De inhoud is  van een gehalte waar je stil van wordt, en geniet. Hemelbestormers uit liefde en passie voor de literatuur, Haagsche literatuur wel te verstaan. Zelf vonden ze het ook een gotspe, om de literatuurgod van Nederland te tarten, want zo voelt het toch wel. Als ware Titaantjes willen zij de (Haagse) literatuur een kontje geven. Hup naar boven, bestorm die hemel.

    Vanuit de behoefte de literaire leemte van de stad Den Haag te vullen, is Extaze ontstaan. Of beter: Extaze moet Den Haag weer op de literaire kaart zetten. Deze is in eerste instantie weggelegd voor Haagse schrijvers en daarnaast staan ze open voor Nederlandstalige schrijvers van waar dan ook.

    Gesprek met filosofen

    Filosoof Tom Domisse schreef een essay over liefde en ironie. Hij  voert een gesprek  met Goethe en Schiller dat van commentaar wordt voorzien door Thomas Mann. Mann noemde Goethe de meest omvattende, alzijdige dilletant die ooit geleefd heeft. Dit alles omkaderd door Faust, opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg door het Nationaal Toneel. Hoe de Faust, het theaterstuk en Faust als persoon nog steeds confronteert als de ultieme kunst van sterflijkheid. Een essay dat vervolgd wordt in het volgende nummer van Extaze, zo belooft Domisse.

    Kees Schuyt (auteur van J.B. Charles/W. H. Nagel, 1910-1983), schreef, De wind steekt op: het wonderlijke van het gewone. Een essay over de Haagse schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974). Hussem was een meester in het poëtische miniatuur: ‘Mensen zijn wolken / waar zij komen / betrekt de lucht’.
    Schuyt beschrijft  met enthousiasme het dubbeltalent van Hussem. Waarbij het zeldzaam is dat in beide kunstvormen, schilderen en dichten, het hoogste niveau wordt bereik, zoals bij Hussem het geval was.

    Van radiomaker en schrijver Wim Noordhoek, een stuk over het kunstenaarschap van Van Eeden, Het Den Haag van Marcel van Eeden. Marcel van Eeden (1965) maakt beeldboeken en zijn werk siert deze Extaze. Het is van een wonderlijke realiteit die aan een verleden doet denken dat om de hoek ligt. Noordhoek zegt daarover: ‘Van Eeden fossiliseert het recent verleden.’ Zo is het, zijn tekeningen lijken versluierde, stenen beelden van een levendige werkelijkheid. Als ansichtkaarten die nooit verstuurd worden. Noordhoek is aanstekelijk beeldend in zijn taalgebruik om te duiden wat het werk van Van Eeden hem toont.

    Haagse roman

    Filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker, schreef een prettige analyse over het heden en verleden van de Haagse roman, Verstilling en ondergang (De erfenis van de Haagse roman). Bakker gelooft, in tegenstelling tot anderen, dat de Haagse roman niet dood is. Hij schrijft dat in de stereotype Haagse roman adel een belangrijke rol speelt. Evenals verveling, onbestemde verlangens, moord en andere misstappen. ‘In de Haagse roman gingen welgestelde families langzaam ten onder, kwijnden jonge dames weg en hield men er kleverige zondes op na.’ Hiermee ‘Eline Vere’ van Couperus in herinnering roepend. Hij eindigt met te zeggen dat Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje nooit in Den Haag geschreven had kunnen zijn. Want: te grappig en schaamteloos extravert. ‘Hier waart nog steeds de geest van Eline rond. Alles moet bedekt blijven, een beetje dubbel, met de gordijnen dicht. Wij lijden in stilte. Totdat ze ons vinden in ons boudoir en iemand daarover dan een verhaal vertelt …’

    Het verhaal van schrijfster Nicolette Smabers De hellehond. Een vrouw verliest haar tweeling broer op de dag dat ze elkaar zouden treffen aan het strand om de sterfdag van hun moeder te gedenken. Ze gaat alsnog naar hun afspraak, waarbij de  repeterende gesprekken en handelingen tussen haar broer en zichzelf in haar hoofd schrijnend zijn.

    Van Kees ’t Hart het vermakelijke stuk, Rondhangen. De schrijver opent met, ‘Verreweg het beste is rondhangen, maar dan ook echt rondhangen. Rondhangen zonder reddingsboeien. Bedacht rondhangen is het einde van rondhangen.’ Begint ’t Hart aldus, wat volgt kan gelezen worden als een handleiding om het ultieme rondhangen onder de knie te krijgen. Het beste is dat je daarbij je ogen open hebt. En dan bedenken dat je je ogen open hebt en ergens naar kijkt. ‘Voor de televisie kijken naar een programma dat je niet wilt zien en blijven rondhangen omdat je rond bent gaan hangen. A is B.’

    Indisch Den Haag

    Kees Ruys (biograaf van Aya Zikken) schreef een uitgebreide en boeiende inleiding over het leven en werk van F. van den Bosch (1922-2001). Het verhaal Goupil van F. van den Bosch leest als een biecht. Van den Bosch beschrijft zijn jeugdjaren in Nederlands Indie, het leven als kind op straat en zijn omgang met een Indische jongen waar hij een onbestemde angst voor heeft maar toch bevriend mee raakt. En wat er allemaal in het ongezegde leeft dat als voelbare bovennatuurlijke kracht uit het verhaal naar boven komt. Een persoonlijk verhaal is het. Van den Bosch is een schrijver die voornamelijk voor zichzelf schrijft om de heftigheid van- en de veelheid aan herinneringen te kunnen ordenen. Daarna kwam altijd de schaamte.

    Het korte verhaal De man, de vogel en de hond van Yolande de Kok leest als een choreografie voor een man, een hond en een vogel. Met een onverwacht dramatische afloop. Verder bijdragen van Gertrude Kunze, Peter J. van Dijk (kort verhaal), Paul Steenhauer, Gilles Boeuf en Didi de Parijs gedichten, Wim Willems en Cor Gout een inleiding op respectivelijk Twee brieven van Tjalie Robinson en Twee brieven van Willem Bijsterbosch en Rob H. Dekker schreef een opmerkelijk essay over de in 2010 overleden schilder-muzikant Captain Beefheart. Beslist een tijdschrift dat iets in beweging brengt, nieuwsgierig maakt naar een vervolg.

     

    Extaze 2011-0, Water dat niet meer bewoog
    Redactie: Cor Gout, Els Kort en Kees Ruys,
    Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs € 15,00

     

  • Meinummer Tirade – In memoriam

    Bij het persklaar maken van het hier te bespreken meinummer van Tirade, kon de redactie niet bevroeden dat het thema In memoriam op de realiteit vooruit liep. Enkele weken later veroordeelde Halbe Zijlstra – zonder slag of stoot – de twaalf meest vooraanstaande literaire tijdschriften in Nederland tot de bedelstaf. Het Letterenfonds kreeg opdracht geen subsidie meer aan deze tijdschriften te verstrekken.

    Volgens Zijlstra worden literaire tijdschriften niet gelezen, dus weg ermee. Een onbezonnen actie die verregaande gevolgen zal hebben voor de literaire ontwikkelingen in Nederland. Met het opdoeken van de tijdschriften zullen ook de redacties verdwijnen. Waarmee het belang van het redactionele advies van een gerenommeerd tijdschrift aan debuterende auteurs, schromelijk onderschat wordt. Zijlstra smoort het toekomstige Nederlandse literaire erfgoed, zonder scrupule, de mond. Een In memoriam is dan zeer toepasselijk, zei het fictief, het biedt troost en geestelijke verrijking aan de literatuurliefhebber in deze moeilijke tijden. En hoop gloort daarna.

    Vijfendertig maal een In memoriam van even zovele schrijvers. Wie heeft nooit een moment gekend dat je eraan dacht hoe je gememoreerd wenst te worden: ‘Van haar voortdurende verbazing werden wij geregeld doodmoe’ (Sasja Janssen), ‘Hij heeft (…) ongeveer 30 kilometer geschreven (…) (Leo Vroman) of: ‘(…) zijn onvermogen binnen de lijntjes te kleuren.'((Detlev van Heest). De werkelijke memorabele feiten, na de dood uitgesproken zal niemand ooit notitie van nemen. Tirade nr. 438. bood auteurs de kans een I.M. over zichzelf schrijven. De ultieme gelegenheid om jezelf eindelijk eens te prijzen waar de kritiek dat nagelaten heeft, of ongestraft te citeren uit eigen werk. Maar ook de donkere kanten treden onverbloemd op de voorgrond, nu er toch niets meer te verrekenen is kan alles gezegd.

    Schrijven over eenzelfde thema door een groot aantal auteurs brengt het risico met zich mee dat het resultaat wat al te eensluidend kan uitvallen, maar daar is hier geen sprake van. Wel kan men – na lezing van pakweg tien bijdragen – spreken van enige I.M verzadiging. Leg het tijdschrift dan even terzijde om het later nog eens door te bladeren – daar nodigt een literair tijdschrift immers toe uit – blader er doorheen, sla een paar I.M.s over voor een later moment en lees nog eens wat terug. Het is genieten om te zien hoe de auteurs met het thema gestoeid hebben. Een enkeling pakte zijn leven samen in een grafsteentekst zoals David Van Reybrouck ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’

    In Omheen het gat van Atte Jongstra, spreekt de schrijver de hoop uit dat zijn vrouw gunstig over hem wil denken na zijn dood. Tussendoor vermeldt hij: ‘(…) al schijnt ook zij het leven te hebben losgelaten, zie elders in dit blad (…)’.

    Haar Onvoorzien In Memoriam van Ingrid Hoogervorst, heeft hij kennelijk niet meer kunnen lezen. Hoogervorst is getuige van een gesprek tussen twee stamgaten in een café die haar op haar eigen I.M. verrassen. Waarna zij onopgemerkt het café verlaat en huiswaarts gaat. Zij is niet overleden, zelfs niet fictief.

    Marion Bloem, I.M. en Jan van Mersbergen (zonder titel) memoreren zichzelf enigszins ongemakkelijk. Wie wil er nu over zijn eigen dood schrijven wanneer je ouders nog leven? Jan van Mersbergen belt er zijn moeder maar eens over die terstond een opsomming geeft van herinneringen aan Van Mersbergen en zijn tweelingbroer. Toen ze nog baby waren en zo identiek, dat zijn moeder hem alleen wist te onderscheiden door een paar vlekjes bovenop zijn voet. Over memorabele feiten na zijn dood wordt handig gezwegen. Of het moest zijn dat zijn moeder hem herinneren zal als een van de tweeling die zich altijd zal willen onderscheiden van zijn broer door: ‘(…) dat schrijven van jou (..)’

    Marion Bloem is bang dat niemand haar ooit, zelfs na haar dood niet, echt gekend zal hebben. Dat je gekend wordt aan de oppervlakte en in uiterlijkheden maar de gelaagdheid in haar wezen, evenals als die in haar boeken – onopgemerkt zal blijven. Een ongerede angst lijkt me, maar wel een die voorbehouden is aan de schrijfster en zeer herkenbaar.

    Interessant is te vernemen hoe schrijvers aan hun einde zijn gekomen.

    Anton Korteweg (1914-2011) stierf in zijn slaap en Theo Kars (1940-2040) vond de dood ‘door eigen hand’. Heel toepasselijk voor: “‘Wie steeds zijn eigen leven heeft geleid, zal ook op het eind daarvan de teugels niet uit handen willen geven, (…),’ aldus Kars in zijn memoires.”

    Minke Douwesz (1962 – 2010) kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Zij, die twee poezen en evenzovele romans naliet, schreef een scherpe analyse van haar leven en werk als auteur. Haar romans Strikt en Weg ontstonden vanuit een streven: ‘(…) woorden vinden voor de complexe processen die zich in en tussen individuen afspelen.’ Wie haar werk kent kan beamen dat zij daarin geslaagd is.

    De bijdrage van Maarten Biesheuvel is grandioos. Het schrijven schijnbaar voorbij tekende hij (met ballpoint) zichzelf in memorabele staat op papier: Eva, zijn vrouw gezeten in een (imaginaire) stoel aan het voeteneinde van een kaal bed waarop in naakte, erectionele staat de schrijver, de hand reikend naar zijn mannelijkheid, kreunend zijn laatste adem uitblaast. Met daaronder de tekst: ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw.’

    Verder een In memoriam van onder andere: Tomas Lieske, Piet Gerbrandy, Barber van de Pol, Ton Rozeman, Tsjead Bruinja, Arnon Grunberg, Willem Jardin, August Hans den Boef, Maarten Ascher en Miek Zwamborn.

    Literatuur, in de diepte en de breedte, bij de hoogste en de laagste zin van het woord, zal nimmer verstommen wanneer we Arnon Grunbergs woorden ter harte nemen in zijn Voetnoot van 27 juni jl.. Grunberg ziet weinig heil in protestacties tegen de voorgenomen bezuinigingen. ’Het kabinet bezuinigt, er wordt geprotesteerd. Zo was het vroeger, zo is het nu. Zelden verandert er iets.’ Liever stort hij elk jaar duizend euro in een fonds voor literaire tijdschriften. “Als 199 personen en bedrijven hetzelfde doen, hebben we 2 ton.” En: “Als de kunsten u lief zijn: koop wat minder biologisch rundergehakt en wordt mecenas.” Laat de uitingsvorm van de kunsten niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de overheid maar neem je eigen verantwoordelijkheid, lijkt Grunberg hiermee te willen zeggen.

    En als vervolgens heel literatuurminnend Nederland een abonnement neemt op een literair tijdschrift dan zal het ware karakter van de literatuur zich doen gelden.

     


    Website Tirade www.tirade.nu

     

  • De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    Het Vlaamse literaire tijdschrift De Brakke Hond verschijnt sinds vorig jaar zomer als stevig en mooi uitgevoerd magazine. Opvallend is dat er meer ‘grotere’ namen aan het blad meewerken dan voorheen. Ex-journalist en boekhandelaar van De Zondvloed Johan Vandenbroucke heeft zich over het blad ontfermt als hoofdredacteur. Sindsdien zijn er vier nummers in de hernieuwde vormgeving verschenen. In plaats van driemaandelijks verschijnt De Brakke Hond tegenwoordig tweemaandelijks.

    In het voorlaatste nummer van De Brakke Hond wederom een aantal fraaie bijdragen: De kroniek Restletsels (2) van Jeroen Brouwers over woorden die je nooit meer hoort, zoals ‘Matsig’ in de betekenis van een drukkende, benauwde dag. Een dialectwoord uit Limburg of Brabant dat opeens weer bij hem bovenkomt  sinds hij het in zijn ‘prille jongentjesjaren’ voor het eerst hoorde. En over gemeenplaatsen als: ‘Er viel een stilte, zij was de schok nog niet te boven’ etcetra. Een type taal dat uitblinkt in saaiheid, Brouwers zou dit type het liefst een schop geven.

    In de  kroniek van Chretien Breukers De redding van de poezie legt Breukers op pamfletachtige toon uit hoe het uitgeven van poëziebundels kan worden gestimuleerd. Breukers stelt voor de uitgave van een dichtbundel te honoreren met een bedrag van 1500 euro. Aldus richt hij zich tot ministers en staatssecretarissen: ‘Mocht u komen met het argument dat er geen budget kan worden vrijgemaakt omdat het ‘crisis’ is, dan wil ik u toch even iets anders voorleggen. (…) bedenk ook, dat de poezie (of de taal) niet alleen ‘gansch het volk’ is, maar ook het geweten van ‘gansch het volk. 1500 euro voor elk brokje geweten is een koopje.’

    Een stuk van Ann Meskens over Dieren in de kunst: van de jacht op neushoorns tot hamsters als speelbal, waarin ze zich afvraagt wat er met ons en onze maatschappij aan de hand is dat we storm lopen voor een hamster of een varken. De antwoorden jagen haar bij voorbaat angst aan. En over kunstenares Tinkebell, die in januari van dit jaar werd vrijgsproken van het martelen van hamsters. Meskens weet het uiteindelijk wel. Als zij een varken was zou zij liever in handen vallen van kunstenaar Wim Delvoye (die graag een aantal varkens zou willen tatoeren) dan in handen van de voedselindustrie.

    Stevige gedichten van dichteres en kinderboekenschrijfster Reine De Pelseneer met titels als: Wrong, Kering, Zwier en Opvlucht. Voor de voetballiefhebbers: een twintig pagina lang – overigens prachtig relaas van een voetbalfan in hart en nieren – van sportjournalist Dirk Deferme, Raymond ‘zoals in Goethals’. Verder poezie van Anna De Bruyckere: Hackeschermarkt, Berlin en Bart Janssen met: Onderling. En een essay van Joris Note getiteld: Alle die talen, over teksten die nooit eenduidig zijn.

    Verder  een exclusieve vertaling van het verhaal ‘Huiswerk’ van Japans best bewaarde geheim Shotaro Yasuoka (1920), een door Haruki Murakami op handen gedragen schrijver. Een kortverhaal van pseudoloog A.H.J. Dautzenberg  en van de jonge talenten Y.M. Dangre en Anna De Bruyckere. Y.M. Dangre is onlangs genomineerd voor de C. Budding- prijs voor zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet. En verhalen van Christophe van Gerrewey De erfenis van Esther en Frank Adam schreef De bastaard van Brugge.

     

  • Hollands Maandblad maart 2011

    Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

    Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ’tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


    Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

    “Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
    “Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

    Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

    Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
    “AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
    AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
    AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
    AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
    Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

    Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

    Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
    Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
    Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
    Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
    Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
    Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
    Tekeningen – Rudof Hartman

    Hollands Maandblad
    Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
    verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
    Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
    Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

    www.hollandsmaandblad.nl

     

     

  • Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    In het derde nummer van De Gids aandacht voor de – op 4 april 2010 – overleden essayist, polemist en dichter Rudy Kousbroek. Annet Mooij in het inleidende stuk Bij dit nummer: ‘Het essay vormt  samen met de poezie en het verhalend proza het hart van De Gids’. Maar een van Nederlands grootste en scherpste essayisten leverde slechts eenmaal een bijdrage. Niet omdat de redactie geen vinger aan de pols hield bij de betreffende schrijver. Graag had de redactie meerdere stukken van hem opgenomen maar het bleef bij die ene keer in 1984, toen hij enkel korte stukjes leverde als bijdrage voor het  ‘Het pak van Sjaalman’. Tot iets groters voor De Gids is het nooit gekomen. 

    Kousbroek schreef liever voor kranten. De redactie pakt nu haar kans door dit nummer geheel aan Kousbroek te wijden. Niet uitsluitend gaan de stukken over hem maar is het vooral een nummer geworden in de geest van Kousbroek. Waarvoor onder andere Tijs Goldschmidt, Jaap van Heerden, Daniel Rovers, Xandra Schutte, Arjan Mulder, Maarten Asscher, Roel Bentz van den Berg, Bas van Putten, Dirk van Weelden en Joost de Vries een bijdrage leverden.                                                                               Sarah Hart – zijn tweede vrouw – verzorgde  Seven Photos of Rudie Kousbroek. Foto’s van Kousbroek die ze voorzag  van tekst, in de geest van Kousbroeks fotosynthese boeken.

    Tilly Hermans memoreert Kousbroek als: Schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen.  Als toegewijd redacteur en later uitgever van Kousbroek, maakte zij van dichtbij de problemen mee die Kousbroek ondervond bij het schrijven. Een tekst op commando produceren ging hem niet goed af. Een tekst van zichzelf kon Kousbroek tot grote vertwijfeling brengen: schrijven was voor hem een moeizaam proces. De ideeën die in zijn hoofd ontstonden, kosten hem veel moeite ze zo opgeschreven te krijgen zoals hij het zich voorstelde. Tilly Hermans bezocht hem verschillende malen in Parijs met het doel hem tot schrijven te brengen aan Het Oostindisch kampsyndroom. Er wordt  gewandeld tijdens die bezoeken, over katten gesproken, musea bezocht maar tot schrijven van de gewenste stukken komt het niet. Dan beklimt Tilly Hermans op een zondagmorgen de trappen naar zijn Parijse woning. Van ver hoort ze het droge tikken van een schrijfmachine. Even gelooft ze dat de schrijver schrijft.  Om dan te ontdekken dat Kousbroek de inhoudsopgave van het boek nog maar eens uittypte. Het Oostindisch kampsyndroom dat in de aanbiedingsfolder van Meulenhoff in 1986 werd aangekondigd, verscheen pas in1992. Toen CPNB aankondigde dat het boekenweekthema van 1992 Nederlands-Indie zou zijn schreef  Kousbroek opeens in enkele maanden 500 paginas. Tilly noemt het in vergelijk met Multatuli, Kousbroeks ‘pak van Sjaalman’.  Ook Medereizigers – over hoe de liefde van de mens voor het dier is ontstaan – kwam pas tot een compositie toen Dieren het thema werd van Boekenweek 2009. Tilly Hermans: “(…) wanhopig en kwaad kon ik zijn omdat hij maar niet leek te willen geloven dat we zijn boeken heel graag wilden uitgeven, dat ik echt niet zijn enige lezer zou zijn.”

    De tekst van de eerste Rudy Kousbroek-lezing, gehouden door K. Schipper staat in dit nummer. Het Rudy Kousbroekplein bevat onverhuld een pleidooi om een bestaand plein in het Rudy Kousbroekplein om te dopen. Want het Sarphatipark heette eerst Bollandpark en het Jan Willem Brouwersplein is nu Concertgebouwplein. En waarom niet een “(…) Rudy Kousbroekplein, (..) aan de zijkant van de muziektempel (…) In de naam klinkt van alles door (..) compleet met Jan Willem Brouwers, een verhaal dat ontploft tussen al die trampassagiers, wachtend op de halte.” Denkend aan Kousbroek komen toch vooral de knetterende polemieken boven die hij met schrijf-collega Jeroen Brouwers voerde. Schippers schreef een forensische schets over Kousbroek, die als zestienjarige met het troepentransportschip Noordam vanuit Sumatra, Nederland binnenvoer. Over de wegen die hij in het Amsterdam van de jaren 50 bewandelde of per tram beslechtte op weg naar school of theater. Daar zou nog wel eens een Rudy Kousbroek-route uit kunnen ontstaan die uitkomt op het Rudy Kousbroekplein.

    Maarten Asscher interviewde Rudy Kousbroek in het Academisch-Cultureel centrum Spui 25 te Amsterdam op 17 april 2007. Het gesprek begint als volgt: “MA: Wil je een glaasje water om mee te beginnen? RK: Wat ik eigenlijk het liefst zou willen is de gordijnen dicht. We zitten hier zo te koop. MA: Voor schrijvers is dat toch niet zo ongepast? RK: Voor een schrijver als ik wel, hoor. Ik werk in het donker.”  Waarna het interview onder het motto de ‘fotosynthese’ wordt afgenomen. Een formule van foto’s waarbij een tekst geschreven. Kousbroek heeft verschillende fotosyntheseboeken gepubliceerd. In dit gesprek noemt Kousbroek zichzelf een  mislukt romancier. “Het is mij nooit gelukt om een roman, een echte roman, te schrijven zoals ik denk dat dat gedaan moet worden, en die ook werkelijk af te maken.”

    Uit alles blijkt dat Rudy Kousbroek leed aan een gebrek aan zelfvertrouwen waardoor veel ideeën het niet tot een publicatie brachten. Kortom, een Gids  voor de liefhebber van Rudy Kousbroek, een collecters nummer!

     

     

  • Tirade – nieuwste nummer – maart 2011

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    In het eerste nummer van Tirade van dit jaar is het schotschrift Te licht bevonden van historicus en publicist Ronald Havenaar opgenomen. In 1990 promoveerde Havenaar op een studie over het politieke denken van Jacques de Kadt (1897-1988). Havenaar geeft inhoudelijk kritiek op De schijn-elite van de valsmunters (2010) van PVV ideoloog Martin Bosma, die zich gretig beroept op het gedachtegoed van De Kadt. Bosma ontleende de titel van zijn boek aan een passage uit Het fascisme van de nieuwe vrijheid (1939) van Jacques de Kadt.

    Havenaar toont aan dat de zo onontbeerlijke kenmerken voor een politicus als kennis en inzicht – die Bosma in zijn leermeester De Kadt zo bevallen – bij Bosma zelf ontbreken. Daarentegen is er bij Bosma sprake van schrille dogmatiek, geloofsijver en missiedrang. Ronald Havenaar laat zien dat Bosma uit zijn nek kletst.
    Carel Peeters bewerkte Huid en haar, de laatste roman van Arnon Grunberg met een fijn scalpeermesje en legt ‘de schrijver als sofist’ bloot. Peeters vindt dat Grunberg zijn hoofdpersoon, Roland Oberstein te veel heeft gesouffleerd. Grunberg is als verteller en commentator voortdurend aanwezig waardoor Oberstein geen echt romanfiguur wordt maar een speler in een soap. En dat is tot daar aan toe maar een soap van 523 pagina’s is te veel van het goede, aldus Peeters.
    Kiki Coumans vertaalde werk van de Franse dichter Yves Bonnefoy (1923), Verre stem, Uit: Les Planches courbes, Mercure de France, 2001.
    Bonnefoy geldt in Frankrijk en in de rest van Europa als de belangrijkste levende Franse dichter. In Nederland zijn sporadisch teksten van hem vertaald. Naast dichter is hij een veelgeprezen essayist en vertaler van Shakespeare en Yeats.
    Van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (1923-1952) vertaalde Bernlef het verhaal Een partijtje zakschaak dat pas na de dood van de schrijver werd gepubliceerd en nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt. Bernlef vertaalde eerder van dezelfde schrijver de roman Het verbrande kind en de verhalenbundel Natte sneeuw.
    Lodewijk Pessers (1984) studeert Italiaanse taal- en letterkunde aan de UvA en rondt dit jaar zijn master af. Hij publiceert een stuk over: De tenzone tussen Dante Alighieri en Forese Donati, getiteld Ruzie op rijm. De poëtische correspondentie uit omstreeks 1295 tussen Dante Alighieri en zijn jeugdvriend Forese is een relatief onbekend werk. ‘Tenzone’ is een Italiaanse aanduiding voor poëtische correspondentie, in het Nederlands zou het strijdgedicht genoemd kunnen worden.
    ‘Twee gedichten’ van de dichter Willem Thies (1973), die in dichterlijke taal pijnlijk realistische beelden neerzet.
    Nico Dros (1956) als blogger in residence vraagt zich in Acteur, auteur, malheur af wat Adriaan van Dis er toe bewoog op het Boekenbal 2010 een act op te voeren . En wat een marteling het voor de toeschouwers was dit te moeten aanzien. Een auteur moet zich bij zijn ’leest’ houden, al zijn er uitzonderingen. In het tweede blog een klein eerbetoon aan de op 14 augustus 2010 overleden schrijver Herman Franke. Zijn laatste roman Traag licht werd vorig jaar oktober ten kantore van uitgeverij Podium gepresenteerd.
    In een kort verhaal van toneelschrijver en regisseur Marijke Schermer(1975) De microbiologe, vindt de hoofdpersoon zichzelf terug in een roman.

    Verder bijdragen van: Dichter en schrijver Lloyd Haft (Wisconsin 1946): Kelong: drie zeegezichten; Neerlandicus en tekstschrijver Joris van Groningen (1962) schrijft in Gerrit Krol verbetert de Turingtest over machines als mens en met name over de roman De man achter het raam van Krol uit 1982 waarin een robot figureert en hoe Krol de turingtest verbeterd; Van de Schotse schrijver Norman Douglas (1868-1952) Rome in een vertaling van Astrid Huisman en Inge van Balgooij.
    Gedichten van Kreek Daey Ouwens (1942), haar bundel De achterkant werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2011.
    Van Manet van Montfrans (1944) Terug naar de oorsprong. Geschiedenis en voorgeschiedenis bij Jean Rouaud. Montfrans publiceert regelmatig over hedendaagse Franse literatuur en is redacteur van het tijdschrift Marcel Proust ajour’hui.

    www.Tirade.nu
    Tirade is een uitgave van Uitgeverij G.A. van Oorschot en verschijnt vijf keer per jaar.
    Losse nummers 12,50 Abonnement (vijf nummers) 40,00
    Studenten en CJP-houders, 34,00

  • De Parelduiker 2010 Nr. 5

    Literaire tijdschriften zijn niet alleen voor de echte literatuurkenner interessant maar vooral ook voor de liefhebber.   Een  literair blad is een  mooi platform om je onder meer te laten verrassen door literaire binnenkomers of vergeten schrijvers en boekfanaten.

    De voorlaatste Parelduiker ( 2010 nr. 5) opent met het literaire levensverhaal van Kees Lekkerkerker, geschreven door Menno Voskuil. In 2002 bezocht Voskuil de tweeennegentig jarige Lekkerkerker. Met een kop thee binnen handbereik ontvouwt Kees Lekkerkerker in enkele zinnen aan de vijfentwintig jarige Voskuil zijn visie op de mens. Die kort gezegd hierop neerkomt: In de literatuur en in de wetenschap heb je hogere en lagere apen. Hogere apen vinden hun eigen persoon het belangrijkste en de lagere stelt zichzelf in dienst van de literatuur en de wetenschap. En Lekkerkerker rekende zichzelf tot de lagere apen. Toen Menno Voskuil iets tegen deze apentheorie wilde inbrengen werd hij direct bestempeld als zijnde een hogere aap omdat hij volgens Lekkerkerker niets van een lagere aap aanneemt. Einde discussie; en Voskuil spoelde de rest van zijn weerwoord snel door met een slok van zijn lauwe thee.

    Kees Lekkerkerker, autodidact in de literatuur, werd als de schatbewaarder van Slauerhoff gezien. De houten scheepskist van Slauerhoff, die hem op al zijn reizen vergezeld had, was in het bezit van Lekkerkerker. Deze was een groot liefhebber van Slauerhoff en verzamelde elke publicatie van de dichter. Hij werd in 1936, kort na het overlijden van Slauerhoff, benoemd tot secretaris van de commissie die zich tot doel stelde het verzameld werk van Slauerhoff uit te geven. Van 1941 tot 1947 werkte Lekkerkerker als eerste redactionele assistent van de directie bij Uitgeverij Contact. Hij werd geprezen om zijn ‘uitstekende literaire smaak’. Maar door zijn autodidactschap voelde Lekkerkerker zich ook een outsider, vooral op die gebieden waar een academische titel of opleiding in aanzien stonden. Een zeer geliefde functie als conservator bij het Letterkundig Museum ging, vanwege het ontbreken van zo’n titel, aan hem voorbij. Uit deze tijd stamt waarschijnlijk Lekkerkerkers visie van de hogere en lagere apen, : ‘(…) het werk moet centraal staan, niet de maker.’ Kees Lekkerkerker was een gedreven literatuur liefhebber die naast het Verzameld werk van Slauerhoff ook de Verzamelde werken van Ed. Hoornik en Jacob Israel de Haan verzorgde.

    Verder in dit nummer een biografische schets van schrijfster Greeth Gilhuis-Smitskamp en drukker van exclusieve uitgaven, Jan Erik Bouman. De eerste een vergeten literaire duizendpoot, columnist en verhalenschrijfster die te vergelijken is met Annie M.G. Schmidt en Freek de Jonge, volgens Monica Soeting. Soeting (recensent voor Trouw en hoofdredacteur van Biografie Bulletin ) beschrijft het leven van Gilhuis-Smitskamp op een betrokken wijze waarbij ze de wens uitspreekt dat er, ‘ooit in Nederland een uitgeverij wordt opgericht die zich, (…) om het werk van onterecht vergeten schrijvers bekommert.’ Wie weet wordt deze wens nog eens vervult.

    Jan Erik Bouman was een fanatiek lezer, collectioneur en looddrukker. Hij verzorgde exclusieve uitgaven onder het impressum Hugin & Munin. Op integere wijze beschrijft Jan Paul Hinrichs (vakreferent Nederlands, Oost-Europees en Duits op de Leidse UB), zijn ontmoeting met deze looddrukker te Utrecht. En hoe deze, voor Hinrichs vrijwel onbekende man, hem vanaf zijn sterfbed een exclusief oeuvre toevertrouwde van teksten van o.a.de Utrechter Kees Ouwens en de Amerikaanse auteur James Purdy.

    Alle bijdragen uit de Parelduiker zijn geillustreerd met mooie foto’s.

    Inhoud:
    Menno Voskuil – In dienst van de letteren. Het literaire leven van Kees Lekkerkerker (1910-2006)
    Peter Hofman – De controverse en verzoening tussen Lucebert en Bertus Aafjes
    Monica Soeting – De troost van het dagelijkse. Het vergeten werk van Greeth Gilhuis-Smitskamp (1908-2008)
    LAAGWATER – De waard danst dada / Wie was Hans Boslowits (addendum)
    Jos Perry – Estrella. Een revolutie-cantate die niet doorging [Theun de Vries en Louis Andriessen]
    Jan Paul Hinrichs – Jan Erik Bouman (1947-2010) en de exclusieve pers Hugin & Munin
    Onbekende portretfoto’s van Harry Mulisch door Annelies Romein
    DE LAATSTE PAGINA – Willem Ellenbroek, Harry Mulisch (1927-2010) over zichzelf

    De Parelduiker
    Uitgegeven door:
    Stichting Het Oog in ’t Zeil / Uitgeverij Bas Lubberhuizen
    verschijnt 5 keer p.j.

    Prijs los nummer: € 9,50
    Abonnementen:    € 39,50 (buitenland € 45,–)

    Zie voor meer: www.literairetijdschriften.org